© CC0 (publiek domein)

    Vorige maand publiceerde FTM over ABDUP, een van Nederlands oudste lobbyclubs, bestaande uit AkzoNobel, Shell, DSM, Unilever en Philips. De club onderhoudt al bijna 75 jaar korte lijntjes met Den Haag, zo valt af te leiden uit de schaarse openbare bronnen. Nu blijkt, op basis van een intern verspreid boek geschreven door Philips-archivarissen, dat ABDUP al decennia een klein leger subcommissies en werkgroepen aanstuurt. Zij helpen brede politieke agenda’s te formuleren en zijn soms vaste gesprekspartner van topambtenaren.

    Dit stuk in 1 minuut
    • Via via kreeg PAJ een kopie van een boekje waarnaar ze al langer op zoek waren: de geschiedenis van ABDUP, een van de oudste lobby's in Nederland. Het boek is gebaseerd op de oorspronkelijke notulen van de vergaderingen uit de archieven van Philips, dat volgens het voorwoord ‘bijna de gehele periode het secretariaat voerde’.
    • Over de club bestaat opmerkelijk weinig openbare informatie en op persvragen aan de deelnemende bedrijven over ABDUP wordt afhoudend gereageerd. Dat maakt dit boekje extra interessant.
    • Uit het boek blijkt dat ABDUP sinds de jaren tachtig een groeiend leger van subcommissies en tijdelijke werkgroepen heeft, die zelfstandig ministeries benaderen, of topambtenaren verwelkomen bij hun eigen vergaderingen. In het midden van de jaren tachtig had de lobbyclub minstens negen van zulke subcommissies.
    • Zij mengden zich op de achtergrond in het ontwerp van langetermijnvisies en de bijbehorende politieke agenda’s, en leverden vaak de voorzitters van adviescommissies van de overheid, zoals bijvoorbeeld de Commissie Wagner, geleid door de directeur van Shell, die een brede, liberale hervormingsagenda voorstond.
    Lees verder

    De zoektocht duurde enkele weken, maar het boekje is gevonden, en we mogen het kopiëren van een academicus die het in bezit bleek te hebben. 121 pagina’s rollen uit het kopieerapparaat. ‘Heel spannend is het niet hoor,’ laat de gulle academicus (die geen behoefte aan naamsvermelding heeft) nog weten. ‘Maar het geeft wel een hoop stof voor nieuwe vragen.’

    De titel:Samenwerking tusschen Nederlandsche industrieën met groote internationale belangen; 70 jaar Contactcommissie (1934–2004), geschreven door Philips-archivarissen Jan Paulussen en Ivo Blanken. Het behandelt de geschiedenis van de Contactcommissie, beter bekend als ABUP en later ABDUP, een van de oudste Nederlandse lobbyclubs waar FTM vorige maand over publiceerde. De leden van dit gezelschap: AkzoNobel, Shell (de ‘Bataafse’), DSM (dat pas later toetrad), Unilever en Philips. Het boek is gebaseerd op de oorspronkelijke notulen van ABUP-vergaderingen uit de archieven van Philips, dat volgens het voorwoord ‘bijna de gehele periode het secretariaat voerde’.

    Zelfs als het boek niets nieuws over deze lobbyclub zou bevatten (wat het wel doet), was de zoektocht ernaar al spannend genoeg. Het werkje is nergens te koop: het werd in 2004 door Philips verspreid onder een select publiek, ter gelegenheid van het zeventigjarig jubileum van ABUP. Dat laat de inmiddels opgeheven uitgever van het boekje, Aprilis uit Zaltbommel, telefonisch weten. Het boek komt geregeld voor op de bronnenlijsten van academische publicaties van bedrijfshistorici, die wel eens toegang krijgen tot private bedrijfsarchieven. Zo kwamen we er op.

    Dat dit boek nooit in de verkoop is geweest, zal geen verbazing wekken. ABDUP is niet bepaald een open boek. Over de club bestaat opmerkelijk weinig openbare informatie en op persvragen aan de deelnemende bedrijven werd afhoudend gereageerd. In een recent Wob-verzoek naar overheidsdocumenten over de club waren veel passages weggelakt. ‘Zulke clubs onttrekken zich aan de waarneming, en willen dat graag zo houden,’ zegt Eelke Heemskerk, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam en kenner van Nederlandse bedrijfselite-netwerken.

    Maar toch, op basis van een handvol academische studies, oude krantenberichten en onlangs vrijgegeven overheidsdocumenten, rees al een intrigerend beeld van ABDUP/ABUP op. De club probeerde in 2007 de afschaffing van de dividendbelasting geruisloos door het parlement ‘geloodst’ te krijgen. Een omstreden en betwist onderzoeksrapport van de Rotterdam School of Management, die de afschaffing moest legitimeren, bleek een ABDUP-project. Het gezelschap lobbyde meermaals voor fiscaal aantrekkelijke regelingen in belastingverdragen. En in 1994 klapte een ex-topmanager van Unilever uit de school tegenover de NRC: ABUP zou volgens hem een sleutelrol spelen in het grootschalige misbruik van de wao door Nederlandse bedrijven.

    Het bleef echter een verhaal met gaten, gezien het magere aantal bronnen. Een paar lacunes zijn nu op te vullen, dankzij het gekopieerde boekje. Daarom, bij deze, nieuwe bevindingen over ABUP – over de periode dat de D van DSM nog ontbrak.

    Een groeiend leger van subcommissies

    Hoe ABDUP intern opereert, bleef in het vorige artikel een beetje in het midden. De club overlegt in ieder geval twee keer per jaar, zo bleek uit onlangs openbaar gemaakte overheidsdocumenten. Eens per jaar komen de landendirecteuren en bedrijfsjuristen van de multinationals bijeen. En eens per jaar vindt het grotere ‘Presidentenoverleg’ plaats, in luxe hotels zoals Hotel Des Indes, met diner achteraf, waarbij ook de ceo’s plus genodigden aanschuiven. Mark Rutte, Maxime Verhagen, Frans Timmermans en Jeroen Dijsselbloem zijn er allemaal te gast geweest.

    Er waren ook aanwijzingen dat de club regelmatig met hoge ambtenaren overlegt. Een verslag van het ministerie van Financiën uit 2007 spreekt van ‘een periodieke bijeenkomst’ tussen ABUP en ambtenaren van het ministerie. Het boek van Paulussen en Blanken bevestigt dat de verwevenheid van ABUP met de hoge ambtenarij vrij extensief is, in elk geval voor 2004.

    Vooral sinds de jaren tachtig kent ABUP een groeiend leger van subcommissies en tijdelijke werkgroepen die zelfstandig ministeries benaderen, of topambtenaren verwelkomen bij hun eigen vergaderingen. In het midden van de jaren tachtig waren het er maar liefst negen, melden de auteurs: de juridische, sociale, fiscale, financiële, research-, pensioen-, milieu-, subsidie-, en MNO-subcommissie. Daarnaast had ABUP ‘een aantal ad hoc werkgroepen’.

    De subcommissies mengden zich op de achtergrond in het ontwerp van langetermijnvisies en de bijbehorende politieke agenda’s

    Dat die subcommissies in de jaren tachtig een ‘zwaarder gewicht’ kregen, hangt samen met ‘de sterk wijzigende omgevingsfactoren’, schrijven Paulussen en Blanken. Hoe anders was het immers in de jaren zeventig, toen de ABUP-partijen en de overheid lijnrecht tegenover elkaar stonden. Zo wenste het linkse kabinet van PvdA’er Joop den Uyl (1973-1977) meer democratische controle van werknemers en regering over grote bedrijven, tot grote ergernis van die laatsten. De open brief aan het kabinet-Den Uyl, die in januari 1976 werd ondertekend door negen grootbedrijven – waaronder alle ABUP-leden – was de climax van de onderlinge vijandigheid. Maar met de diepe economische crisis aan het begin van de jaren tachtig trad een ‘trendbreuk’ op, aldus Paulussen en Blanken. ‘In algemene zin werd het vertrouwen in staatsbemoeienis als economisch fundament vervangen door het vertrouwen in de markten.’

    In deze nieuwe context van de jaren tachtig hoefde er geen ideologische strijd meer gestreden te worden over ‘grote ordeningsvraagstukken’, maar kon ABUP zich meer richten op ‘gedetailleerde, inhoudelijke beleidsvraagstukken’. Daar lag een taak voor de subcommissies, schrijven Paulussen en Blanken.

    Ten eerste mengden de subcommissies zich op de achtergrond in het ontwerp van langetermijnvisies en de bijbehorende politieke agenda’s. Denk bijvoorbeeld aan het rapport Een nieuw industrieel elan, in 1981 op verzoek van de regering door de commissie-Wagner geschreven. Onder leiding van Gerrit Wagner, directeur van Shell van 1971 tot 1977, werd een brede, liberale hervormingsagenda gepresenteerd; loonmatiging, bezuinigingen, en een betere afstemming van onderwijs op de wensen van de arbeidsmarkt. Het rapport had invloed, schrijven Paulussen en Blanken: de overheid gebruikte ‘deze en andere aanbevelingen’ om ‘met horten en stoten’ allerlei hervormingen door te voeren.

    De subcommissies van ABUP hadden ‘in de jaren tachtig een belangrijke inbreng in de rapportages’ van dergelijke externe adviescommissies van de overheid. Dat lag ook ‘voor de hand’, aldus Paulussen en Blanken, aangezien deze adviescommissies vaak werden voorgezeten door captains of industry uit de ABUP-gelederen, zoals Wagner en Wisse Dekker (directeur van Philips van 1982 tot 1986).

    Ten tweede is minstens één subcommissie tot vaste gesprekspartner van de overheid gepromoveerd: de ‘fiscale subcommissie’. ‘Hier werd heel precies geëvalueerd waar bijvoorbeeld de knelpunten lagen in belastingverdragen,’ schrijven Paulussen en Blanken. Het contact liep zo soepel dat ‘topambtenaren in de jaren tachtig vaak aanwezig waren bij het reguliere maandelijkse overleg van de fiscale subcommissie’. Zo’n ‘intensieve interactie’ was wel een uitzondering, melden Paulussen en Blanken; de fiscale subcommissie was uniek, ‘omdat er op fiscaal gebied maar zelden onderwerpen waren waar de belangen van de vier ondernemingen van elkaar afweken’.

    De passage vult een aantal hiaten in van het vorige artikel over de lobbygroep. Daaruit bleek al dat ABUP zich mengde in het Nederlandse belastingverdragenstelsel, waar ons land zijn reputatie van belastingparadijs of doorsluisland aan dankt. ABUP was bijvoorbeeld nauw betrokken bij de herziening van het Nederlandse belastingverdrag met de VS in 1993, schreef NRC-journalist Cees Banning indertijd. Nu weten we hoe dat gebeurde: via de fiscale subcommissie. En met de kennis van nu lijkt de ‘periodieke bijeenkomst’ tussen ABUP en ambtenaren – Financiën vermeldt die in de ambtelijke notulen uit 2007 – een voortzetting van de ‘intensieve interactie’ die al sinds de jaren tachtig plaatsvindt. Dat Financiën slechts twee documenten leverde aan de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) in antwoord op een Wob-verzoek naar alle ABDUP-documenten vanaf 2010, is daarom des te opmerkelijker.

    PHAUSD

    Een andere commissie die als vaste gesprekspartner werd beschouwd, was het in 1978 opgerichte PHAUSD, dat ‘de ontwikkelingen op het gebied van milieuwetgeving volgde’, aldus Paulussen en Blanken. Deze commissie was weliswaar buiten ABUP-verband ontstaan en had met staalfabriek Hoogovens en chemiebedrijf DSM een bredere samenstelling, maar onderhield korte lijntjes met ABUP. Het was een ‘geslaagder voorbeeld’ van bredere samenwerking, aldus Paulussen en Blanken: ‘De groep ontplooide een grote activiteit en werd door het ministerie [van Economische Zaken, red.] als gesprekspartner erkend.’

    PHAUSD kwam regelmatig in opstand wanneer er bindende milieuwetgeving werd voorgesteld

    Over het karakter van PHAUSD verschillen Paulussen en Blanken overigens van mening met andere bronnen. Volgens hen is de commissie een ‘constructieve gesprekspartner’, vooral dankzij diens ‘kennis van het krachtenveld tussen economie en ecologie’. Anderen typeren de lobbypraktijken van PHAUSD als ‘sabotage’ van milieu- en klimaatwetgeving. Dat laatste is het oordeel van klimaatwetenschapper Pier Vellinga, sprekend vanuit zijn ervaring als ambtenaar binnen het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de jaren negentig. Onderzoeker Gijs A. Diercks (Universiteit Utrecht) citeerde hem en anderen voor zijn onderzoek uit 2012 naar het Duitse en Nederlandse beleid rond duurzaamheid. Een ambtenaar van EZ, Erik von Meijerfeldt, erkent in Diercks’ studie dat PHAUSD regelmatig in opstand kwam – via directe druk op ministers en parlementsleden – wanneer er bindende milieuwetgeving werd voorgesteld in plaats van vrijwillige convenanten.

    Overigens groeien de activiteiten van de ABUP-subcommissies vanaf de jaren tachtig zó sterk, dat ook ABUP zelf het overzicht soms verliest, schrijven Paulussen en Blanken. ‘Het meest extreme voorbeeld was de Controllers Commissie, die functioneerde al twee jaar voordat de Contactcommissie [ABUP] op de hoogte werd gebracht van haar bestaan.’ En van de bekende subcommissies was niet altijd duidelijk waarmee ze zich bezighielden.

    De groei van de subcommissies was karakteristiek voor het informele karakter van ABUP, maar tevens een bron van zorg, schrijven Blanken en Paulussen. ABUP hield immers ‘vast aan het principe dat noch zijzelf, noch de subcommissies verondersteld werden naar buiten te treden’. Die terughoudendheid had volgens de auteurs een goede reden: voorkomen dat (leden van) subcommissies namens de vier bedrijven verplichtingen aangingen. Dat principe kwam onder druk te staan ‘door de vele contacten van de subcommissies met het VNO-NCW en de diverse overheidsorganen’.

    Van Europese integratie tot Jet-Net

    Het boek bevat een langere lijst beleidskwesties die in het zeventigjarige bestaan van ABUP op de agenda hebben gestaan: Europese integratie, de arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen, de machtsverhouding tussen aandeelhouders en bedrijfsdirecties, de aansluiting van onderwijs en wetenschap op de behoeften van het bedrijfsleven, het subsidiebeleid van de vier bedrijven rond studieverenigingen, maatschappelijke organisaties en universiteiten, en de Nederlandse pensioenfondsen. Een volledig hoofdstuk is gewijd aan de poging van ABUP om rond 1968 een liberaal, voorlichtend ‘studiecentrum’ op te zetten als verweer tegen ‘de bemoeienis van de overheid’ en ‘de vaak kritische houding tegenover het bedrijfsleven’ vanuit pressiegroepen.

    Daarnaast blijken een aantal bekende politieke projecten direct of indirect uit de koker van ABUP te komen. Het Innovatieplatform bijvoorbeeld, het publiek-private platform dat tussen 2003 en 2010 de innovatie in het bedrijfsleven probeerde te stimuleren (maar, volgens meerdere economen, ‘nauwelijks iets bereikt’ heeft). Ook Jet-Net (Jongeren en Technologie Netwerk Nederland), een project waarmee de overheid de interesse onder de jeugd voor technisch onderwijs wilde aanwakkeren, kwam voort uit ABUP – het Presidentenoverleg van eind 2001, om precies te zijn.

    De auteurs reppen met geen woord over het vermeende misbruik van de wao door ABDUP-bedrijven in de jaren tachtig

    Het is overigens de vraag of het boek volledig is. Vrij Nederland-redacteur en publicist Wim Wennekes (1948-2001) schreef ooit een felle kritiek op ‘bedrijfshistorici-in-loondienst’ en beschuldigde hen, en Philips-archivaris Ivo Blanken in het bijzonder, ervan dat zij ‘zowel uit eigen vrije wil als op last van hun broodheer of opdrachtgever dingen achterhouden’. Het is op zijn minst opmerkelijk dat Paulussen en Blanken in hun boek over ABUP met geen woord reppen over het vermeende misbruik van de wao door bedrijven in de jaren tachtig. In 1993 meldde een ex-topmanager van Unilever in de NRC immers dat ABUP daarbij betrokken was; de zaak kwam aan de orde in een parlementaire enquête over de wao. Vrijwel zeker is deze kwestie destijds in ABUP besproken, maar het boek zwijgt erover.

    Hoe dan ook, het boek maakt veel wél duidelijk. Vooral dat het ABUP-apparaat groter, en via subcommissies meer verweven is met de Nederlandse overheid, dan we eerder konden bevroeden. In elk geval tot 2004, het jaar waarmee het boek afsluit. Maar het boek vermeldt tevens dat ABUP zijn werk hierna in dezelfde geest zou vervolgen. Zoals Arie Westelaken (1955-2017), destijds algemeen secretaris van Philips, in zijn voorwoord meldt: ‘Door de jaren heen is de Contactcommissie erin geslaagd de veranderende omgevingsfactoren doorgaans in een vroeg stadium te signaleren. Het is aan ons om voor de toekomst die alertheid te behouden.’

    Dit artikel van het Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) is geschreven door Bas van Beek, Alexander Beunder en Merel de Buck.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Platform Authentieke Journalistiek

    Gevolgd door 422 leden

    Het Platform Authentieke Journalistiek wil met kritische berichtgeving een bijdrage leveren aan een eerlijkere samenleving.

    Volg Platform Authentieke Journalistiek
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    De #Lobbycratie

    Gevolgd door 1384 leden

    Leven we in een lobbycratie of is lobbyen een wezenlijk element van een gezonde democratie? Zeker is dat de lobbywereld wordt...

    Volg dossier