De cijfers en de schade van de bezuinigingen

20dec 2011december 2011
Bas Jacobs
Bas Jacobs

Europa lijkt zich eerder als een grote, relatief gesloten economie te gedragen dan als een kleine open economie, schrijft FTM columnist Bas Jacobs. Dit heeft grote gevolgen voor het beleid.

Ik vraag me al een tijdje af hoeveel EU-landen nu naar elkaar exporteren en hoeveel ze van elkaar importeren. Waarom?

De Nederlandse regering doet hardnekkig alsof de Eurozone bestaat uit een verzameling kleine open economieën die verder niets met elkaar te maken hebben. Dan kunnen ze het schuld- en boeteverhaal blijven vertellen. En ook dat GIIPS-landen zich maar als de Noord-Europese landen moeten gaan gedragen; iedereen moet zich tegelijkertijd uit de crisis zien te exporteren omdat iedereen tegelijkertijd de broekriem aanhaalt door in zowel publieke als private sector schulden af te lossen. Deze opstelling zien we ook bij de regeringen van Duitsland, en elders in Noord-Europa.

Alleen als er marsmannetjes zouden bestaan, die de resulterende exportoverschotten kunnen opkopen, kan zo’n beleid werken (de BRIC-landen vertragen in groei en de VS moeten hun eigen exporttekort zien weg te werken). Dat gaat dus niet werken en een deflatoire vraaguitval in heel Europa ligt op de loer.

Europa lijkt zich bij eerste benadering eerder als een grote, relatief gesloten economie te gedragen dan als een kleine open economie en dit heeft grote consequenties voor het te voeren beleid. Eurostat geeft interessante feiten.

1. Van alle Nederlandse exporten gaat 77,2 procent (in 2010) naar de 27 EU-landen.

2. Van alle Nederlandse importen komt 46,6 procent  (in 2010) uit de 27 EU-landen.
Zie ook de figuur waarin ik deze gegevens voor alle EU-landen op een rij heb gezet.
 
De figuur laat zien hoe sterk de EU-landen met elkaar zijn verknoopt via internationale handel. Nergens zijn de EU-export- en importaandelen lager dan 45 procent van de totale importen of exporten. En voor de EU als geheel zitten beide cijfers boven de de 60 procent. Deze cijfers impliceren dat voor de meeste Eurolanden geldt dat de EU verreweg de belangrijkste handelspartner is (daarna komt de VS); bijna twee-derde van de handel van EU-landen is handel tussen de EU- landen.

Deze getallen corrigeren niet voor de intensiteit waarin landen handel drijven. Om het belang van EU-handel in euro’s uit te rekenen heb ik de EU-exportaandelen (EU-importaandelen) vermenigvuldigd met de totale handel van Nederland en andere landen van en naar de EU en uitgedrukt als percentage van het bbp.

3. De Nederlandse exporten naar de 27 EU-landen bedragen 60,2 procent van het Nederlandse bbp (in 2010)

4. De Nederlandse importen uit de 27 EU-landen bedragen 32,9 procent van het Nederlandse bbp (in 2010)

Zie ook volgende figuur waarin ik voor alle 27 EU-landen dit sommetje heb gemaakt.

Deze getallen geven aan hoe belangrijk Europa is voor Nederland, niet alleen in relatieve zin, maar ook in absolute zin, in harde euro’s. Voor de Eurozone als geheel maken exporten naar en importen van EU landen gemiddeld zo’n 25 procent van het bbp uit. Grote problemen in de Eurozone hebben grote economische gevolgen voor Nederland en daarbuiten. Maar ook als handelspartners zwaar gaan bezuinigen, dan krijgt Nederland daar via lagere exporten last van.
 
We kunnen ook een decompositie maken van de netto handelstromen van Nederland naar EU en niet-EU landen, zie ook volgende figuur.
 
5. Het totale handelsoverschot van Nederland bedraagt 7,4 procent  van het bbp (in 2010).
 
6. Het handelsoverschot met EU-landen bedraagt 27,3 procent  van het bbp (in 2010).
 
7. Het handelstekort met de niet-EU landen bedraagt 19,9 procent  van het bbp (in 2010).
 
Ook deze gegevens zijn interessant: Nederland verdient veel geld in Europa om dat vervolgens ook uit te geven aan niet-Europese producten en diensten. Vermoedelijk is hier de wederuitvoer van groot belang.  Vanwege ‘Nederland-transportland’ is Nederland het voorportaal van de importen voor andere EU-landen. In Nederland bestaat ongeveer de helft van de invoer/uitvoer uit de zogenaamde ‘wederuitvoer’. Veel goederen worden geïmporteerd uit niet-EU landen, die feitelijk direct weer worden doorverkocht aan andere EU-landen. Zie ook de volgende figuur die de wederuitvoer uitdrukt als fractie van de totale invoer (data van het CBS).
 
Ook niet onbelangrijk is dat de Eurozone als geheel een miniem exportoverschotje heeft: exporten en importen zijn ruwweg met elkaar in balans. Dit is al jaren zo en dit betekent dat de onevenwichtigheden in de eurozone van Europese origine zijn, zie ook deze eerdere blog.
In de figuur met de saldi op de lopende rekening valt duidelijk af te lezen dat de GIIPS-landen tekorten hebben, terwijl Noord-Europese landen overschotten hebben.
 
Dat Nederland een open economie is – en dus bijzonder afhankelijk van de internationale handel – maakt ook uit voor het te voeren begrotingsbeleid. Vaak wordt beweerd dat begrotingsbeleid weinig effectief is om de economie te stimuleren in een kleine, open economie (zie bijvoorbeeld DNB, p. 12). Een groot deel van de begrotingsstimulans lekt dan toch weg naar het buitenland. Het is de importquote die belangrijk is, niet de exportquote, voor de vraag of begrotingspolitiek effectief is.
Die importen zijn groot: zo’n 71 procent van het bbp in 2010. Dus als de Nederlandse overheid besluit om extra te gaan bezuinigen, dan zouden de effecten op de Nederlandse economie sterk worden beperkt, omdat een grote invoerquote ervoor zorgt dat een heel groot deel van de vraagdaling veroorzaakt door Nederlandse bezuinigingen in het buitenland neerslaat. En omgekeerd geldt ook: het laten vieren van de begrotingsteugels leidt ertoe dat met name de vraag in het buitenland wordt gestimuleerd. Dus is een ruime begrotingspolitiek weinig effectief voor het bestrijden van vraaguitval.
Maar hier zit toch een adder onder het gras vanwege de wederuitvoer. Stel dat de overheid gaat bezuinigen. Lukt het dan om de daling van effectieve vraag in Nederland via lagere importen op andere landen af te wentelen? Dat is moeilijker als de helft van de invoer uit wederuitvoer bestaat. De Nederlandse bezuinigingen hebben namelijk niet direct effect op de wederuitvoer, want die wordt bepaald door de vraag van Nederlandse handelspartners. (Die wederuitvoer wordt natuurlijk wel geraakt als in het buitenland zwaar wordt bezuinigd.)
Die wederuitvoer is natuurlijk niet onbelangrijk voor de Nederlandse welvaart, maar werpt ook een ander licht op de invoerquote die voor de analyse van het begrotingsbeleid moet worden gebruikt. Om het ‘importlek’ bij bezuinigingen te bepalen lijkt het mij relevant om de importquote te corrigeren voor de wederuitvoer. Die is dan met zo’n 35 procent nog steeds hoog, en hoger dan het EU-gemiddelde, maar fors lager dan 71 procent. Dat betekent dat begrotingspolitiek toch grotere bestedingseffecten in Nederland heeft dan soms wordt gedacht. En dat al te harde bezuinigingen op
korte termijn aanzienlijk schadelijker kunnen zijn.
In heel Europa wordt hard bezuinigd, mede omdat onze regeringsleiders niet de grensoverschrijdende effecten van hun bezuinigingen meenemen in hun afwegingen. Ze denken in het raamwerk van een kleine open economie en stemmen macro-economisch beleid niet op elkaar af. Als ze dat wel hadden gedaan, zou Noord-Europa nu pas op de plaats maken met bezuinigen, zodat macro-economische onevenwichtigheden kleiner kunnen worden, en niet heel Europa met vraaguitval wordt geconfronteerd. Daarnaast hebben de bezuinigingen in Nederland misschien wel schadelijker effecten dan tot nu toe gedacht.
 

 

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken