Een opwaartse strategie voor Europa

14okt 2011oktober 2011
Jesse Frederik

Europa moet investeren in haar productieve capaciteit in plaats van kil te saneren.

Europa is een bron van eindeloos pessimisme voor commentatoren. Voor schuldenlanden is er weinig hoop. Dat er keihard bezuinigd moet worden lijkt vast te staan. Het beste waarop Griekenland mag hopen is dat het ‘succesverhaal’ van Letland kan worden gereproduceerd. 

De discussie over bezuinigingen wordt vaak in moralistische termen gevoerd. Dit economisch moralisme zit echter vol van contradicties. ‘De overheid moet net als huishoudens en bedrijven de broekriem aantrekken,’ beweerde Obama in een speech. Wat niet wordt begrepen door Obama en anderen is dat de overheid onmogelijk tegelijkertijd met de niet-gouvernementele sector haar tekorten kan terugdringen. 
 
Sectorale balansen
Op Twitter heeft elke gebruiker volgers en mensen die door hem zelf gevolgd worden. Het aantal volgers en het aantal mensen dat door hemzelf gevolgd wordt zijn voor individuele Twitter gebruikers bijna nooit gelijk, maar het totaal aan volgers moet altijd gelijk zijn aan het totaal aan gevolgden. Beide zijn verschillende kanten van dezelfde munt. Op een zelfde manier zijn in de economie de totale uitgaven altijd gelijk aan de totale inkomsten. Wanneer één sector dus grotere uitgaven heeft dan inkomsten (een tekort op de balans), dan moet een andere sector meer inkomsten hebben dan uitgaven (een overschot op de balans). 
 
Deze boekhoudkundige logica kan worden gebruikt om onhoudbare patronen in de economie te detecteren en voorspellingen te doen over de economische ontwikkeling. Dirk Bezemer van de universiteit van Groningen deed onderzoek naar de economen die de huidige crisis wisten te voorspellen. Veel van hen maakten gebruik van modellen waarin sectorale balansen werden gebruikt, deze modellen stelden hen, in tegenstelling tot hun orthodoxe collegae, in staat de crisis te zien aankomen. 
 
De economie is op te delen in drie sectoren, de overheidssector, de binnenlandse private sector en de externe sector (het buitenland). Als de overheid meer geld uitgeeft dan het aan belasting int (een begrotingstekort), dan heeft de niet-gouvernementele sector (de binnenlandse private sector en de externe sector) een overschot op de balans. Het krijgt meer geld van de overheid dan het aan haar hoeft te betalen. Wil de niet-gouvernementele sector dus netto sparen dan moet de overheid een begrotingstekort hebben. 
 
Deze simpele boekhoudkundige regel lijkt economen soms te ontgaan. Volgens het IMF zou  Portugal bijvoorbeeld haar begrotingstekort moeten terugdringen, terwijl het handelstekort in haar prognoses groter blijft dan het overheidstekort. Wat het IMF dus in feite veronderstelt is dat de binnenlandse private sector zich weer in de schulden gaat steken (zie onderstaande grafiek) om het verschil te compenseren. 
 
Grafiek 1: Portugese sectorale balansen als % van het bbp (IMF World Economic Outlook april 2011) 


 
Sinds de toetreding tot de euro heeft Portugal haar handelstekort kunnen compenseren door grote tekorten op de private sectorbalans. Dit was mogelijk in het klimaat vóór de crisis doordat de prijzen van ondermeer vastgoed sterk stegen. Door de kredietcrisis en de ineenstorting van hun vastgoedbubbel zijn er geen leners meer te vinden in de private sector. Een vluchtige blik op de balans van huishoudens en bedrijven leert namelijk dat de activa (het vastgoed, de aandelen etc.) dusdanig in waarde zijn gedaald dat deze niet langer voldoende zijn om de passiva (de schulden) te dekken. Prioriteit voor de private sector is dus om de schulden af te betalen. Hierdoor is het begrotingstekort enorm omhoog gegaan om te compenseren voor de spaarzin van de private sector en het handelstekort. 
 
Interne devaluatie
Het doel van de IMF/EU bezuinigingsprogramma’s is interne devaluatie, d.w.z. het binnenlandse loon- en prijspeil moet omlaag worden gedwongen zodat de economie weer ‘concurrerend’ wordt en het handelstekort wordt teruggedrongen. Men lijkt hierbij te vergeten dat, als een punt van logica, tegenover elk handelsoverschot een handelstekort moet staan. Niet elk land kan zijn als Nederland en Duitsland. Ook kan men zich afvragen of het concurrentievermogen eigenlijk wel wordt verbeterd wanneer men gaat bezuinigen op onderwijs; infrastructuur wordt verwaarloosd; en de hoogopgeleide bevolking emigreert naar economisch gezondere oorden. 
 
Bovendien zijn sommige exportindustrieën bijna onmogelijk terug te winnen door loon- en prijsdalingen. Portugal exporteerde in het verleden bijvoorbeeld veel textiel, maar deze industrietak is in het afgelopen decennium flink gekrompen. Om deze exportindustrie terug te krijgen moet Portugal concurreren met China, maar is het redelijk te verwachten dat Portugal ooit kan concurreren met de lage lonen in China? 
 
Interne devaluatie is al met al een zeer pijnlijke strategie die geen enkel echt succesverhaal kent. 
 
Het opwaartse alternatief
Een meer geleidelijke, minder pijnlijke en opwaartse strategie is daarom wenselijker. De PIIGS moeten door de ECB in staat worden gesteld om hun grote begrotingstekorten en daarmee hun handelstekorten te handhaven. Voorwaarde moet wel zijn dat deze begrotingstekorten worden aangewend om het concurrentievermogen te verbeteren door gerichte investeringen in onderwijs, R&D en infrastructuur. Vóór de crisis werd er niet geïnvesteerd in productieve capaciteit, maar werden er grote activa bubbels opgeblazen waarmee consumptie werd gefinancierd. Dit moet worden vermeden – het kan niet zo zijn dat Noord-Europa produceert en Zuid-Europa consumeert. 
 
Wat echter ook moet worden vermeden is de pijn-is-fijn ideologie. De notoire pijn-is-fijn econoom van RTLZ, Mathijs Bouman, schrijft bijvoorbeeld dat Griekenland een voorbeeld moet nemen aan het ‘succes’ van Letland. In de ogen van de pijn-is-fijn ideologen is een krimp van 25 procent(!) van het bbp en een uiterst traag herstel een succesverhaal. Dit is economisch moralisme dat aantrekkelijk klinkt, maar onnodig veel pijn veroorzaakt en destructief is voor allen — het zal de Noord-Europese exportindustrie niet helpen wanneer de Zuid-Europeanen haar producten niet meer kan afnemen. 
 
Het opwaartse alternatief is dat er gericht wordt geïnvesteerd in de productieve capaciteit van de Zuid-Europeanen, zodat wij in Noord-Europa uiteindelijk ook gebruik kunnen maken van de goederen en diensten die door deze landen worden geproduceerd en onze eigen handelsbalans meer in evenwicht kunnen brengen. Europa hoeft geen zero-sum game te zijn, met de juiste strategie kan de levensstandaard in zowel Noord als Zuid-Europa worden verhoogd. 

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken