© Matthias Leuhof

De boeren worden almaar ouder, de beroepsgroep vergrijst. De Europese Unie heeft sinds 2007 bijna tien miljard euro vrijgemaakt voor boeren onder de 40, speciaal om de generatiewisseling in de landbouw te stimuleren. De EU lijkt daarvoor opnieuw geld te willen reserveren. Maar diverse onderzoeken wijzen uit dat die EU-subsidies voor jonge boeren nauwelijks bijdragen aan de bevordering van de bedrijfsopvolging.

Waar gaat dit over?
  • De Europese Unie wil de landbouw aantrekkelijker maken voor boeren onder de 40. Daartoe zet de EU miljoenen euro aan subsidies in.

  • Volgens de Europese Rekenkamer heeft de EU sinds 2007 alles bij elkaar 9,6 miljard euro besteed aan subsidies om jonge boeren te ondersteunen bij de overname van een boerenbedrijf.

  • Er is echter weinig bewijs dat het geld het beoogde doel dient. Sommige gelden gaan naar investeringen die boeren ook zonder subsidie hadden gedaan; ook zijn de bedragen vaak te laag om invloed te hebben op de keuze een bedrijf al dan niet over te nemen.

Waarom moet ik dit lezen?

  • Dit jaar onderhandelen de nationale regeringen en het Europees Parlement over de toekomst van het Europees landbouwbeleid en moeten ze besluiten of jonge boeren opnieuw subsidies krijgen. De subsidies komen grotendeels uit de Europese begroting, die deels gevuld is met belastinggeld. Een deel komt uit de nationale begroting.

Hoe heeft Follow the Money dit onderzocht?

  • Op basis van openbaar beschikbare evaluaties en onderzoeksrapporten en interviews met deskundigen.

Lees verder

Een boerenbedrijf overnemen doe je niet van de ene op de andere dag. De 35-jarige melkveehouder André Arfman zit sinds 2008 in een maatschap met zijn ouders. De bedoeling is dat hij uiteindelijk in zijn eentje de boerderij in het Gelderse Vorden zal leiden, maar wanneer precies, dat weet hij nog niet.

‘Het kan binnen vijf jaar zijn, maar het kan net zo goed wat langer duren. Dat is ook een bepaald emotioneel traject dat je ingaat met de rest van de familie, waarin je alle plooien moet hebben gladgestreken,’ vertelt Arfman.

En dan is er nog dat andere puntje: geld. Arfman zal zijn ouders moeten uitkopen.

De Europese Unie wil jonge boeren als Arfman hierbij helpen. Al jaren is vergrijzing onder boeren een aandachtspunt en is het officieel EU-beleid om de generatiewissel onder boeren te stimuleren. Ze doet dit via subsidies die alleen beschikbaar zijn voor landbouwers onder de 40 jaar. ‘Die steun voor de volgende generatie Europese boeren is goed voor het toekomstige concurrentievermogen van de EU-landbouw, maar het verzekert ons in Europa ook nog vele jaren van voldoende voedsel,’ zo zegt de Europese Commissie op haar website. Voor Nederland is in de huidige begrotingsperiode (2014-2020) zo’n 120 miljoen euro begroot.

Dat geld komt uit twee verschillende fondsen, die bekendstaan als de twee ‘pijlers’ van de landbouwfondsen. Er is een jaarlijks bedrag dat jonge boeren maximaal vijf jaar lang kunnen krijgen als ze aan bepaalde randvoorwaarden voldoen (pijler 1) en een eenmalige bijdrage van maximaal 20.000 euro aan een investering waarvoor je een plan moet hebben (pijler 2).

De betalingen uit pijler 1 zijn beschikbaar sinds 2015. Volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bedraagt de begroting daarvoor ongeveer 84 miljoen euro. De investeringssubsidies uit pijler 2 komen uit een pot van 35,7 miljoen euro.

Pijler 1: ‘Alle kleine beetjes helpen’

De RVO verdeelde in 2018 ruim 12 miljoen euro aan jaarlijkse pijler-1-subsidies voor jonge boeren. Dat geld wordt niet evenredig verdeeld over de ruim 5000 boerenbedrijven die de subsidie ontvingen. Ongeveer 1000 bedrijven kregen minder dan 1000 euro, terwijl circa 1600 bedrijven 3000 euro of meer ontvingen.

Dat komt omdat de hoogte van deze jaarlijkse ‘betaling voor jonge landbouwers’ wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid landbouwgrond van het bedrijf. Er gaat geen inkomenstoets aan vooraf. Dit systeem – hoe meer hectare, hoe meer subsidie – is de belangrijkste manier waarop de EU directe inkomenssteun aan boeren verdeelt. Deze aanpak werd in de jaren negentig ingevoerd om de productiesubsidies te vervangen, die tot overproductie en verspilling leidden. Maar ook deze verdeelsleutel leidt tot ongewenste effecten: 80 procent van de directe inkomenssteun gaat naar 20 procent van de boerenbedrijven.

In bijna alle gevallen was dit jaarbedrag uit de jonge-boerenpot niet meer dan 5000 euro. Helpt zo’n bedrag een beginnende boer nu echt? Volgens het ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zijn de subsidies ‘slechts ondersteunend’. Er is geen vereiste voor boeren hoe ze dit geld besteden.

De maatschap van Arfman ontving in 2018 iets meer dan 3500 euro. ‘Het is een redelijk bedrag, maar vergeleken met de omzet is het vrij beperkt,’ zegt Arfman, die ook voorzitter is van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt.

‘Bij een overnamewaarde van twee tot vier miljoen euro is het effect van een paar duizend euro subsidie  natuurlijk heel beperkt’

‘Een paar duizend euro kan voor sommigen net het verschil maken,’ zegt Harold van der Meulen, bedrijfseconomisch onderzoeker bij Wageningen Economic Research. ‘Als je [de subsidies] helemaal niet zou hebben, dan wordt het economisch nog lastiger. Het kan net het steuntje zijn,’ zegt hij. ‘Alle kleine beetjes helpen,’ zegt ook Hans Rietveld. Hij is directeur van een agrarisch adviesbureau dat boeren ondersteunt bij subsidieaanvragen.

Maar het is zeer de vraag of de jaarlijkse subsidies van enkele duizenden euro een rol spelen in de beslissing een bedrijf al dan niet over te nemen. Volgens Van der Meulen is een balanswaarde van melkveehouderijen en akkerbouwbedrijven van twee tot vier miljoen euro ‘vrij normaal’. ‘Dan is een paar duizend euro op een paar miljoen natuurlijk heel beperkt,’ erkent Van der Meulen.

Het grootste obstakel is dat bedrijven nauwelijks voor de werkelijke waarde kunnen worden overgenomen, vanwege de hoge grondprijzen. Volgens Arfman is het gemiddelde rendement uit een boerenbedrijf vaak onvoldoende om de kosten van land te dekken. Ouders verkopen het bedrijf daarom vaak onder de waarde aan familieleden, buren of medewerkers.

In 2017 publiceerde de Europese Rekenkamer een onderzoek naar de effectiviteit van EU-steun voor jonge boeren. Met name over de jaarlijkse hectaresubsidie was de EU-instelling bijzonder kritisch: er was geen bewijs dat de subsidie in deze vorm nodig was, noch dat die invloed had op de keuze een boerenbedrijf over te nemen. Desgevraagd zeiden boeren de subsidie vooral als steun in de rug te zien om de schommelingen in marktprijzen en opbrengst op te vangen. De Rekenkamer benadrukte dat dit probleem – inherent aan agrarisch ondernemen – voor boeren van alle leeftijden geldt, en niet specifiek voor 40-minners.

Een belangrijk kritiekpunt van de Europese Rekenkamer was dat aan het EU-beleid voor jonge boeren geen meetbare doelen zijn vastgesteld waarmee de effectiviteit kan worden getoetst.

‘Gebrekkig gedefinieerde interventielogica’

De titel van het rapport van de Europese Rekenkamer is mild: EU-steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen. De inhoud is echter spijkerhard, als je tenminste de diplomatieke schrijfstijl wegfiltert. Wie de zinnen zorgvuldig opbreekt, ontwaart de conclusie: men doet maar wat. Een aantal passages:

‘De algemene conclusie is dat de EU-steun voor jonge landbouwers is gebaseerd op een gebrekkig gedefinieerde interventielogica waarin de verwachte resultaten en impact niet zijn gespecificeerd.’

‘De aanvullende betaling voor jonge landbouwers in het kader van pijler 1 berust op de aanname dat jonge landbouwers die een landbouwactiviteit beginnen, het hoofd moeten bieden aan financiële uitdagingen. Hoewel deze aanname juist kan zijn, bevatte de effectbeoordeling van de Commissie geen gegevens ter onderbouwing daarvan, noch een schatting van de verwachte impact van deze aanvullende betaling op het inkomen van de jonge landbouwers, op de levensvatbaarheid van hun landbouwbedrijf of op generatievernieuwingspercentages, maar was deze alleen gericht op de budgettaire gevolgen van de verschillende methoden die werden voorgesteld om deze betaling te berekenen. Het is niet duidelijk in welke behoeften deze betaling zou moeten voorzien, afgezien van aanvullend inkomen, en wat de toegevoegde waarde ervan zou zijn.’

‘De gecontroleerde lidstaten konden geen statistisch representatieve gegevens over de inkomens van jonge landbouwers verstrekken, noch gegevens waaruit bleek dat hun inkomen in de eerste jaren van de landbouwactiviteit in het algemeen ontoereikend of onstabiel is, of dat dit in die jaren meer het geval is dan in latere jaren.’

‘Eén gecontroleerde begunstigde [in Polen] had een landbouwbedrijf van 513 hectare, ontving jaarlijks ongeveer 100.000 euro aan rechtstreekse EU-betalingen en genereerde een nettowinst van circa 150.000 euro (ofwel 15 maal het bnp per hoofd van de bevolking in Polen) in de drie jaar voordat hij een aanvraag indiende in het kader van de aanvullende betaling voor jonge landbouwers. Deze begunstigde had dus geen financiële uitdagingen en stond al aan het hoofd van een levensvatbaar bedrijf voordat hij de betaling voor jonge landbouwers ontving (3.000 euro in 2015).’

‘Dit bedrag is niet gekoppeld aan de levensvatbaarheid of andere kenmerken van deze landbouwbedrijven en het is niet bekend of het in verhouding staat tot de behoeften van jonge landbouwers, omdat deze niet werden beoordeeld. De gecontroleerde begunstigden gaven aan dat dit bedrag voornamelijk werd gebruikt om lopende kosten en tekorten in hun inkomen als gevolg van schommelingen in landbouwprijzen te dekken, een situatie waaraan alle landbouwers, en niet alleen landbouwers tot 40 jaar, het hoofd moeten bieden. Het is dus onwaarschijnlijk dat het steunbedrag dat momenteel via deze betaling wordt verstrekt een substantiële impact zou hebben op de levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven en op de besluiten van jonge landbouwers om zich te vestigen.’

De Rekenkamer concludeerde dat de Europese Commissie grondiger moet analyseren wat de behoeften zijn, het EU-geld doelgerichter dient in te zetten en meer informatie moet verzamelen waarmee de doelmatigheid van het beleid kan worden beoordeeld.

Lees verder Inklappen

Een EU-brede evaluatie uit augustus 2019, besteld door de Europese Commissie, liet zien dat er geen of nauwelijks correlatie is tussen de hoogte van pijler-1-subsidies voor jonge boeren in een bepaalde regio en de ontwikkeling van het aantal jonge boeren daar.

Pijler 2: JoLa-regeling

Over de uitvoering van het tweede type subsidies, uit pijler 2, was de Europese Rekenkamer iets positiever. Het betreft de zogenaamde plattelandsontwikkelingsprogramma’s (POP), die een specifieke regeling voor jonge boeren bevatten. Maar ook hierover schreven de onderzoekers: ‘We troffen weinig bewijs aan waaruit bleek dat de EU-maatregelen de vestiging van jonge landbouwers vergemakkelijkten en generatievernieuwing en de levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven verbeterden.’

‘De regeling Jonge Landbouwers lijkt voor de meeste respondenten geen (belangrijke) rol te spelen in de beslissing over bedrijfsovername’

Evaluaties over POP2 en POP3 in Nederland (gefinancierd door de Nederlandse overheid) bevestigden dat beeld. In drie rondes kregen jonge boeren uit POP2 in totaal 24 miljoen euro uit de regeling Jonge Landbouwers (de ‘JoLa-regeling’). In 2018 verscheen een evaluatie van POP2 door bureau Berenschot, dat een enquête hield onder 104 boeren die subsidie hadden ontvangen (plus 20 boeren die waren afgewezen). ‘De regeling [Jonge Landbouwers] lijkt voor de meeste respondenten geen (belangrijke) rol te spelen in de beslissing over bedrijfsovername,’ aldus het rapport. ‘De meerderheid geeft aan dat ze waarschijnlijk ook zouden hebben geïnvesteerd zonder subsidie.’

Onlangs verscheen een tussentijdse analyse van de uitvoering van het huidige plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) in Nederland, uitgevoerd door Wageningen Economic Research (WUR), besteld door het ministerie van LNV. De POP3-subsidie voor jonge boeren is 1248 keer uitgekeerd in de periode 2016-2018. Boeren ontvingen gemiddeld 17.000 euro per aanvraag.

Eind 2018 was ruim 21 miljoen euro toegekend via de JoLa-regeling. Er zijn 26 soorten investeringen waar boeren subsidie voor kunnen krijgen. Veruit de meest populaire categorie was een investering in zonnepanelen: maar liefst 45 procent van het geld dat via de JoLa-regeling is toegekend, ging daarheen. Daardoor werden die bedrijven duurzamer en moderner, maar het effect op bedrijfsbalans ‘wordt niet heel groot geacht’.

‘Het effect van de JoLa-regeling op het besluit tot overname bedrijf is voor de meerderheid van de ondervraagde jonge boeren “gering” of er was “geen” effect. De subsidie is gering in vergelijking tot de financiering van de bedrijfsovername,’ aldus het WUR-rapport. Officieel is dat ook niet het doel van het beleid in Nederland. Een woordvoerder van de RVO zegt dat Nederland ‘ervoor [heeft] gekozen om de maatregel voor de jonge landbouwers als investeringsmaatregel in te vullen [met] milieumaatregelen (duurzaamheid) en niet voor het vestigen van een bedrijf’.

Dat mag. Nederland heeft in het strategisch programma voor plattelandsontwikkeling wat betreft de huidige begrotingsperiode gesteld dat het de Europese subsidies voor jonge boeren wil gebruiken om innovatie te stimuleren. ‘Jonge boeren hebben door de zware financiële last extra behoefte aan ondersteuning bij duurzame innovaties,’ aldus het plan, dat is goedgekeurd door de Europese Commissie.

Miljard euro aan leningen

Voldoende geld vergaren om in de boerderij te investeren of ouders mee uit te kopen, is moeilijk; ook EU-beleidsmakers noemen dat vaak als probleem. 'Toegang tot financiering is cruciaal en te vaak een obstakel voor jonge mensen om dit beroep te kunnen uitoefenen', zei Eurocommissaris voor Landbouw Phil Hogan bij een bezoek aan Zeeland in april 2019. Hogan kwam daar op een CDA-bijeenkomst een nieuw EU-initiatief voor jonge boeren toelichten.

Het ging om een miljard euro aan leningen, beschikbaar gesteld door de Europese Investeringsbank (EIB), op voorwaarde dat private banken dat bedrag zouden verdubbelen. De boer zou vervolgens de lening onder gunstige voorwaarden mogen afsluiten: hij of zij mocht later beginnen met terugbetalen en er langer over doen. De EIB zette een gelikt filmpje op YouTube om het initiatief te promoten.

Een woordvoerder van de EIB laat desgevraagd weten dat er geen leningen in Nederland zijn toegekend. De pot is al bijna leeg.

Waarom gingen EU-leningen de Nederlandse boeren voorbij?

Er was in april 2019 veel Nederlandse aandacht voor het nieuwe Europese leenprogramma. CDA-Europarlementariër Annie Schreijer-Pierik zei volgens de NOS dat Nederlandse boeren ‘zeker’ zouden kunnen meedoen. ‘Ik ben blij dat het geld beschikbaar komt, waarbij het belangrijk is dat Nederland ermee aan de slag gaat.’ Toch heeft uiteindelijk geen enkele Nederlandse boer ervan geprofiteerd. Banken uit Italië, Frankrijk, Griekenland en Kroatië meldden zich het snelst. Van de beschikbare miljard euro resteert nog slechts 30 miljoen.

Follow the Money vroeg ’s lands drie grootste banken waarom zij zich niet voor het programma hebben gemeld.

‘Wij hebben eerder dit jaar contact gehad [met] de EIB over deze nieuwe regeling voor jonge boeren, maar zijn toen samen met de EIB tot de conclusie gekomen dat deze regeling voor deze doelgroep in ons geval geen toegevoegde waarde had,’ meldde een woordvoerder van de ING eind 2019 in een e-mail. De belangrijkste reden: de ING was al bezig met een andere EIB-samenwerking van 200 miljoen euro ‘voor een veel bredere doelgroep, te weten mkb-bedrijven in Nederland, België en Luxemburg met maximaal 3.000 medewerkers’.

Bij ABN AMRO was het EU-programma niet bekend. ‘Het specifieke programma waar je aan refereert is niet een programma dat wij kennen,’ aldus een woordvoerder. Maar zelfs al zou de bank er van hebben geweten, dan nog is het de vraag of ABN AMRO had meegedaan. Volgens de bank is er ‘onder de huidige marktomstandigheden meer dan voldoende voordelige funding voorradig’. 

De Rabobank had aarzelingen van meer principiële aard. ‘De voordelen van deze EU-lening (over een langere periode terugbetalen en later beginnen met terugbetalen) zijn niet altijd in het belang van de klant. Het betekent namelijk ook dat de klant langer vast zit aan de lasten en minder ruimte heeft voor nieuwe, soms noodzakelijke investeringen. Juist bij klanten met toch al hoge lasten door bijvoorbeeld een overname is dat een minder wenselijke situatie,’ zegt een woordvoerder.

Wim Bens, voorzitter van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO), was vorig jaar nog enthousiast. Hij riep banken in het Eindhovens Dagblad op snel met de EIB om tafel te gaan. Nu zegt hij: ‘Het is mooi bedacht en sluit goed aan bij het bredere publiek, maar is onvoldoende op maat gesneden van de jonge boeren zelf.’

‘Jonge boeren zijn niet zo happig op meer schuldenlast, maar op een betere verdiencapaciteit en inkomenspotentieel in de markt. Daar draagt de huidige inrichting van dit EIB-fonds onvoldoende aan bij,’ zegt de ZLTO-voorzitter per e-mail. Hij voegt toe: ‘Binnen de bankwereld is bij de accountmanagers van jonge boeren onvoldoende bekend dat hun klanten (jonge boeren en tuinders) hiervoor in aanmerking kunnen komen,’ aldus Bens.

Een woordvoerder van de EIB liet weten dat, ‘gezien de interesse’, de bank overweegt om nog een vergelijkbaar initiatief open te stellen.

Lees verder Inklappen

Volgens de Europese Rekenkamer heeft de EU sinds 2007 alles bij elkaar 9,6 miljard euro besteed aan subsidies om jonge boeren te ondersteunen bij de overname van een boerenbedrijf. Uit nationale begrotingen kwam daar in diezelfde periode nog eens 8,7 miljard euro bij. Maar ook voor 2007 waren er al fondsen voorhanden om de generatiewissel te bevorderen: zo was er in de jaren negentig subsidie beschikbaar voor boeren boven de 55 die hun bedrijf aan een nieuwe generatie wilden overdragen.

Hoe oud is de boer?

Om te beoordelen hoe nuttig al die subsidies waren, volstaat een simpele vraag: hoe staat het nu met die bedrijfsopvolging en de leeftijdsopbouw binnen de agrarische sector?

Allereerst de leeftijd. Voor zover het EU-beleid ten doel had om de gemiddelde leeftijd van boeren te stabiliseren, of zelfs te verlagen, is dat volledig mislukt: de vergrijzing slaat onder boeren harder toe dan in andere sectoren. Het aantal Nederlandse boerderijen waar de bedrijfsleider niet ouder is dan 45, is tussen 2016 en 2018 gedaald van 9.599 naar 8.326, een afname van 13 procent. Zelfs de categorie 45-55 jaar kromp, terwijl die boven de 55 toenamen.

Ondanks de EU-subsidies voor jonge boeren gaat de vergrijzing in de Nederlandse landbouw dus door. Arfman ziet daarin geen bewijs dat het beleid heeft gefaald. ‘Misschien was het aandeel jonge boeren anders nog veel harder gedaald.' Ook het ministerie van LNV zegt in een reactie dat het dalende aantal jonge boeren niet betekent dat het beleid faalt: ‘De daling van het aantal jonge landbouwers kan niet gerelateerd worden aan de effectiviteit van het EU-subsidiebeleid.’

Eurostatcijfers laten een vergelijkbare trend zien in Europa, hoewel vergelijken moeilijk wordt gemaakt door veranderingen in hoe wordt gemeten. In 2013 had in Europa 644.360 boeren onder de 35 jaar. Drie jaar later waren dat er nog 535.770. Hun aantal daalde met bijna 17 procent, een veel scherpere daling dan de totale krimp in de landbouwsector.

Boer zoekt opvolger

Dan de bedrijfsopvolging. In 2016 had 39 procent van de bedrijven waar het bedrijfshoofd 51 jaar of ouder was een opvolger, zo bleek uit de periodieke Landbouwtelling. Dat was net iets hoger dan in 2012: toen lag dat percentage op 34 procent. Volgens Van der Meulen van de WUR heeft dat deels te maken met een methodeverandering in die Landbouwtelling: de kleinste bedrijven (die vaak geen opvolger hadden) worden niet langer als landbouwbedrijf geteld.

Drie op de vijf oudere boeren had in 2016 dus geen opvolger. Deels komt dat voort uit een zelfversterkend effect. Nieuwe generaties boeren hebben te maken met langere overgangsperiodes, waarin ze samen met hun ouder(s) in de maatschap zitten; denk aan André Arfman. Omdat oudere boeren pas later een opvolger hebben, denken die opvolgers zelf ook pas op latere leeftijd na over hun opvolging. De hele boel schuift op.

Adviseur Rietveld constateert: ‘Er zijn er die pas rond hun 50e het voor het eerst zelf voor het zeggen hebben. Dan ga je je niet meteen bezighouden met je opvolging. Mensen worden daarnaast steeds ouder. We hebben nu boeren die stoppen omdat ze geen opvolger hebben, die zelf al tegen de 90 lopen.’

Een studie van twee Britse economen uit 2014 betwist overigens de aanname dat er überhaupt een jonge-boerentekort is. Hun argument: Europa heeft dankzij technologische vooruitgang (denk aan melkrobots) en schaalvergroting minder instroom van boeren nodig dan vroeger.

Ook na 2021 subsidies

De EU is van plan door te gaan met het financieel ondersteunen van jonge boeren. Dat bevestigde de Europese Commissie eind 2017 in het strategierapportDe toekomst van voeding en landbouw, waarin generatievernieuwing een ‘prioriteit’ werd genoemd. De Commissie stelde vervolgens in 2018 voor dat in de nieuwe begrotingsperiode minstens 2 procent van de directe inkomenssteun (pijler 1) naar jonge boeren zou gaan. Volgens een beoordeling van het ministerie van LNV zou dat voor Nederland neerkomen op 98,5 miljoen euro in zeven jaar, zo’n 14,5 miljoen euro meer dan in de huidige begrotingsperiode. Later deze maand komen de Europese landbouwministers weer bijeen om verder te onderhandelen over de toekomst van alle landbouwsubsidies.

Het Nederlandse kabinet zou overigens een deel van dat geld graag willen overhevelen naar het plattelandsfonds (pijler 2), zodat het geld aan specifieke investeringsprojecten besteed mag worden. Dat is ook in lijn met een advies van de Europese Rekenkamer van vorig jaar, dat stelde dat subsidies uit pijler 2 ‘meer kansen [bieden] om jonge landbouwers doelgerichter te ondersteunen’ dan aanvullende inkomenssteun.

Wat wil Wojciechowski?

Het kritische rapport van de Europese Rekenkamer uit 2017 is opgesteld door het Poolse lid van die EU-instelling: Janusz Wojciechowski. Sinds 1 december 2019 is hij de nieuwe Eurocommissaris voor landbouw. Hoe gaat Eurocommissaris Wojciechowski om met de kritiek van Rekenkamerlid Wojciechowski?

Follow the Money vroeg de Europese Commissie of de Pool het wetsvoorstel van zijn Ierse voorganger Hogan wilde aanpassen. Via een woordvoerder kregen we antwoord. Maar hoewel de vragen van Follow the Money daarin expliciet werden herhaald, ging Wojciechowski er nauwelijks op in. In plaats daarvan somde hij al eerder gepresenteerde plannen van de Commissie op – wat suggereert dat hij niet van plan is het beleid van zijn voorganger aan te passen. Ook ons verzoek om een analyse waarom de landbouw minder jongeren blijft aantrekken, ondanks aanzienlijke EU-fondsen, bleef onbeantwoord.

Veel factoren die het succes van generatievernieuwing bepalen – belasting, erfrecht en toegang tot land – worden niet op Europees niveau geregeld, maar nationaal

Wel verwees Wojciechowski naar een recente evaluatie van de impact van het Europese landbouwbeleid op generatievernieuwing. Die evaluatie concludeerde dat dit beleid ‘een positief effect heeft op het bevorderen van generatievernieuwing’. Wie het rapport erbij pakt, ziet echter dat de resultaten enorm verschillen per lidstaat. Ook erkent het rapport dat het ‘te vroeg is’ om conclusies te trekken over de pijler-1-subsidie.

Het rapport benadrukt dat veel andere factoren het succes van generatievernieuwing bepalen, zoals belasting, erfrecht en toegang tot land – allemaal zaken die niet op Europees niveau, maar nationaal geregeld zijn.

Manier van leven

Uiteindelijk zijn subsidies alleen niet genoeg om mensen over te halen het boerenleven in te gaan, zeggen verschillende geïnterviewden. Zo zegt adviseur Rietveld: ‘Als je veel geld wilt verdienen, dan moet je geen landbouwer worden.’ Hij benadrukt dat de meeste boeren niet per se uit zijn op subsidies: ‘Een boer wil liever voor een goede prijs produceren, dan voor een slechte prijs produceren en dan daarvoor worden gecompenseerd.’

Het ministerie van LNV wijst op nog andere factoren dan subsidies: ‘Het beroep landbouwer is “a way of life”, een bewuste keuze, waarbij subsidiemogelijkheden niet bepalend, maar slechts ondersteunend zijn. Bij het maken van de keuze om een bedrijf over te nemen spelen veel andere factoren een rol.’ 

Melkveehouder en NAJK-voorzitter Arfman gebruikt dezelfde bewoordingen: boer zijn is ‘een bepaalde manier van leven’. ‘Zeker als je met dieren te maken hebt, ben je daar 24 uur per dag, 7 dagen in de week verantwoordelijk voor. Dat moet je aanspreken. Dat moet je willen.’ 

Alleen bestaat daar geen subsidie voor.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Peter Teffer

Gevolgd door 191 leden

Onderzoekt voor FTM hoe EU-geld in Nederland wordt besteed.

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

EU-geld in Nederland

Gevolgd door 672 leden

Nederland ontvangt jaarlijks ruim twee miljard aan EU-subsidies. De controle daarop richt zich meestal op of de regels zijn g...

Volg dossier