Zuur gezeik mag niet van de SER

14jun 2012juni 2012
Ewald Engelen
Ewald Engelen

Columnist Ewald Engelen is helemaal klaar met het huisblad van de Sociaal Economische Raad (SER). Zijn opiniestuk over egocentrische krachten binnen de vakbeweging ging het SER Magazine ‘te ver’.

Wat heeft de hoofdredactie van SER Magazine in ‘s hemelsnaam bezield? Als je een jongen als ik vraagt om columnpjes voor je huisblaadje te schrijven, weet je dat je tieten en kont, kut en lul, contestatie en controverse kunt verwachten. Sterker nog, dat is precies de reden waarom je mij daarvoor vraagt en niet een of andere beroepsneuzelaar met polderbelangen.

Nou schrijf ik al enige jaren columns met scherpe randjes, maar ik ben daar nog nooit door hoofdredacties voor op de vingers getikt. Integendeel, opinieweekblad De Groene Amsterdammer vraagt mij regelmatig er nog een schepje bovenop te doen als ik naar hun smaak te mild ben over bankrovers, vastgoedboeren of schrapende bestuurders. 

En zelfs het hoofdstedelijke universiteitsblad Folia, waar ik toch echt fors uithaal naar de leiding van de Universiteit van Amsterdam (UvA), heeft nooit moeilijk gedaan over mijn geslachtelijke metaforen en seksuele toespelingen.

Bureacratenjargon met sekspraat

Maar bij het huisblaadje van de Sociaal Economische Raad (SER) ging het van meet af aan mis. In mijn openingszin noemde ik de biopic van Thatcher een kutfilm. Ben literair gesproken nou eenmaal een kind van Joyce, Musil en Gombrowicz en die hebben mij geschoold in het satirische effect van schurende idiomen: professorenspraak mengen met straattaal, bureaucratenjargon met sekspraat. Mocht niet. Het polderblaadje was voor nette mensen. En nette mensen zeggen geen kut. Zuchtend verving ik het door rot.

Twee columns later is het geëscaleerd. Zonder ook maar een onwelvoeglijk woord te gebruiken, spreek ik mijn onthutsing uit over het adembenemende stilzwijgen van de kant van de vakbeweging over de grootste crisis sinds 1929. De Gortzakken, Van der Kolken, Jongeriussen van deze wereld zijn al anderhalf jaar met elkaar bezig en laten hun leden in het uur van hoge nood doodleuk in de kou staan. De Nieuwe Vakbond dreigt zo een lege organisatorische huls te worden nog voor ze het daglicht goed en wel heeft gezien.

Me dunkt dat dit in een SER-blaadje past. Wie schetst dan ook mijn verbazing toen ik een dag later per mail te horen kreeg dat mijn column ‘te ver gaat voor ons blad‘. De uitleg? ‘Het is niet aan het SER magazine om scherpe kritiek op de vakbeweging te uiten of te plaatsen. Volgens ons redactiestatuut zijn wij er voor en namens de sociale partners.’ Met andere woorden: of ik mijn zure gezeik maar ergens anders wou slijten en een opbeurender toontje over de vakbeweging wou aanslaan.

 

De cover van het juni-nummer van SER Magazine

 

Opgestoken middelvinger

Niet dus – en deze column is uitdrukkelijk bedoeld als opgestoken middelvinger naar die o zo keurige bewoners van de Bezuidenhoutseweg 60 in Den Haag. Toch roept dit akkefietje grotere vragen op. Waarom kan men zo slecht tegen plaagstootjes? Is de positie van de SER dan zo wankel? Zijn de onderlinge verhoudingen dan zo verzuurd?
Want oordeel zelf – dit is het sop toch niet waard?

 

Depressie als slijpsteen voor de geest
Ik kan er niets aan doen, maar de laatste maanden gaat mijn belangstelling steeds vaker uit naar het Interbellum. Zal wel door de crisis komen. De lengte en diepte van de dalen in de groeigrafieken gelijken de trogformaties van destijds. En hoewel op euroniveau nog pas de helft van toen, beginnen in Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland ook de werkloosheidsniveaus er akelig veel op te lijken.

De Grote Depressie was ooit een slijpsteen voor de geest. Criticasters van divers pluimage – gilde-socialisten, sociaal-katholieken, communisten, sociaal-democraten, sociaal-liberalen, corporatisten en fascisten – grepen de legitimiteitscrisis van het kapitalisme aan voor mobilisatie rond meer of minder radicale alternatieven.

In een boekenstalletje vond ik onlangs het Plan van de Arbeid dat een commissie van SDAP’ers en NVV’ers in 1935 het licht deed zien. In ruim driehonderd pagina’s schetst het de contouren van een planeconomie die eens en voor al moest afrekenen met de irrationaliteiten van het kapitalisme. De Rode Familie gebruikte een hypermoderne marketingcampagne om het Plan aan de man te brengen: ‘Het moet! Het kan! Op voor het plan!’

Het verschil met nu kan niet groter zijn. Wat bijpunten en -knippen – meer is het niet. De kapper is bovendien vaak dezelfde techneut die voor de puinhopen tekende. En als er al alternatieven zijn, rieken ze naar romantisch antikapitalisme: lokale ruileconomieën, alternatieve munteenheden, gemeenschapsbanken. Leuk voor de hoogopgeleide Linksmensch; ongeschikt voor Henk en Ingrid.

 

Vakbond uitsluitend met zichzelf bezig
Het stilzwijgen van de vakbeweging is de grootste schande. Was de voorloper van de FNV nog medeverantwoordelijk voor een verreikende toekomstvisie op de aansturing van de Nederlandse economie, in de Grote Recessie van 2012 is zij uitsluitend met zichzelf bezig. Veel geneuzel over De Nieuwe Vakbeweging ja, nee, hoe, en vooral: met wie? maar niets over het failliet van het gefinancialiseerde kapitalisme.

Geen plan – niets, nada, nul.

Waarom bent U nog lid?

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken