5. Het totale handelsoverschot van Nederland bedraagt 7,4 procent van het bbp (in 2010).
6. Het handelsoverschot met EU-landen bedraagt 27,3 procent van het bbp (in 2010).
7. Het handelstekort met de niet-EU landen bedraagt 19,9 procent van het bbp (in 2010).
Ook deze gegevens zijn interessant: Nederland verdient veel geld in Europa om dat vervolgens ook uit te geven aan niet-Europese producten en diensten. Vermoedelijk is hier de wederuitvoer van groot belang. Vanwege ‘Nederland-transportland’ is Nederland het voorportaal van de importen voor andere EU-landen. In Nederland bestaat ongeveer de helft van de invoer/uitvoer uit de zogenaamde ‘wederuitvoer’. Veel goederen worden geïmporteerd uit niet-EU landen, die feitelijk direct weer worden doorverkocht aan andere EU-landen. Zie ook de volgende figuur die de wederuitvoer uitdrukt als fractie van de totale invoer (data van het CBS).
In de figuur met de saldi op de lopende rekening valt duidelijk af te lezen dat de GIIPS-landen tekorten hebben, terwijl Noord-Europese landen overschotten hebben.
Dat Nederland een open economie is – en dus bijzonder afhankelijk van de internationale handel – maakt ook uit voor het te voeren begrotingsbeleid. Vaak wordt beweerd dat begrotingsbeleid weinig effectief is om de economie te stimuleren in een kleine, open economie (
zie bijvoorbeeld DNB, p. 12). Een groot deel van de begrotingsstimulans lekt dan toch weg naar het buitenland. Het is de importquote die belangrijk is, niet de exportquote, voor de vraag of begrotingspolitiek effectief is.
Die importen zijn groot: zo’n 71 procent van het bbp in 2010. Dus als de Nederlandse overheid besluit om extra te gaan bezuinigen, dan zouden de effecten op de Nederlandse economie sterk worden beperkt, omdat een grote invoerquote ervoor zorgt dat een heel groot deel van de vraagdaling veroorzaakt door Nederlandse bezuinigingen in het buitenland neerslaat. En omgekeerd geldt ook: het laten vieren van de begrotingsteugels leidt ertoe dat met name de vraag in het buitenland wordt gestimuleerd. Dus is een ruime begrotingspolitiek weinig effectief voor het bestrijden van vraaguitval.
Maar hier zit toch een adder onder het gras vanwege de wederuitvoer. Stel dat de overheid gaat bezuinigen. Lukt het dan om de daling van effectieve vraag in Nederland via lagere importen op andere landen af te wentelen? Dat is moeilijker als de helft van de invoer uit wederuitvoer bestaat. De Nederlandse bezuinigingen hebben namelijk niet direct effect op de wederuitvoer, want die wordt bepaald door de vraag van Nederlandse handelspartners. (Die wederuitvoer wordt natuurlijk wel geraakt als in het buitenland zwaar wordt bezuinigd.)
Die wederuitvoer is natuurlijk niet onbelangrijk voor de Nederlandse welvaart, maar werpt ook een ander licht op de invoerquote die voor de analyse van het begrotingsbeleid moet worden gebruikt. Om het ‘importlek’ bij bezuinigingen te bepalen lijkt het mij relevant om de importquote te corrigeren voor de wederuitvoer. Die is dan met zo’n 35 procent nog steeds hoog, en hoger dan het EU-gemiddelde, maar fors lager dan 71 procent. Dat betekent dat begrotingspolitiek toch grotere bestedingseffecten in Nederland heeft dan soms wordt gedacht. En dat al te harde bezuinigingen op
korte termijn aanzienlijk schadelijker kunnen zijn.
In heel Europa wordt hard bezuinigd, mede omdat onze regeringsleiders niet de grensoverschrijdende effecten van hun bezuinigingen meenemen in hun afwegingen. Ze denken in het raamwerk van een kleine open economie en stemmen macro-economisch beleid niet op elkaar af. Als ze dat wel hadden gedaan, zou Noord-Europa nu pas op de plaats maken met bezuinigen, zodat macro-economische onevenwichtigheden kleiner kunnen worden, en niet heel Europa met vraaguitval wordt geconfronteerd. Daarnaast hebben de bezuinigingen in Nederland misschien wel schadelijker effecten dan tot nu toe gedacht.