De mythe van de kleinkinderen

22aug 2012augustus 2012
Jesse Frederik

De staatsschuld is geen last voor toekomstige generaties. Overheidsfinanciën zijn geen huishoudfinanciën.

Kleinkinderen zijn een hot topic in de huidige verkiezingen. De bloedende harten in Den Haag lopen over voor deze ongeboren generatie van ongelukkigen die de rest van hun leven met onze zonden moeten leven. ‘Door nu orde op zaken te stellen,’ schrijft Jan-Kees de Jager op zijn webblog. ‘Schuiven we de rekening niet door naar toekomstige generaties.’ Dat toekomstige generaties de dupe worden van huidige excessen lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet.

Soms lijkt het erop alsof politici geloven dat we anno 2012 nog steeds een deel van onze productie terugsturen naar 1985, omdat Lubbers toen het ‘huishoudboekje’ niet op orde kreeg. Dit is uiteraard absurd, we kunnen geen spullen terugsturen naar het verleden. Wat politici dan precies bedoelen met ‘de rekening’ die toekomstige generaties betalen blijft in het vage. Welke rekening? Wat betalen we? En wie krijgen het?

Maakt de staatsschuld ons armer??
Veel politici zien de staatsschuld maar van één kant van de balans, namelijk de schuldkant. Een eenzijdige benadering, want wat voor de staat een schuld is, is voor anderen juist spaargeld. Staatsobligaties zijn veelal het bezit van onze financiële instellingen. Door het rendement op staatsobligaties kunnen verzekeraars uitkeren op onze verzekeringen, banken rente geven op ons spaargeld en pensioenfondsen ons pensioen betalen.

We geven toekomstige generaties dus niet alleen meer staatsschuld mee, maar ook meer spaargeld. Toekomstige generaties plukken de vruchten (de rente op staatsobligaties) en betalen de lasten (belasting) van de staatsschuld. De staatsschuld kan dan ook voor kleinkinderen als geheel geen last vormen.

Het kan wel zo zijn dat een deel van de kleinkinderen meer verdient aan de staatsschuld dan de rest van de kleinkinderen. Net als bij elke vorm van overheidsuitgaven verandert de distributie van inkomen door rentebetalingen aan obligatiehouders. Opmerkelijk is echter dat er geen politicus is die zegt dat de staatsschuld terug moet worden gedrongen omdat de inkomensdistributie over veertig jaar anders zo scheef wordt, terwijl dit eigenlijk de enige ‘kosten’ zijn voor de kleinkinderen. Bovendien treden distributieproblemen op bij elke vorm van schulden. Wat bijvoorbeeld te denken van de gevolgen op de inkomensverdeling van de astronomische hypotheekschuld?

Rekening betalen? ?
De rekening laten liggen voor de volgende generatie betekent dat toekomstige generaties meer belasting moeten betalen zo lijkt men te geloven. In de toekomst moeten kleinkinderen immers de rekening betalen voor onze spilzucht.

Aannemelijk, maar niet waar. Staatsschuld is niet zoals een hypotheek die over periode van 30 jaar wordt afgelost. Een staat rolt schulden constant door naar de toekomst. Wij schuiven de rekening door naar onze kleinkinderen, onze kleinkinderen schuiven deze ook weer door naar hun kleinkinderen enzovoorts.  Dit mag voor een huishouden onverantwoord zijn, voor een overheid is het de normaalste zaak van de wereld. Sterker nog, het is ongebruikelijk dat de staatsschuld ooit afneemt.

Grafiek 1: Nominale staatsschuld van Nederland (Bron: CBS)?

Dat tekorten ooit moeten worden gevolgd door overschotten is huishoudfinanciën, niet overheidsfinanciën. In de VS (een beter voorbeeld dan Nederland omdat de handelsbalans evenwichtiger is) heeft de overheid in de afgelopen 230 jaar slechts 40 jaar een overschot gehad. Tekorten zijn dus niet zo uitzonderlijk, ze zijn al honderden jaren de regel.

De economie groeit in de regel ook mee met de staatsschuld, waardoor de belastinginkomsten ook mee groeien met de staatsschuld. Dit betekent wel dat er meer belasting wordt betaald, maar het betekent niet dat de belastingdruk toeneemt. Kleinkinderen hoeven dus niet per definitie een groter deel van hun inkomen af te dragen omdat de staatsschuld in eerdere jaren is gegroeid.

Stakende crediteuren?
Het enige reële gevaar is dat een te grote staatsschuld crediteuren afschrikt, omdat deze vrezen voor een staatsbankroet. Dit is niet specifiek een probleem voor de kleinkinderen, maar het is wel een probleem.

Dat crediteuren uit angst de koop van staatsobligaties staken zien we in de Eurozone alom gebeuren. De angst lijkt dus gegrond en is ook gegrond. Primair is de crediteurenstaking echter niet te wijten aan de hoogte van de staatsschuld — in Japan en de Verenigde Staten is de schuld veel groter dan in menig probleemland in de Eurozone – maar aan het feit dat eurolanden lenen in een vreemde munt.

In Japan hoeft een belegger nooit te vrezen voor een staatsbankroet. Japan kan altijd aan al haar verplichtingen in yen voldoen, omdat ze zelf de enige is die yens kan maken. Een Japanse staatsobligatie is een belegging vrij van enig kredietrisico en zal daarom weinig afwijken van de basisrente. In Eurolanden, waar een staatsbankroet wel tot de mogelijkheden behoort, brengen beleggers wel een kredietrisicopremium boven op de basisrente in rekening.

Zoals in onderstaande grafiek is het verschil tussen de basisrente en de rente op tien jarige staatsobligaties naast de grootte van de staatsschuld gelegd. Zoals te zien loopt de rente in Eurolanden op, zo gauw de staatsschuld oploopt, in landen met hun eigen munt maakt het geen enkel verschil.

Grafiek 2: Staatsschuld en rentespreads in Eurolanden en landen met hun eigen munt (Bron: OESO en IMF) ?

Conclusie
Uiteindelijk kunnen onze kleinkinderen, net als wij vandaag de dag, consumeren wat ze in eigen land produceren plus wat de rest van de wereld naar Nederland wil sturen minus wat wij naar de rest van de wereld sturen. De staatsschuld hoeft op zichzelf op geen van deze drie enige invloed te hebben zolang beleidsmakers geen gekke dingen doen omdat ze zich problemen inbeelden.

 

Wel heeft de staatsschuld invloed op de distributie van inkomen, hoewel te bezien valt hoe groot die invloed is. Bovendien is het probleem mocht het zich voordoen makkelijk op te lossen door bijvoorbeeld meer belasting te heffen op obligatiehouders, of door de rente te verlagen (voor Nederland door de monetaire unie wat lastiger).

Als de Jager et al. de geschiedenis van de Nederlandse staatsschuld er op na zou slaan dan zou hij moeten concluderen dat kleinkinderen het in de afgelopen tweehonderd jaar erg zwaar hebben gehad. Gedurende bijna de hele 19e eeuw was de staatsschuld bijvoorbeeld meer dan 100 procent van het bbp. In slechts 31 van de afgelopen 198 jaar zou Nederland aan de Maastricht norm van 60 procent voldoen.

Grafiek 3: Staatsschuld als percentage van het bbp in Nederland (Bron: CPB h/t Dirk Bezemer) ?

Het wordt tijd dat iemand eens concreet maakt wat het grote kwaad, waarvoor we nu leraren ontslaan en lasten verzwaren, van de staatsschuld is. De perceptie van dit grote kwaad lijkt vooral te zijn gebaseerd op een ongelukkige vergelijking met huishoudfinanciën.