Lissabon-agenda is totaal mislukt

01jun 2010juni 2010
Arne van der Wal

Het Centraal Planbureau concludeert dat de Lissabon-doelstelling van de Europese Unie op geen enkel punt is gehaald. De kabinetten-Balkenende droegen bij tot de grandioze mislukking.

Toenmalig minister-president Wim Kok was trots. Voor het eerst in geschiedenis van de Europese Unie hadden de gezamenlijke Europese politieke leiders en staatshoofden zichzelf een concreet, meetbaar doel gesteld. Europa zou in 2010 de meest competitieve economie ter wereld moeten zijn. In 2004 leidde Kok, toen ex-premier, een werkgroep die allerlei beleidsaanbevelingen deed. 
 
Dat werd het rapport Facing the challenge, the Lissabon strategy for growth and employment, dat door Frank den Butter, hoogleraar algemene economie aan de Universiteit van Amsterdam , vernietigend werd gefileerd als ‘de spagaat van Kok’
 
"De meeste aanbevelingen van Kok en de zijnen in het rapport ‘Facing the challenge’ vormen een herhaling van bekende Europese beleidsmantras. De Lissabon strategie is te sterk gericht op hoogwaardige technologische kennis in de productiesfeer en de ambities zijn bovendien intern strijdig. Natuurlijk was het vrijwel onmogelijk voor Kok c.s. om in zo’n rapport de gevestigde belangen te omzeilen. Juist de gevestigde belangen, van zowel werkgeversorganisaties, vakbeweging als overheden, staan fundamentele structurele veranderingen in Europa in de weg. Dit conservatisme geldt ook voor het traditionele economische beleidsdenken in Europa dat te weinig aandacht heeft voor innovaties in de transactiesfeer en voor de dynamiek op de arbeidsmarkt. " 
 
Innovatieplatform
Het mag geen verrassing heten dat deze kanttekeningen door de Nederlandse politiek massaal werden genegeerd. Onder leiding van premier Balkenende, de verpersoonlijking van het conservatisme waar Den Butter over rept, modderde het Innovatieplatform door aan de vernieuwing van de economie. Ook hier is de conclusie onontkoombaar: geen resultaat van belang. "Het Innovatieplatform is een mislukking", kopte NRC Handelsblad in een geruchtmakend artikel.  
 
Tijdens de kabinetten Balkenende zakte Nederland op de onderwijs- en innovatielijsten van onder meer het World Economic Forum. In plaats van meer dan 3 procent te investeren in onderzoek en ontwikkeling, presenteerde de Nederlandse EU-topambtenaar Robert-Jan Smits, rechterhand van eurocommissaris Janez Poto?nik voor wetenschap en onderzoek, begin dit jaar ontluisterende cijfers. De afgelopen zeven jaar zijn de investeringen in R&D in de Europese Unie gemiddeld gelijk gebleven op 1,8 procent van het bruto nationaal product, terwijl die in landen als Japan en Zuid-Korea zijn gestegen naar 3,3 procent. 
 
Nederland hoort met 1,68 procent tot de achterblijvers en bevindt zich nu op het niveau vanPolen en Bulgarije. Finland daarentegen realiseerde zich in de jaren 90 al dat innovatie de voornaamste motor achter duurzame groei is en investeert 4 procent in R&D. Niet verwonderlijk is dat ook het enige Europese land dat de Aziatische opkomst in internationale onderzoeken naar de kwaliteit van het onderwijs kan bijhouden. 
 
In de laatst tien jaar is Nederland ook op dat gebied gezakt van een koploper naar een matige middenmotor. Het blijft verwonderlijk dat dit gegeven geen rol van betekenis speelt in de verkiezingscampagnes en dat dit CDA-leider Balkenende niet in ieder debat wordt aangewreven. Als verantwoordelijk premier heeft Balkenende geen enkel doel dat hij zichzelf op dit terrein heeft gesteld gehaald. 
 
 
Minimale vooruitgang
Het liep dus allemaal anders na de ondertekening van ‘Lissabon’. Na een eerste, al deprimerend stemmende, tussenrapportage in 2005 kan nu worden geconcludeerd dat de politieke kaste op alle fronten heeft gefaald. 
 
Het enige bereikte resultaat is een minimale vooruitgang op het gebied van economische groei en arbeidsparticipatie. Maar dat heeft niet automatisch tot meer levenstevredenheid geleid, meent het Centraal Planbureau te kunnen concluderen.
 
Het CPB pleit voor het hanteren van een zogenaamd breed welvaartsperspectief. Dat wil zeggen dat ook andere welvaartsindicatoren zoals vrije tijd, milieu en veiligheidsbeleving worden meegeteld. Het is een concept dat alleen in een welvaartsstaat kan ontstaan. De vraag is of zo’n methodische innovatie relevant zou moeten zijn voor het meten van het succes van de economische doelstellingen van de EU. Het is immers aan de Europese burger zelf om te bepalen hoeveel vrije tijd of veiligheid  hij wil ‘kopen’. Daarbij heeft die burger op dit moment wel andere zaken aan zijn hoofd. Voor velen is het economisch survivalen.
 
 
Fail, fail, fail 
De Lissabon-agenda werd in 2000 gelanceerd en had van Europa in 2010 de meest competitieve wereldeconomie moeten maken. Met een door kennis gedreven economie, met een arbeidsparticipatie van 70 procent en een structurele groei van 3 procent. met een sterk Europees welvaartsmodel en duurzame groei. Elk land zou minimaal 3 procent van zijn BBP aan R&D moeten besteden. 
 
Zoals gezegd, het CPB ziet alleen enige vooruitgang in de arbeidsparticipatie en economische groei ten opzichte van de jaren ervoor. Maar dat is meer te danken aan de groei van de wereldeconomie dan aan briljante Europese politiek. Andere landen en werelddelen groeiden op dat gebied ook, en meestal meer. 
 
Met betrekking tot de belangrijkste Lissabon-doelen, onderwijs en onderzoek, valt nauwelijks verschil te meten met de periode vóór 2001. Sterker, het dreigt alleen maar slechter te worden:
 
"De toenemende selectie op kennis en scholing in de arbeidsvraag kan tot
meer segregatie op de arbeidsmarkt leiden, met afnemende kansen voor laaggeschoolden
en een grotere kans dat zij in een sociaal vangnet terechtkomen
of onder de armoedegrens zakken. Wanneer de trends die we signaleren, zich
voortzetten, kunnen we afnemende sociale cohesie en daling in onderling
vertrouwen verwachten. Omdat cohesie en onderling vertrouwen belangrijke
componenten zijn van het Europese sociale model, lijkt het van belang om
hier meer aandacht te besteden aan de aansluiting tussen de economische
‘kopgroep’, het grote ‘peloton’ en de ‘achterblijvers’."
 
Ook de milieu-ambitie is niet gehaald, net als die van sociale cohesie. 
 
"In verschillende eu15-landen wordt zeker 10% van de bevolking uit de armoedezone gehouden door sociale voorzieningen; in de zuidelijke eu15-landen ontvangen de armste delen van de samenleving veel minder inkomensoverdachten. Op het gebied van zelfgerapporteerd onderling vertrouwen tussen burgers, een belangrijk onderdeel van sociaal kapitaal, vertonen de meeste eu15-landen al langere tijd een dalende trend."
 
 
Laag opgeleiden ontevreden
In het dubbelonderzoek bekeek het Sociaal-cultureel Planbureau (SCP) naar de publieke opinie en het ‘gevoel’ dat Nederlanders hebben als het over Europa gaat. 
 
De Nederlander blijkt maar matig op de hoogte van de Europese instellingen, maar is desondanks, of misschien wel juist daardoor, redelijk tevreden met de EU: 74 procent vindt de Unie een goede zaak. Samen met Luxemburg en Ierland zit Nederland daarmee in de top. 
 
Het enthousiasme en idealisme van het Verenigde Europa van de jaren 60 en 70 lijkt geheel verdwenen. De Europese Unie is niet langer een ideaal, maar wordt meer gezien als een economische noodzaak. Dat geldt niet voor iedereen. Hoe lager opgeleid, hoe minder men op de hoogte is en hoe minder de noodzaak van de EU wordt ingezien. Begrijpelijk: lager opgeleiden voelen als eerste de concurrentie van werknemers en ondernemers uit andere EU-landen. Het krakkemikkige onderwijsbeleid van het afgelopen decennium draagt niet bij aan de verbetering van de concurrentiekracht van de jonge generatie Nederlanders.
 
 
Download hier het complete CPB-SCP rapport. 
 
Woensdag 2 juni verschijnt in HP/De Tijd een artikel van Follow the Money over het gebrek aan elementair economisch benul van Nederlandse politici. 

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken