Aanvullend pensioenstelsel benadeelt lagere inkomens

    Het kabinet stelt voor de fiscale aftrek van pensioenpremies te beperken. Senator Geert Reuten (SP) legt uit waarom hij tegen dit voorstel is. Het huidige pensioenstelsel benadeelt de laagste inkomens.

    Haalt de omstreden pensioenwetgeving van het kabinet alsnog de eindstreep? Het kabinet wil de belastinginkomsten verhogen door versobering van de aanvullende pensioenen (die bovenop de AOW komen). Nadat in oktober 2013 een wetsvoorstel hierover in de Eerste Kamer strandde, wordt daar dinsdag 20 mei gedebatteerd over een aangepast voorstel. In essentie gaat het om het volgende. De premies voor het aanvullend pensioen zijn aftrekbaar van de belasting. Het kabinet wil de belastinginkomsten verhogen door beperking van die fiscale premieaftrek met 13%. De keerzijde is dat er van het huidige voor premie bestemde inkomensdeel dan minder overblijft voor de pensioenopbouw, omdat er dus minder belegt wordt zal ook het aanvullend pensioeninkomen te zijner tijd lager uitvallen. Maar daar tilt het kabinet niet zo zwaar aan. Het wetsvoorstel moet in 2017 €2,2 miljard extra belastinginkomsten opleveren. Doch op termijn vervliegt het grootste deel daarvan weer, omdat in de loop van de tijd steeds meer gepensioneerden lagere pensioeninkomsten dan nu hebben, en daarover dan minder belasting betalen. Op termijn belopen de extra belastinginkomsten zo ‘slechts’ €0,7 miljard.

    De oneerlijkheid van het aanvullend pensioen

    Het kabinet haalt een forse hap uit het aanvullend pensioen, maar laat de hoofdlijn van het stelsel onveranderd. Ik noem vier hoofdpunten. Ten eerste. De hoogte van het pensioen wordt doorgaans weergeven als percentage van het eindloon (of midden-loon). Opmerkelijk is dat ons pensioenstelsel zo in elkaar steekt dat dit percentage lager is naarmate het inkomen lager is. Mensen met een laag inkomen hebben dus niet slechts een absoluut lager pensioen, maar zien procentueel ook een geringer deel van hun eindloon in het pensioeninkomen terug. Daar doet het kabinet niets aan. Ten tweede. Hoe lager het inkomen des te korter mensen leven. Dat is triest maar waar (één reden is dat mensen met lichamelijk zware beroepen ook nog eens een laag inkomen hebben). Op hun 65e jaar is de levensverwachting voor mensen uit de laagste inkomensgroep (onderste 20%) ruim één vijfde korter dan voor mensen uit de hoogste inkomensgroep (top 20%). Qua pensioen blijken mensen met lage inkomens de hogere inkomens zo te subsidiëren. Immers, ze betalen beide AOW-premies en de doorsnee aanvullend-pensioenpremies, maar de lagere inkomens ontvangen gemiddeld 4,5 jaar minder pensioen. Ook daar doet het kabinet niets aan. Ten derde. Bij mensen die werkloos geraken, concentreert zich de ellende van een economische recessie. Maar zij worden niet slechts getroffen door een lager inkomen tijdens de werkloosheid, doch ook nog eens door een lager pensioen. Ook hier doet het kabinet niets aan. Ten vierde. De progressie in de inkomstenbelasting wordt deels ongedaan gemaakt door het aanvullend pensioenstelsel (net zoals de hypotheekrenteaftrek). Van één euro pensioenpremie is de belastingaftrek bij hoge inkomens 52 cent, maar bij lage inkomens 36 cent. Als iedereen de premie tegen 30% zou mogen aftrekken, dan zou de staat €5 miljard meer belastinginkomsten hebben. En wel bij de huidige premie-inleg (dus niet de verlaagde uit het wetsvoorstel). Die €5 miljard is ook het bedrag dat grofweg de bovenste helft van de inkomensverdeling toebedeeld krijgt ter “compensatie” van de progressieve belastingtarieven (de helft van de werknemers had in 2013 een looninkomen onder de €27.700; 60% had een inkomen onder de €33.000).Op dit onderdeel doet het kabinet een pietsje: de inkomenshoogte waarover de premie fiscaal aftrekbaar is, wordt gemaximeerd op €100.000 (over €100.000 is de premie nog steeds tegen 52% aftrekbaar). Tegelijkertijd is er voor deze inkomens een fiscale compensatie, waardoor de inkomensachteruitgang per saldo gemiddeld 0,3% is.
    Zelfs als er productiviteitsverschillen gedurende het werkzame leven zouden zijn, waarom moet dit dan resulteren in inkomensverschillen gedurende de pensioenperiode?

    Conclusie

    Hoe (on)redelijk is dit vierde onderdeel van het aanvullend pensioenstelsel? Veel politieke partijen betrekken de stelling dat inkomensverschillen aanvaardbaar zijn vanwege arbeidsproductiviteitsverschillen. Dit is voor verschillende functies vrijwel niet te meten (doch de stelling is sowieso betwistbaar). Maar zelfs als er productiviteitsverschillen gedurende het werkzame leven zouden zijn, waarom moet dit dan resulteren in inkomensverschillen gedurende de pensioenperiode? Vermeende productiviteitsverschillen zijn dan immers irrelevant. Het kabinet stelt dat dit een zaak van loononderhandeling is, waar het buiten staat. Doch die vlieger gaat niet op. Inderdaad zijn loononderhandelingen een zaak van werknemers en werkgevers. Maar de wetgever stelt de belastingtarieven en de belastinggrondslag vast, en in het onderhavige geval de pensioenpremieaftrek en de specifieke vormgeving daarvan. De verwijzing naar loononderhandeling noopt het kabinet niet om de inkomensverschillen gedurende het werkzame leven, in de pensioenen te bestendigen (punt 4) en te versterken (punt 1-3). Naast de pensioendaling voor iedereen, blijven deze vier fundamentele bezwaren aan dit pensioenvoorstel kleven, en daarom zou de Senaat het niet moeten steunen. * * * Door Geert Reuten, Eerste Kamerlid voor de SP en de financieel specialist van die fractie  

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 296 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren