Aanval op intermenselijk vertrouwen ondermijnt economie

    Wat ieder weldenkend mens op zijn klompen aanvoelt, blijkt aantoonbaar juist: onderling vertrouwen is het cement voor een soepel functionerende, economisch succesvolle leefgemeenschap. In plaats van dat te bewaken, bedreigen economen met hun adviezen dat fundament van onze welvaart juist, waarschuwt columnist Hans de Geus.

    Hervormingsdrift ondermijnt sluipenderwijs een belangrijke, onderbelichte voorwaarde voor een bloeiende en leefbare maatschappij: onderling vertrouwen. Dat bindmiddel van onschatbare waarde, gedurende eeuwen opgebouwd, is kwetsbaar voor de ‘snelle oplosmiddelen’ van het neoliberalisme. Een aansprekende toelichting op dit verschijnsel was onlangs te zien in uitverkochte Nederlandse theaterzalen. Het populaire toneelstuk De Verleiders van Pierre Bokma c.s. gaf het grote publiek op toegankelijke wijze inzicht in misstanden bij banken en adviseurs die bijdroegen tot onze Grote Financiële Crisis. Naar het schijnt. Want uw auteur, ongeschikt voor luid en heftig drama, ging zelf niet kijken en had met dit fragment wel genoeg. Maar toevallig illustreert deze scène wel net waar het hier om gaat: het belang van onderling vertrouwen en het gevaar dat te ondermijnen. Zonder het vertrouwen van de klant in de financieel adviseur had men überhaupt niet tot zaken kunnen komen. Datzelfde vertrouwen krijgt een knauw als later blijkt dat de adviseur hem  heeft opgezadeld met een voor hem fout product. Door gretigheid en verkeerde prikkels van de verkoper zit de klant met een onbetaalbare hypotheek en een gedeukt vertrouwen. Zo werkt het ook in het groot:  alleen op basis van onderling vertrouwen kon een vrije markt tot bloei komen.
    alleen op basis van onderling vertrouwen kon een vrije markt tot bloei komen
    Het gevaar dreigt nu dat die machtige vrije markt - na het vernietigen van het voor zijn bestaan noodzakelijke vertrouwen - aan z’n eigen succes ten onder gaat. Helaas is er niemand die deze maatschappelijke zelfmutilatie monitort, zelfs de economische wetenschap niet. Want nu juist de beroepsgroep waarvan je verwacht dat hij waakt over voorwaarden voor houdbare groei en welvaart, heeft voor het in kaart brengen en beschermen van onderling vertrouwen een blinde vlek.

    Vertrouwen werkt

    Dat economen zich zo weinig met onderling vertrouwen bezig houden, lijkt misschien logisch. Het is een zogenaamd soft fenomeen dat misschien eerder bij een andere sociale wetenschap thuis hoort. Toch is dat gek, want de gevolgen ervan raken de economie in het hart: er is een sterk verband tussen welvaart en intermenselijk vertrouwen, blijkt uit dit OESO plaatje: OECD_iLibrary__Statistics___Society_at_a_Glance___2011___Richer_countries_trust_more Bron: ESS (European Social Survey); ISSP (International Social Survey Programme); OECD (2008), Growing Unequal? Income Distribution and Poverty in OECD Countries Nu zegt deze samenhang niets over de oorzakelijkheid. Oersocioloog Max Weber kon wel roepen dat de culturele dispositie bepalend is voor economisch succes van een land, maar wie zegt dat de causaliteit niet andersom loopt? De OESO laat beide mogelijkheden open: 'Trust may promote gainful economic activity, or trust may be a luxury affordable only by richer countries'. In deze studie erkent men dat de wetenschap moeite heeft om vast te stellen wat oorzaak en gevolg is, maar met een nieuwe benadering vindt met toch 'a significant impact of trust on income per capita'.

    Economie wantrouwt rol vertrouwen

    Genoeg aanleiding, zou je denken, voor economen, wier voornaamste doel toch is het verklaren van welvaart en groei, om zich te storten op cultuur en onderling vertrouwen, en hoe we die met maatregelen kunnen optimaliseren. Maar je hoort ze er weinig over. Dat is gek. Temeer omdat veel van de 'harde’ omstandigheden en maatregelen waar ze het wél graag in zoeken, misschien wel helemaal niet zoveel  effect hebben. Neem het afbouwen van baanzekerheid voor werknemers, een economenlievelingetje dat, als het om hervormen gaat, ook Brussel graag aan landen oplegt. Maar wat blijkt, volgens dezelfde onverdachte bron OESO: het is niet aangetoond dat soepeler ontslagrecht meer banen oplevert. Sterker, werkgelegenheid groeit zelfs iets langzamer in landen waar werknemers minder ontslagbescherming genieten,  blijkt uit hun grafiek (toelichting hier) : More_Proof__Employment_Protection_Does_Not_Affect_Employment___Real-World_Economics_Review_Blog

    Bron: Real-World Economics Review Blog

    Nu wordt aan het nut van dit soort 'echte’ hervormingen wel vaker getwijfeld. Ik schreef er eerder een stuk over in De Groene, en stelde recent een aantal kromme CPB aanbevelingen aan de kaak. Maar met het belang van onderling vertrouwen in het achterhoofd, is het nu tijd om een stap verder te gaan. Want wat nou als de soms kwestieuze maatregelen die economen propageren om de welvaart te verhogen, op die ene omstandigheid die ons aantoonbaar wél rijker maakt een ondermijnende uitwerking heeft? Namelijk op dat onderling vertrouwen, waarover ze in alle talen zwijgen? En ze dus met hun pleidooien en studies, onbedoeld en op tragische wijze, de economie afremmen in plaats van sterker maken? Toegepast op het voorbeeld van de vermindering van ontslagbescherming: het zou toch zomaar kunnen dat die, buiten het zicht van de economische meetinstrumenten, zelfs afbreuk doet  aan welvaart omdat mensen hun bazen en collega's minder gaan vertrouwen als ze elk moment op straat kunnen worden gezet? Minder ontslagbescherming is slechts een voorbeeld. Dezelfde vraag kun je stellen bij deregulering, privatisering, ongebreidelde vrije handel en vrij verkeer van arbeid, ongelijkheid, en meer.

    Auw!

    De vraag stellen is hem beantwoorden. Het lijkt er wel degelijk op dat de gangbare economen ons met hun blinde vlek voor vertrouwen het moeras in sturen. Gelukkig zijn er wetenschappers die wél goed kunnen kijken; je hoort er alleen zo verrekte weinig over. 'Arbeidsmarktflexibilisering gaat samen met low-trust arbeidsverhoudingen, die een negatieve invloed hebben op de innovativiteit en productiviteitsgroei van ondernemingen', concludeert een team van Delftse economen. Auw! Een wijdverbreid gepropageerde maatregel die in werkelijkheid averechts werkt vanwege geschaad  onderling vertrouwen. Hoe het komt dat onderling vertrouwen zo belangrijk is voor groei, leggen economen van DNB en UvT  hier goed uit: ‘trust’, onderling vertrouwen - te onderscheiden van ‘confidence’, individueel vertrouwen in bijvoorbeeld de politiek - bevordert samenwerking. Dat is een voorwaarde voor arbeidsspecialisatie en zorgt voor minder juridische rompslomp. Vertrouwen bevordert daarom de productiviteit. Ze halen Nobelprijswinnaar Kenneth Arrow aan: elke economische transactie vergt wel enig vertrouwen, en veel achterstand in de wereld is te wijten aan gebrek daaraan. Francis Fukuyama ziet in vertrouwen een voorwaarde om ons in grote ondernemingen te kunnen organiseren: je moet het maar durven, vreemdelingen aannemen en je bedrijfsgeheimen toevertrouwen.

    Tony Judt, Geert Mak, Roel Kuiper

    Onderling vertrouwen is dus wezenlijk voor groei, maar wordt bij economisch beleid jammerlijk over het hoofd gezien. Maar er is meer, want het is natuurlijk niet een puur economisch fenomeen.
    Onderling vertrouwen is wezenlijk voor groei, maar wordt bij economisch beleid jammerlijk over het hoofd gezien
    Ook in brede zin dreigt wegvallend onderling vertrouwen te knagen aan onze cultuur en welzijn, menen historici als Tony Judt, Geert Mak en Roel Kuiper: Geert Mak speculeert dat het juist het onderlinge vertrouwen was dat ervoor zorgde dat onze 17e eeuw, de bejubelde Gouden Eeuw kon worden. Zo dreef een smeermiddel als het accepteren van de wissels als betaalmiddel op niets minder dan onderling vertrouwen. Hij vreest dat we nu de andere kant op bewegen, richting ‘low-trust’ maatschappij, door zaken als het boekhoudschandaal bij Ahold, zichzelf verrijkende managers en meer in het algemeen, het wegvallen van overzichtelijkheid en stabiliteit. Hij haalt Rüdiger Safranski aan, die zich afvraagt:  hoeveel globalisering verdraagt een mens? Adam Smith, vaak geciteerd als het om verdedigen  van de vrije markt gaat, wees in zijn Theory of moral Sentiments juist op het belang van sociale normen en codes. Mak haalt Francis Fukuyama aan, met de opmerking dat sociaal kapitaal veel makkelijker vernietigd wordt dan opgebouwd; 'dan rest een mentale zandwoestijn waarop slechts moeizaam nieuwe sociale verbanden kunnen worden gekweekt'. Tony Judt wijst er in zijn allerlaatste boekIll fares the land (2011) op dat het ‘economistisch leven’, zoals we de afgelopen 30 jaar onder de tucht van vrije-markteconomen hebben geleid, niet essentieel is voor wat ons mens maakt. Markten en vrije concurrentie vereisen vertrouwen. Als we niet meer op adviezen van de hypotheekadviseur aan kunnen, loopt onze kapitalistische groeimachine knarsend en grommend vast.
    Zonder ethiek is de vrije markt een gevaar voor zichzelf
    Zonder ethiek is de vrije markt een gevaar voor zichzelf. Het is welbeschouwd nog een wonder dat het systeem zichzelf nog zo lang heeft overleefd. Dat is puur te danken aan een traditie van terughoudendheid, eerlijkheid en gematigdheid. Deze deugden heeft kapitalisme niet aan zichzelf te danken; ze vormen een kwetsbaar cultureel erfgoed, zorgvuldig en gedurende eeuwen opgebouwd met gebruikmaking van religie en gemeenschapszin. Het ‘ieder voor zich’, het ongereguleerd kapitalisme, parasiteert op deze deugden, doch draagt er niet langer aan bij. De losgeslagen vrije markt corrodeert juist dát waar ze haar werking aan te danken heeft: onderling vertrouwen. Kwetsbaar is het misschien ook omdat je het voor lief neemt zolang het er is. Existerend vertrouwen lijkt iets vanzelfsprekends wat op dat moment niemand verder benoemt; de negatie-in-stilte van het tegenovergestelde (vrij naar Judt, dit alles). Roel Kuiper komt in zijn boek tot soortgelijke conclusies met wat hij ons ‘privatiseringsverdriet’ noemt. Een ‘inclusieve gemeenschappelijkheid’ heeft plaatsgemaakt voor een transactiesamenleving waarin iedereen met iedereen tegen de beste prijs tot prestaties moet komen. Hij verwondert zich over de vaart waarmee we wezenloos achter Thatchers Groot Brittannië zijn aangehold, dat op de lijstjes van welvaartsontwikkeling en concurrentiekracht juist wegzakte ten opzichte van een meer gereguleerd land als Duitsland. 'Economen conformeren zich nog teveel aan de economische standaardbenadering en zien dan niet veel meer dan de versmalde logica van de markt', is zijn conclusie. 

    Waarom laten economen dit liggen?

    Er zijn economen, ook ‘gangbare’, die ons op het belang van onderling vertrouwen hebben gewezen. De naam van Arrow viel. Ook een zogenaamde ‘institutionalist’ als Oliver Williamson (Nobelprijswinnaar, net als Arrow) benoemde het,  maar '..voelt zich, als de meeste economen, niet toegerust om een meer antropologische, sociologische of zelfs theologische analyse te doen', tekent Robert Nelson op. De consequentie: een '..ostrichlike posture for the economics profession (...) which may exclude them from any real understanding of much of economic action in society'. Boem. Díe spaarzame econoom die tenminste het belang van onderling vertrouwen benoemt, voegt er direct aan toe dat ze er eigenlijk bar weinig mee kunnen. Daarmee is er aan de vaststelling van het hebben van een  tunnelvisie van deze ‘wetenschap’ haast niet meer te twijfelen, is de tussenconclusie. 

    Waarom vertrouwen negeren?

    Is de oorzaak vooral praktisch, is ‘onderling vertrouwen’ als maatstaf te vaag is en daardoor onbruikbaar? Niet te meten, niet te modelleren, niet te bewijzen, niet te beïnvloeden? Dat is inderdaad wat ik begrijp van deze studie, waarin economen stellen dat de omstandigheden, waaronder vertrouwen zijn heilzame werk doet, lastig is in te schatten. Waardoor ze niet voor hun rekening durven te nemen dat het de moeite waard is om er veel aandacht aan te besteden. Dit sluit aan bij eerder genoemde opmerking van Williamson. Of is het hele concept van onderling vertrouwen misschien simpelweg niet te verenigen met het mensbeeld van een rationeel en strategisch handelende pion, zoals dat in de dominante economische stroming sinds de jaren ’70 vigeert? Of past de erkenning van onderling vertrouwen als belangrijke factor voor welvaart misschien per ongeluk niet bij een (verhulde) ideologie van de ongebreidelde vrije markt en ruim baan voor kapitaal? Als dit waar is en deze ideologie als verborgen waardenset achter de gangbare modellen en studies zit, is het ook niet verwonderlijk dat de tautologische uitkomst is, dat we vooral… de vrije markt en het kapitaal ruim baan moeten geven. En ons vooral niet over de gevolgen op onderling vertrouwen druk moeten maken. Beangstigend.

    Verder kijken

    De waarheid zal zich voorlopig verborgen houden. Hoe gaan economen op de hier beschreven inzichten en ontwikkelingen reageren? Dat gaan we nog zien. Hoewel ik vrees dat de meesten zich hier niet op laten aanspreken. Als ze het einde van dit stuk überhaupt al hebben gehaald. Waarschijnlijk zat hun blinde vlek ze teveel in de weg, om over deze basale onderwerpen te lezen.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Hans de Geus

    Gevolgd door 178 leden

    Commentator & journalist financiële markten en economie.

    Volg Hans de Geus
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren