© CC0 (via Unsplash)

Een duurzame economie

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws is dat dat mogelijk is, als de economie een echte wetenschap wordt. Maar daar is nogal wat voor nodig. Een omslag in denken, om te beginnen. En een boek. Lees meer

Onze wereld wordt geteisterd door grote structurele problemen. Klimaatverandering, armoede, instortende economieën, om er een paar te noemen. We beschikken over tal van middelen om deze op te lossen. Dat de problemen desondanks blijven bestaan, is volgens wetenschapper Niko Roorda een kwestie van economie. Vrijwel alle grote tragedies in de wereld, meent hij, zijn er doordat we economisch gezien niet begrijpen wat we doen. We moeten toe naar een economisch systeem dat intrinsiek duurzaam is, en hebben een economische wetenschap nodig die dat ontwerpt en invoert. Hierover schrijft Niko Roorda zijn nieuwste boek, en dat wil hij samen met de lezers van FTM doen.

55 Artikelen

Het achtvoudige pad naar de wetenschap

In de slotaflevering van zijn dossier over een duurzame economie behandelt Niko Roorda een bloedserieus onderwerp. Om van de economie een daadwerkelijke wetenschap te maken, is een ware ‘copernicaanse revolutie’ nodig — hoe eerder, hoe beter. Hoe zorgen we daarvoor?

Beste lezers,

In mijn vorige aflevering gaf ik op een speelse manier een aantal voorbeelden van hoe je anders kunt denken over een economisch onderwerp: geld.

Vandaag lees je mijn slotaflevering op Follow the Money in het dossier Duurzame Economie, waarin ik een heel stuk serieuzer ben. 

In de loop van een flink aantal episodes heb ik grote delen van mijn boek over omniconomie op de site van Follow the Money gepubliceerd. In die reeks heb ik laten zien dat de huidige economische praktijk fundamenteel onduurzaam is, wat rechtstreeks tot enorme, wereldwijde rampen leidt. Ik heb laten zien dat de diepe oorzaak daarvan is, dat de economie als vakgebied nog helemaal geen wetenschap is, ook al menen velen van wel. Ik heb betoogd en onderbouwd dat de economie niet meer is dan een protowetenschap; en dat de enige manier om een volwassen wetenschap te creëren is, het vakgebied op te nemen in een groter onderzoeksgebied, de omniconomie. Via die route zal het mogelijk zijn om duurzaamheid niet slechts ‘aan te kleven’ aan de maatschappij, bijvoorbeeld met behulp van de SDG’s, maar ook diepgaand in te bedden, zodat onze wereld intrinsiek duurzaam wordt.

Om zo’n wetenschappelijke omslag te bewerkstelligen, is een ware ‘copernicaanse revolutie’ nodig, zoals ik in deze aflevering zal beschrijven. Hoe eerder die plaatsvindt, hoe beter het is.

Na deze aflevering is mijn boek nog lang niet compleet op FTM gepubliceerd. Maar omdat het publicatieproject erg lang ging duren, en het publiceren van boeken in etappes niet tot de core business van FTM behoort en er eigenlijk een beetje een vreemde eend in de bijt is, heeft de redactie me verzocht om het project op een waardige manier af te sluiten, zoals ik in de aflevering van 12 mei aankondigde.

Daarna heb ik een selectie van onderwerpen uit mijn boek gekozen en die via FTM aan jullie voorgelegd. Vandaag komt dat traject tot zijn voltooiing. Ik eindig met een bloedserieus onderwerp, waarvan ik hoop dat de economie en de samenleving zullen profiteren.

Het achtvoudige pad naar de wetenschap

Hoe gaat dat eigenlijk: de overgang van een proto- naar een volwassen wetenschap? Ik ga dat in deze aflevering onderzoeken aan de hand van lessen uit het verleden en het heden. Ik laat zien dat er iedere keer een vaste reeks stappen te onderscheiden is. Hier is wat ik het Achtvoudige Pad naar de Wetenschap noem (klik op een tussenkop om er direct naartoe te gaan):

  1. Nieuwe fysieke gereedschappen
  2. Nieuwe mentale gereedschappen
  3. Nieuwe schema’s
  4. Nieuwe woorden
  5. Nieuw verhaal
  6. Nieuwe successen
  7. Nieuwe vragen
  8. Nieuw vuur

De acht stappen vinden niet altijd netjes na elkaar plaats. De groei naar volwassenheid is niet een lineair proces maar een kolkende, dynamische ontwikkeling waarbij voortdurend beïnvloeding plaatsvindt van de ene naar de andere stap en omgekeerd. Wetenschapsontwikkeling is een spannend en vaak eigenzinnig proces, en dat geldt al helemaal tijdens de overgang naar de volwassenheid, net als bij menselijke adolescenten.

1. Nieuwe fysieke gereedschappen

Een van de aanleidingen voor een doorbraak naar wetenschap is de uitvinding van nieuwe technologieën, die nieuwe en scherpere waarnemingen mogelijk maken. 

Natuur- en sterrenkunde

Voor de natuur- en sterrenkunde noemde ik in de aflevering van 3 maart van dit jaar onder meer de telescoop, de quadrant en nauwkeurige uurwerken. Met de telescoop ontdekte Galilei de vier grootste manen van Jupiter, wat de eerste objecten in het heelal waren die aantoonbaar niet om de Aarde heen cirkelden. Dat hielp enorm om het duizenden jaren oude wereldbeeld met de Aarde in het midden te vervangen door een waarbij alle planeten, inclusief wijzelf, om de Zon cirkelen. Vervolgens stelden de zeer precieze positiebepalingen van de planeten Kepler in staat om aan te tonen dat de planeetbanen geen cirkels maar ellipsen waren, een gegeven dat Newton in de zeventiende eeuw nodig had om zijn grote doorbraak te realiseren.

Scheikunde

Een even grote doorbraak in de achttiende eeuw maakte de scheikunde volwassen; ook hierbij werd een belangrijke bijdrage geleverd door nieuwe technologieën. Een daarvan betrof een simpel maar vernuftig apparaatje. De blaaspijp deed zijn intrede en “werd van grote betekenis voor de vooruitgang van de chemie”. Johann Kunckel was de eerste, in 1679, die het grote belang van de blaaspijp ten behoeve van goede experimenten beschreef voor de scheikundige experimenten. “Vele mogelijkheden zijn verborgen in deze kunst”, schreef hij. “In een chemisch laboratorium kan het erg nuttig zijn. Eén toepassing is het smelten van een metaalkalk om te zien welk metaal het bevat. Dit kan het gemakkelijkst worden gedaan door de te analyseren kalk in een holte van een klein stuk houtskool te plaatsen en de vlam er heel kort op te blazen.”

In de loop van de achttiende eeuw ging de techniek van de blaaspijp snel vooruit. Mede daardoor nam de kennis over elementen en samengestelde stoffen snel toe.

Daartoe droeg ook de invoering bij van de kwantitatieve chemie. Titratie deed zijn intrede: een methode om de concentratie van een stof in een oplossing te bepalen. Francis Home deed dat in 1756 nog tamelijk primitief met een theelepeltje.

“Om te ontdekken welke effecten het zuur op deze as zou hebben en welke hoeveelheid van de eerste deze zou vernietigen, waaruit ik enig oordeel zou kunnen vormen over de hoeveelheid en sterkte van het zout dat ze bevatten, nam ik een drachme van blauwe peren-as en goot er een mengsel op van één deel geest van nitre en zes delen water. Er ontstond een bruisen en voordat het klaar was, waren 12 lepels van het mengsel nodig.”

De technieken vorderden snel. In 1767 voerde William Lewis de lakmoesproef in, waarna François Descroizilles het pipet en de buret introduceerde. Al deze methoden hielpen de ‘vader van de scheikunde’, Antoine Lavoisier, om een grote doorbraak te bewerkstelligen waarmee de scheikunde een volwassen wetenschap werd. Lavoisier noemde ik al eerder, in de aflevering van 3 maart: hij was degene die aantoonde dat verbrandingsprocessen niet te maken hebben met phlogiston maar met zuurstof, waarna phlogiston een impetuswoord werd en werd afgeschaft.

Biologie

Voor de biologie was de microscoop vanzelfsprekend een onmisbaar instrument. De cel werd ermee ontdekt door Robert Hooke in 1665. Anthonie van Leeuwenhoek zag in zijn zelfgemaakte één-lenzige microscopen in de jaren na 1670 een hele microwereld van eencelligen en lichaamscellen. Naarmate de microscopen beter werden, werden steeds meer ontdekkingen gedaan. In 1831 zag Robert Brown voor het eerst de celkern; in 1839 lieten Theodor Schwann en Matthias Jakob Schleiden zien dat alle levende organismen uit cellen bestaan.

Een andere bijdrage kwam van een geheel andere kant. De sterk toegenomen wereldwijde scheepvaart en de ontdekkingsreizen leidden tot een toestroom van fossielen en levende planten- en diersoorten. De strijd over al of niet veranderende soorten leidde tot Darwins doorbraak met de evolutietheorie, zoals je zag in de aflevering van 10 maart.

Neuropsychologie

Ik maak een sprongetje in de tijd en kom uit bij het heden, waarin – naar mijn waarneming – een geheel nieuwe wetenschap in de fase van volwassenwording verkeert. Vanuit de samenkomst van de psychologie en de neurologie ontstaat de neuropsychologie, die momenteel continu voor fascinerende wetenschappelijke verrassingen zorgt. Een enorme rol is daarbij weggelegd voor nieuwe apparaten. Een daarvan is de MRI, Magnetic Resonance Imaging, waarbij elektrische processen in de hersenen in beeld worden gebracht. De fraaiste variant daarvan is fMRI, functionele MRI, dat de hersenprocessen ‘live’ in beeld brengt als een filmpje, waardoor er directe relaties kunnen worden gelegd tussen waarnemingen, gedachten en gevoelens, en activiteiten van hersencellen. Promovendus Gilles de Hollander toonde gepast enthousiasme over deze en andere technologische innovaties toen hij schreef over:

“… een spannende tijd voor menselijke neurowetenschappen. Sleuteltechnologieën zoals MRI en fMRI, genen in kaart brengen en zelflerende systemen hebben zich de afgelopen jaren snel ontwikkeld. We kunnen zonder snijden het menselijk brein met een nauwkeurigheid van minder dan een millimeter in beeld brengen, de invloed van neanderthaler-DNA op het menselijk brein bepalen en de beelden volgen in de visuele cortex van menselijke proefpersonen. Deze technologische ontwikkelingen vallen samen met een algemene, explosieve toename van de mogelijkheden voor computerkracht en gegevensopslag.”

2. Nieuwe mentale gereedschappen

Nieuwe instrumenten leveren nieuwe data, die vragen om nieuwe manieren om ze te verwerken. Voor een deel gaat het om wiskundige methoden. Ik vertelde in de aflevering van 31 maart van dit jaar al dat Isaac Newton voor zijn zwaartekracht- en andere wetten mathematische technieken nodig had zoals de differentiaalrekening, die nog niet bestonden en die hij dus zelf ontwikkelde. De volwassenwording van de biologie werd geholpen door de kansrekening, de geneeskunde en de sociale wetenschappen door de statistiek.

Naast wiskunde is ook een belangrijke rol weggelegd voor de logica en de kennisleer. Wetenschapsfilosoof Stephen Toulmin verwoordde het aldus:

“Het hart van alle grote ontdekkingen in de natuurwetenschappen is de ontdekking van nieuwe manieren om iets te verwoorden, en daarmee van nieuwe technieken waarmee conclusies kunnen worden getrokken.”

In de 20e en 21e eeuw hebben we de beschikking over heel wat nieuwe mentale gereedschappen. Voorbeelden zijn: de speltheorie, de netwerktheorie en de principes van complexiteit. Omdat ik daar verderop in mijn boek uitvoerig op in ga, doe ik dat nu nog even niet: je zult dus helaas moeten wachten tot het boek verschijnt. Een enorm belangrijk hulpmiddel voor tal van bestaande en nieuw ontwikkelende wetenschappen is de computersimulatie. Een sensationeelvoorbeeld komt voort uit de biochemie en de geneeskunde.

Je kunt nieuwe geneesmiddelen natuurlijk zoeken door variaties te maken op bekende geneeskrachtige moleculen. Of door heilzame kruiden te analyseren op zoek naar de werkzame chemische verbindingen erin. Maar een team van Duitse en Amerikaanse onderzoekers pakte het radicaal anders aan.

Op zoek naar nieuwe pijnstillers, hopend er een te vinden zonder bijwerkingen, bootsten ze de natuur na in een krachtige computer. Moleculen werden virtueel samengesteld, waarna ze in het computerbrein werden losgelaten op gesimuleerde morfinereceptoren in het geheugen van de computer. Eén voor één konden de kandidaat-pijnstillers laten zien wat ze konden, zonder dat ze daadwerkelijk chemisch geconstrueerd hoefden te worden. In rap tempo werden miljarden verschillende moleculen op die manier getest. Niet alleen moleculen die leken op bestaande geneesmiddelen, ook tal van totaal onverwachte atoomcombinaties. Zonder simulatie zou het onderzoek volkomen onmogelijk geweest zijn.

Een aantal moleculen werden gevonden die – althans volgens de computersimulatie – een pijnstillende werking hadden. Eén daarvan, genaamd PZM21, bleek veelbelovend. Proefdiertests lieten zien dat de pijnstillende werking minstens zo groot was als die van morfine, terwijl bijeffecten niet waarneembaar waren; met name belangrijk was dat het middel geen verslavende werking vertoonde.

Op het moment van publicatie van de onderzoeksresultaten in Nature moesten de proeven op mensen nog beginnen. Het zou natuurlijk kunnen blijken dat het middel uiteindelijk de finish – daadwerkelijke inzet bij pijnlijders via artsen en apotheken – niet haalt: daar was op dat moment nog niets over te zeggen. Maar het onderzoek toont in ieder geval aan dat medicijnenonderzoek via computersimulaties een sensationeel nieuwe farmaceutische strategie is geworden.

3. Nieuwe schema’s

Al die nieuwe gereedschappen leveren een vracht aan verse gegevens op, en die vragen er vanzelfsprekend om dat men gaat kijken of de data samen in een ordelijk soort schema geplaatst kunnen worden. Lukt dat, dan geeft dat het gevoel dat er grip op de materie groeit.

Biologie

Een prachtig voorbeeld daarvan in de biologie is de indeling van Carl Linnaeus van alle hem bekende soorten. In de decennia rond 1750 bedacht hij een indeling met een aantal niveaus. Linnaeus’ hoogste niveau is dat van de drie Rijken: het dieren-, planten- en mineralenrijk. Deze rijken werden vervolgens ingedeeld in klassen. Linnaeus onderscheidde 24 plantenklassen en drie minerale klassen: rotsen, ertsen en fossielen & sedimenten. En zes klassen van dieren: zoogdieren, vogels, amfibieën (inclusief de huidige reptielen), vissen, insecten en ongewervelden. Zijn indeling van het dierenrijk is in de moderne taxonomie nog goed te herkennen, dus hij was in veel opzichten niet ver verwijderd van de huidige opvattingen. Na de indeling in klassen volgde nog de verdere ordening in achtereenvolgens orden, geslachten en soorten. Op basis daarvan introduceerde hij het systeem van de dubbele naamgeving, bestaande uit geslacht + soort, dat de basis heeft gelegd voor het huidige namensysteem in de biologie. Zo is de leeuw een lid van het geslacht panthera en draagt de soortnaam panthera leo. De grote leeuwenbek is antirrhinum majus, de enige nog levende mensensoort is homo sapiens. De inzichten verkregen door de schema’s die dankzij Linnaeus konden worden getekend waren een onmisbare schakel in de totstandkoming van de evolutietheorie.

Scheikunde

De scheikunde biedt een ander schitterend voorbeeld van een schema dat enorm heeft bijgedragen aan de inzichten in het vakgebied. Het periodiek systeem droeg weliswaar niet bij aan de doorbraak van de scheikunde als wetenschap – want die vond al eerder plaats – maar wel aan een volgende doorbraak, waarbij de basis van de scheikunde in de atoomtheorie kon worden gevestigd.

Rond 1800 waren dankzij verbeterde laboratoriumtechnieken zo’n twintig elementen ontdekt, maar daar bleef het niet bij. De Russische chemicus Dmitri Mendelejev kende er in 1869 maar liefst 63. Omdat hij bovendien beschikte over meetresultaten van hun fysische en chemische eigenschappen, zag hij kans om ze te sorteren en ze samen in een overzichtelijk schema te plaatsen. Dat schema is later bekend geworden als het periodiek systeem der elementen, een pijler van de moderne scheikunde. In Tabel 5.1 heb ik de 63 elementen die Mendelejev kende ingevuld (met zwarte cijfers en letters).

Het was een sensationeel schema, want het was de eerste keer dat er een ordening opdook in de wirwar van duizenden scheikundige stoffen. Zo staan in de tabel de verschillende metalen in groepjes bij elkaar; recht onder elkaar vind je er de siermetalen koper (Cu, element nr. 29), zilver (Ag, nr. 47) en goud (Au, nr. 79), en dat voelt logisch. 

Terugkijkend, kun je je kritisch afvragen: is zo’n ordening nu echt wezenlijk anders dan de Kosmische Bokaal van Johannes Kepler in de aflevering van 17 maart van dit jaar? Ook die brengt toch een bepaalde logisch ogende ordening aan? Het antwoord is simpel. Keplers bokaal zou net zozeer een pijler van de hedendaagse wetenschap zijn geweest, indien hij geleid zou hebben tot succesvolle voorspellingen. Dat zou bijvoorbeeld het geval geweest zijn als de bokaal op de een of andere manier zou hebben geleid tot de ontdekking van de planeten Uranus en Neptunus, die In Keplers tijd nog onbekend waren. Dat gebeurde niet, integendeel: de bokaal verbood de ontdekking van nieuwe planeten, want het in die tijd bekende aantal van zes was cruciaal.

Mendelejevs systeem leidde wél tot voorspellingen. Want de chemicus ontdekte gaten in zijn schema. Hij voorspelde dat daar nog onontdekte elementen zouden moeten staan, en uit hun positie in het schema kon hij zelfs hun eigenschappen afleiden. Dankzij zijn voorspellingen wisten de laboranten precies hoe ze moesten kijken, en dat leidde spoedig tot succes. Want in 1875 werd gallium (Ga, nr. 31) ontdekt, in 1879 gevolgd door scandium (Sc, nr. 21) en in 1886 door germanium (Ge, 32). Je ziet ze in Tabel ‎5.1 in rood. Helaas was element 43 aanvankelijk niet te vinden. Achteraf was dat geen wonder, want het bleek om een element te gaan dat zo snel radioactief uiteenvalt dat het in de vrije natuur al heel lang niet meer bestaat. Pas in 1937 werd het kunstmatig gemaakt, waarna het element de passendenaam technetium (Tc, 43) kreeg.

In 1871 voorspelde Mendelejev ook nog het later ontdekte protactinium (Pa, 91). In zijn schema bleef echter één kolom leeg: die van de blauwe vakjes in de tabel. De reden bleek later, toen de eerste edelgassen ontdekt werden: helium en argon. Edelgassen nemen niet deel aan chemische reacties, worden daardoor niet in gesteenten of andere stoffen vastgelegd en zijn dus erg moeilijk te vinden. In 1902 zag Mendelejev kans om ze in zijn lege kolom in te vullen: helium (He) als element nummer 2, argon (Ar) als nummer 18. 

De lege vakjes van Tabel ‎5.1 zijn in de loop van de 20e eeuw allemaal ingevuld, het schema is compleet. Alle elementen vanaf nummer 93, waaronder bijvoorbeeld plutonium (Pu, 94), komen net als technetium niet van nature voor op Aarde en zijn kunstmatig gemaakt. In de tabel heb ik hun vakjes een achtergrondkleur gegeven.

Overigens bleek later dat Mendelejev niet 63 maar slechts 62 elementen bezat. Rond 1869 meende men dat dimymium een element was. Later bleek het een samengestelde stof, vooral bestaand uit praseodymium (Pr, nr. 59), neodymium (Nd, nr. 60) en samarium (Sm, nr. 60). De schema’s van Linnaeus en Mendelejev waren dus beide niet perfect maar wel een heel eind op de goede weg. Er is een stevige kans dat hetzelfde geldt voor diverse hedendaagse schema’s. Daarom is het goed om de woorden van de filosoof Bertrand Russell in gedachten te blijven houden. Hij merkte in 1925 op: “De wetenschap is niet gericht op het vestigen van onveranderlijke waarheden en eeuwige dogma's: het doel ervan is om de waarheid te naderen door opeenvolgende benaderingen, zonder te beweren dat in enig stadium definitieve en volledige nauwkeurigheid is bereikt.

4. Nieuwe woorden

Als er met behulp van schema’s een ordening is aangebracht in de massa aan nieuwe gegevens, dan heb je kans dat het lukt om de geconstateerde orde tot uitdrukking te brengen met behulp van nieuwe woorden, of met oude woorden in een nieuwe betekenis. Een voorbeeld daarvan is het scheikundige woord ‘element’, dat al in de oudheid gebruikt werd in de vorm van de welbekende elementen aarde, water, lucht en vuur, maar in de 19e eeuw voor de groeiende groep van niet te splitsen basisstoffen waarvan er ten tijde van Mendelejev 63 bekend waren.

Natuurkunde, scheikunde, biologie, geologie, economie

In hoofdstuk 2 heb ik diverse voorbeelden gegeven van de vervanging van oude woorden met een impetus-karakter door nieuwe. In de aflevering van 3 maart vertelde ik hoe het woord impetus zelf maakte plaats voor een verzameling bestaande uit onder meer kracht, energie, impuls en traagheid. In de scheikunde nam zuurstof de positie in die bekleed werd door phlogiston waardoor verbranden en roesten correct gedefinieerd konden worden. De week daarop, op 10 maart, liet ik zien hoe in de biologie odyle, élan vital, transmutatie en orthogenese door de zijdeur verdwenen terwijl evolutie zijn intrede deed. De geneeskunde verving hysterie als verklaringsbeginsel door het (vrouwelijk) orgasme en de geologie stopte met geosynclinaal ten gunste van platentektoniek. Op 3 april schreef ik over een aantal hedendaagse economische impetuswoorden.

Geneeskunde

Voor de aardigheid is hier één ander voorbeeld. Al sinds de oudheid was de overwegende opinie in de geneeskunde dat ziekten werden verspreid door slechte lucht: de naam malaria betekent dat zelfs letterlijk. Men sprak van miasma, ‘stank’, bijvoorbeeld afkomstig van rotting. In de loop van de 19e eeuw werd er door biologen en medici een heftige strijd gevoerd tussen de aanhangers van de miasmatheorie (waaronder de beroemde Florence Nightingale) en degenen die meenden dat ziekten werden overgebracht door ziektekiemen of pathogenen: levende micro-organismen zoals bacteriën en schimmels. Weliswaar zijn zulke besmettingen deels inderdaad overdraagbaar via de lucht, maar deels ook via water, voedsel of direct huidcontact. Geleidelijk won de pathogenentheorie, en daarmee ook een toenemende hygiëne in de ziekenhuizen: handenwassen en steriele instrumenten hebben daarna vele levens gered, onder meer door het verdwijnen van de kraamvrouwenkoorts. Pas rond 1880 was vrijwel iedere expert overtuigd van de ziektekiementheorie en was miasma aan de kant gezet als een (in mijn termen:) impetuswoord. Tegenwoordig kennen we naast de genoemde ziektekiemen ook protisten, de veel kleinere virussen, prionen en de allerkleinste ziekteverwekkers: viroïden.

Het is opmerkelijk om te zien hoezeer de Wet van Behoud van Geloof van toepassing is: “Wat eens bedacht is, verdwijnt nooit meer.” Want tot op de dag van vandaag zijn er zelfbenoemde ‘deskundigen’ in de ‘alternatieve geneeskunde’ die de ziektekiemtheorietegenspreken. Helaas dragen zij stevig bij aan een groeiende vijandige houding ten opzichte van vaccinaties.

5. Nieuw verhaal

Scholen. Allemaal scholen, ieder met zijn eigen verhaal. Dat is de kenmerkende situatie voor een vakgebied dat nog in zijn protofase zit. Op 10 maart heb ik een serie scholen van de protobiologie in de 18e en 19e eeuw beschreven, gevolgd een opsomming van economische scholen waarvan de meeste nog steeds aanhangers bezitten. Zo’n bonte verzameling scholen kan blijven bestaan, zolang een echt begrip van het vakgebied nog niet bereikt is. Voordat er een algemeen erkend fundament is gevonden, passen de ‘puzzelstukjes’ van het vakgebied nog niet of nauwelijks aan elkaar, zoals in Figuur 5.10 waar de ‘Gele School’, de ‘Groene School’ en de ‘Blauwe School’ nog allemaal vanaf hun eilandjes kunnen roepen dat alleen zij de waarheid verkondigen. (Let op de fouten in hun ‘oplossingen’.)

Wanneer dan de tijd aanbreekt dat de nieuwe gereedschappen, schema’s en woorden samen dwingend in één bepaalde richting wijzen, dan ontstaat er een nieuw verhaal dat – vermoedelijk na het nodige verzet – consensus brengt omtrent een fundamentele, veel omvattende theorie. Zoals rond 1880 de ziektekiementheorie, en zoals eerder Newtons krachtenleer (waarvan zijn zwaartekrachthypothese deel uitmaakt) en Darwins evolutietheorie. Ineens vallen allerlei puzzelstukjes op hun plaats. Het resultaat oogt als Figuur 5.11: een nieuwe wetenschap is geboren.

6. Nieuwe successen

Als op die manier allerlei puzzelstukjes op hun plaats vallen, breekt onmiddellijk meer succes uit, van diverse soorten.

Eén zo’n succes is: begrijpen. Binnen het vakgebied, en spoedig daarbuiten in de wijde samenleving, ontstaat het gevoel dat er iets echt begrepen wordt, dat er verklaringen gevonden zijn voor raadsels waarmee al tientallen, honderden of duizenden jaren geworsteld werd. Men krijgt het gevoel ‘dat het klopt’. Vanzelfsprekend wordt de theorie stevig op de proef gesteld, gelet op zowel de innerlijke samenhang als de relatie met de waarneembare werkelijkheid. Indien intensieve pogingen om die te falsificeren langdurig geen kans zien haar onderuit te halen, groeit de theorie in kracht.

Een vorm van succes is ook: technologie. Spoedig ontstaan er praktisch bruikbare resultaten, variërend van de stoommachine, de elektriciteit, de auto, de telecommunicatie en de digitale wereld tot chemische technologie, honderdduizenden nieuwe materialen, landbouwtechnieken, geneesmiddelen, chirurgie, genetische modificatie en weersverwachtingen. (Maar natuurlijk ook: massavernietigingswapens en klimaatverandering.)

Technologie is in feite een voorbeeld van voorspellende kracht. Immers, wie met behulp van een bouwtekening een computer in elkaar knutselt, voorspelt: “Ik zet die-en-die onderdelen zo-en-zo in elkaar en het resultaat werkt als een computer.”

Een ander soort succes is van een meer beschouwelijke aard. Deskundigen en leken kijken naar de nieuwe theorie met verwondering, ze zien er wellicht de schoonheid van. De nieuwe theorie helpt ons om te bepalen wie we zijn en wat onze plaats in de wereld is, bijvoorbeeld door ons te laten zien hoe onze psychische processen verlopen, hoe wij deel uitmaken van het aardse leven en de evolutie, of hoe oud onze soort, onze planeet en het universum zijn.

In het verlengde van dat alles is er ook de bijdrage aan de samenleving. Dankzij de technologie en de nieuwe inzichten kunnen we armoede bestrijden, hongerigen voeden, vrijheid, welvaart en luxe creëren, werk veraangenamen, informatie verspreiden, communicatie bevorderen, emancipatie, democratie en mensenrechten stimuleren en verdedigen. (Toegegeven: dezelfde wetenschappen kunnen ook precies het omgekeerde bevorderen, hetgeen door bepaalde mensen eveneens als een succes gezien zal worden.)

Vanzelfsprekend is er nog een vorm van succes: uitbreiding. Figuur 5.11 mag dan een middengebied hebben waarin de stukjes aan elkaar passen, maar er is ook een flinke rand waarin ze dat nog niet doen. Voortgaand succesvol onderzoek breidt het opgeloste gebied uit, zoals in Figuur 5.12. 

Zo werd de natuurkunde in de 19e eeuw uitgebreid met de leer van het elektromagnetisme en de scheikunde met het inzicht in de elementen. De biologie betrad in de twintigste eeuw het pad van de erfelijkheidsleer en het lezen en corrigeren van DNA-codes. In dezelfde eeuw redde de geneeskunde honderden miljoenen mensenlevens met vaccinatiecampagnes, antibiotica en hartoperaties terwijl de landbouwkunde de voedselproductie vergrootte tot een vooraf onmogelijk geachte hoogte. Maar tegelijk groeit met al die triomfen in iedere wetenschapstak ook voortdurend de onopgeloste rand: in Figuur 5.12 liggen meer losse puzzelstukjes dan in Figuur 5.11. Hoe meer je weet, hoe meer vragen je kunt stellen. Een wetenschap is nooit klaar. 

7. Nieuwe vragen

Een wetenschap is nooit klaar, want elk antwoord roept weer nieuwe vragen op. De natuurkunde illustreert dat op een grappige manier, want ooit – zo rond 1900 – was men van mening dat het atoom de kleinste eenheid van materie was. Niet voor niets gaf men ze een naam die was afgeleid van het Griekse a-tomos: ondeelbaar. Maar die veronderstelling riep vragen op, bijvoorbeeld over de redenen achter de structuur van het periodiek systeem van Mendelejev. Antwoorden op die vragen verschenen, toen gaandeweg duidelijk werd dat atomen uit kleinere onderdelen bestonden, die men optimistisch ‘elementaire deeltjes’ noemde: protonen en elektronen bijvoorbeeld. Maar in de loop van de 20e eeuw werden eigenschappen van protonen ontdekt die nieuwe vragen opwierpen omtrent het ‘elementaire’ karakter ervan, waarna men concludeerde dat protonen uit nog ‘elementairder’ deeltjes bestaan die de naam ‘quarks’ kregen. En je voelt hem misschien aankomen: de eigenschappen van quarks die in de laatste decennia werden vastgesteld, brachten sommige theoretici tot de hypothese dat quarks op hun beurt zijn opgebouwd uit deeltjes die zij de naam ‘preon’ gaven. Deze brokjes materie, die nog op geen enkele manier experimenteel bewezen zijn, zouden een grootte hebben van 1 zeptometer, dat is 10-21 meter: een miljoenste van de doorsnee van een atoom. Het is net lego! Maar dan met legosteentjes gemaakt van legosteentjes gemaakt van legosteentjes gemaakt van legosteentjes. Enzovoorts?

Dit verhaal illustreert de voorspellende kracht van de natuurkunde, want het bestaan van atomen, gevolgd door elementaire deeltjes en daarna quarks werd eerst theoretisch voorspeld en pas daarna experimenteel bewezen. Recente voorbeelden van zulke fenomenale successen zijn de ontdekking van het vooraf voorspelde Higgs-deeltje, bekendgemaakt op 4 juli 2012 en van zwaartekrachtgolven op 14 september 2015, waarna de eerste foto van een zwart gat op 10 april 2019 het bestaan daarvan zichtbaar maakte: zie Figuur 5.13.

Al deze voorspellingen leken aanvankelijk niet te falsificeren en zouden toen dus geen wetenschap genoemd mogen worden. Maar ze werden – soms pas een halve of een hele eeuw na de voorspelling – experimenteel bevestigd. Dat laat zien dat het breed aanvaarde falsificatieprincipe van Karl Popper niet te snel mag worden toegepast, omdat fantasierijke speculaties dan geen kans zouden krijgen. Maar, een waarschuwing: het is dan van cruciaal belang dat hun status van ‘fantasierijke speculatie’ voor iedereen helder blijft en dat er dus nóóit politiek, economisch of sociaal beleid op wordt gebaseerd. Ook niet ‘bij gebrek aan beter’, zoals in de economie nogal eens gebeurt.

Bestaan preonen, de bouwsteentjes van de quarks? Misschien. De vraag vormt één van de puzzelstukjes die in Figuur 5.12 los aan de rand liggen. Dat geldt ook voor een paar problemen waar de astronomie momenteel mee worstelt. Volgens relativistische berekeningen zouden melkwegstelsels uiteen moeten vallen maar dat doen ze niet, zou de uitdijing van het heelal moeten afnemen maar hij neemt juist toe, en zou de grove structuur van het heelal anders moeten zijn dan we waarnemen. Er zijn fantasierijke oplossingen voorgesteld in de vorm van respectievelijk  donkere materie, donkere energieen inflatie, dat is een supersnelle uitdijing van de ruimte in de eerste 10-32 seconde na de Big Bang. Dat zijn allemaal lossepuzzelstukjes aan de rand. Stuk voor stuk zijn deze hypothesen niet falsificeerbaar, want er is nog geen manier bedacht om ze via waarnemingen te controleren, al wordt daar druk op gepuzzeld.

Ook dichter bij huis bezitten de wetenschappen tal van andere spannende raadsels. Zo combineren chemici en biologen hun krachten op zoek naar de oorsprong van het Aardse leven, omdat aan de oudste biologische evolutie een chemische vooraf moet zijn gegaan waarvan veel details nog niet begrepen worden. De hoofdprijs die daar te veroveren valt is: bouw levende materie in het laboratorium, uitsluitend met behulp van levenloze chemische materialen. Geologen helpen bij de zoektocht door te speuren naar de fysieke omstandigheden in het oudste verleden van onze planeet. 

Intussen werken fysici, chemici en technologen samen om de mysterieuze grens te verkennen tussen de allerlaagste aggregatieniveaus waarin de wetten van de kwantummechanica heersen en de hoger gelegen schalen van moleculen, nano- en microtechnologie tot en met de alledaagse niveaus waarop mensen wonen en waarop de ‘gewone’ natuurkundige wetten van kracht zijn.

Daar waar levende organismen betrokken zijn speuren ook biologen mee naar antwoorden op een verwant fascinerend raadsel: de betekenis van de kwantummechanica voor het leven op het allerlaagste niveau: dat van de stofwisseling en het gedrag van chromosomen in levende cellen. Het gecombineerde vakgebied wordt kwantumbiologiegenoemd, en ook daar valt heel veel te ontdekken.

Biologen, chemici, energietechnologen en landbouwdeskundigen werken hecht samen aan het oplossen van een boeiende puzzel die in potentie grote gevolgen heeft voor de wereldwijde samenleving: het is de vraag naar een efficiëntere fotosynthese, het proces waarbij planten en algen met behulp van bladgroen zonlicht gebruiken om kooldioxide en water om te zetten in organische moleculen en zuurstof.

In de Aardse levende natuur is de fotosynthese bizar inefficiënt: slechts 3 tot 6% van het op de plant vallende zonlicht wordt benut, of volgens andere berekeningen zelfs nog veelminder. Daar zijn verschillende oorzaken voor, die voortkomen uit het feit dat de door toeval beheerste evolutie van groene planten niet echt de slimste chemische processen heeft opgeleverd. Een zo’n oorzaak is dat de planten slechts een klein gedeelte van het zonlicht opnemen: de rest wordt teruggekaatst en dus niet benut. Dat kun je zelf nagaan, want als planten het zonlicht wel 100% konden opnemen dan waren ze niet groen maar zwart, misschien wel zo zwart als een astronomisch zwart gat waaruit geen licht kan ontsnappen. (Planten waren dan onzichtbaar…)

Een andere oorzaak is dat het enzym rubisco, dat essentieel is voor de fotosynthese in planten, het niet zo goed doet: in ongeveer een kwart van de chemische reacties wordt per ongeluk niet een kooldioxidemolecuul gebonden maar een zuurstofmolecuul, waardoor er een schadelijke stof ontstaat die de plant ten koste van veel energie weer moet afbreken. Deze opmerkelijke en onnodige fout is waarschijnlijk ontstaan toen fotosynthese in de natuur voor het eerst werd ontwikkeld. Dat was in een periode waarin de Aardse atmosfeer nog bijna geen zuurstof bevatte en het probleem dus vrijwel betekenisloos was. Inmiddels bestaat de atmosfeer voor 20% uit zuurstof, maar heeft het plantenleven geen manier kunnen ontdekken om de rubisco-reactie te vervangen door een meer efficiënte fotosynthese.

Landbouwdeskundigen proberen nu voedingsgewassen te creëren die deze fout niet bevatten, waarmee ze de voedselopbrengst tot wel 40% hopen te verhogen. Tegelijk werken chemici en technici hard aan kunstmatige fotosynthese, niet in planten maar in zonnecellen, die het mogelijk moet maken om een veel hoger rendement te behalen dan dat van de huidige generatie zonnecellen.

8. Nieuw vuur

Donkere materie, donkere energie en kosmische inflatie, voorgesteld door astronomen, brengen geen wezenlijke veranderingen aan in de bestaande fysische theorieën: het zijn niet meer dan toevoegingen waarmee juist geprobeerd wordt om de theorie overeind te houden. Zo’n toevoeging was er al eens eerder, toen de zwaartekrachttheorie van Newton nieuwe vragen opriep. De banen van sommige planeten klopten niet, en als oplossing werd een nog onontdekte planeet voorgesteld. Die werd in 1846 ontdekt – hij kreeg de naam Neptunus – en Newtons theorie was gered. Later lukte het minder goed om een afwijking in de baan van Mercurius op zo’n zelfde manier te verklaren, waarna Einstein gelukkig met een alternatieve theorie kwam die het probleem oploste.

Wat zou er gebeurd zijn als hij dat niet gedaan had? Volgens wetenschapsfilosoof Imre Lakatos waren er dan vast en zeker allerlei andere oplossingen geprobeerd, van kosmische stofwolken tot magnetische velden of wat dan ook, om Newtons theorie te overeind te houden. Want een succesvolle theorie geef je niet zomaar op als je geen vervanging hebt. Dat is een risico, want als je niet oppast creëer je bovenop een schitterende theorie een hele verzameling extraatjes, ‘stoplappen’, allemaal bedoeld om de geliefde theorie te redden. Een bepaalde theoretische flexibiliteit is prima, maar als je die te ver doorvoert verander je een goede theorie in een soort kauwgom: hij past altijd en dus zeg je er eigenlijk niets meer mee.

Stoplappen zijn niet meer voldoende als de theoretische problemen te groot worden. Zo zouden de natuur- en sterrenkundigen dolgraag een heuse Theorie van Alles willen ontwerpen, maar het lukt ze niet. Al zo’n honderd jaar bezitten ze twee machtige bouwwerken: Einsteins algemene relativiteitstheorie en de kwantummechanica. De eerste is vooral toepasbaar op kosmische schaal, als er enorme massa’s in het spel zijn en reusachtige afstanden en tijdsduren. De tweede gaat juist over het allerkleinste, dus over moleculen, atomen, elementaire deeltjes en quarks (en preonen?). Je zou zeggen: die twee theorieën komen elkaar nooit tegen, maar dat is niet zo. In bepaalde extreme omstandigheden zijn ze allebei tegelijk nodig. Een zo’n situatie zie je in Figuur 5.13, waar het gaat om het spannende gebied vlakbij een zwart gat. Een andere is de toestand direct na de Big Bang (in de inflatieperiode, als die er echt was). Het probleem is: de twee theorieën verdragen elkaar niet. Ze zijn onderling niet kloppend te maken – tot nu toe. 

En dus zijn er in de loop van een eeuw enthousiast allerlei oplossingen naar voren geschoven. Aangezien het probleem niet met een soort stoplapje valt op te lossen, is de creativiteit van de fysici flink gestimuleerd. Er zijn allerlei revolutionaire ideeën voorgesteld, van stringtheorieën tot hologrammen en met fantasievolle namen zoals MOND (Modified Newtonian dynamics), lusquantumgravitatie, Erik Verlinde’s entropische gravitatie, ook emergente gravitatie genoemd. De strijd woedt hevig, de emoties lopen soms hoog op, en dat zal nog wel even voortduren, aangezien de mogelijkheden voor empirische toetsing schaars zijn en er dus nog geen scheidsrechter is om te bepalen wie er gelijk heeft. 

De situatie – elkaar bestrijdende scholen in de moderne fysica – lijkt oppervlakkig gezien op de veelheid aan scholen in de economie. In werkelijkheid is de situatie echter fundamenteel anders, precies zoals Figuur 5.12 (gevorderde wetenschap) heel anders is dan Figuur 5.10 (protowetenschap), want de wetenschappelijke twist vindt plaats aan de rand van een omvangrijk gebied van overeenstemming, terwijl de protowetenschappelijke strijd zo’n gebied nog helemaal niet heeft. Het is precies dit, wat het verschil uitmaakt tussen proto- en volwassen wetenschap.

Het vuur van zo’n twist in een gevorderd wetenschapsgebied is geweldig, het levert enorm veel geestelijke energie en vrije denkers op. Een wetenschap zonder zulke geschillen is in slaap gesukkeld. Wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend schreef daarover:

“De alomtegenwoordigheid van een bepaald gezichtspunt is geen teken van uitmuntendheid of een aanwijzing dat de waarheid of een deel van de waarheid eindelijk is gevonden. Het is eerder de aanwijzing dat er geen reden is om geschikte alternatieven te vinden die kunnen worden gebruikt om een toevallig tussenstadium van onze kennis te overstijgen.”

De revolutie

Als een van de gloednieuwe theorieën het blijkt te winnen, dan gebeurt wat beschreven is door Feyerabends collega Thomas Kuhn: dan breekt de revolutie uit. Dan maken oude kernwoorden, de tot dan toe heersende paradigma’s, plaats voor nieuwe. Dat is wat er gebeurde toen Newtons paradigma kracht vervangen werd door Einsteins kromming als verklaring voor de vormen van planeet- en kogelbanen. Als de zojuist genoemde Erik Verlinde gelijk krijgt wordt Einsteins kromming op zijn beurt vervangen door Verlindes entropische gravitatie.

In een niet op FTM gepubliceerd gedeelte van mijn boek – sorry, je zult op de boekpublicatie moeten wachten – schreef ik over het positivistische beeld van de Received View, dat ik schetste met de woorden: Het bedrijven van wetenschap is een continu voortbouwen, waarbij de ene verdieping bovenop de andere geconstrueerd wordt. De wetenschap gaat steeds vooruit. Het optreden van pogingen om de heersende theorieën ‘met stoplappen te redden’ doet het beeld van de nobele wetenschap daarbij geen goed maar is nog te rechtvaardigen. Maar wetenschappelijke revoluties, die het majestueuze bouwwerk voor een deel slopen? Dat is een heel ander verhaal. Wetenschap wordt bedreven op een heel wat complexere manier dan menigeen rond 1950 veronderstelde.

En toch moet ook dit revolutionaire beeld gerelativeerd worden. Want een revolutie binnen de wetenschap pakt anders uit dan een revolutie in een protowetenschap

Neem nu: de kosmische theorie van Ptolemaeus. De Griek Claudius Ptolemaeus leefde rond het jaar 150 in Alexandrië, waar hij de kennis van zijn tijd samenvatte in een model waarin alle planeten en de Zon en de Maan in cirkelbanen rondom de Aarde draaiden. (Liever gezegd: in epicykels, cirkels waarvan het middelpunt een cirkelbaan rondom de aarde uitvoerde.) Maar in de renaissance brak de spreekwoordelijke Copernicaanse Revolutie uit toen Nicolaus Copernicus het middelpunt van de kosmos naar de Zon verplaatste. De wetenschappelijke, soms (dankzij de Katholieke Kerk) dodelijke strijd die toen losbarstte werd pas definitief beslecht nadat Newton anderhalve eeuw later zijn theorie publiceerde. Tegenwoordig gebruikt niemand het Ptolemeïsche wereldbeeld nog, behalve bij wijze van geschiedenisles. ‘Ptolemaeus’ is afgeschaft en vergeten.

Vergelijk dat eens met de latere Einsteiniaanse Revolutie. Met zijn Algemene Relativiteitstheorie trok Einstein het universum ‘krom’, zoals symbolisch is weergegeven in Figuur 5.14. Je zou misschien verwachten dat ‘Newton’, achterhaald als de theorie is, daarna net als ‘Ptolemaeus’ door de zijdeur verdwenen is. Maar dat is niet het geval. In de jaren dat ik natuurkunde doceerde in het middelbaar onderwijs, heb ik met verve Newtons zwaartekracht uitgelegd aan mijn leerlingen en ze ermee laten rekenen. Waarom? Omdat de theorie verre van waardeloos is geworden. De reden kun je zien door Figuur 5.14 met Figuur 5.12 te vergelijken. De rode rechthoek in Figuur 5.12 is in de latere afbeelding terug te vinden in een kromgetrokken versie. Misschien kun je je voorstellen: zolang je uitsluitend berekeningen uitvoert binnen de rode rechthoek merkt niemand het verschil, op dezelfde manier zoals een architect die een huis ontwerpt geen rekening hoeft te houden met de kromming van de grond omdat de planeet Aarde bol is en niet plat. Op kleine schaal is Newtons theorie precies even goed als die van Einstein, maar véél gemakkelijker om mee te werken, want de benodigde wiskunde kunnen leerlingen op school prima aan, en dat geldt bepaald niet voor de wiskunde van gekromde ruimtes die voor ‘Einstein’ nodig is. Newton is beslist niet overbodig geworden, zijn theorie doet het nog prima.

Even terzijde: de afbeelding die ik als bron gebruikte voor figuren zoals Figuur 5.12 en Figuur 5.14 is een fractal, een wiskundige figuur waarover je meer kunt vinden op https://niko.roorda.nu/computer-programs/mathart-mathematical-art

De conclusie is: als succesvolle wetenschappelijke theorieën worden ingehaald door nieuwe theorieën, al dan niet via een revolutie, behouden ze hun waarde: de wijziging is niet dat ze worden weggegooid maar dat er een beperking wordt opgelegd aan het gebied waarin ze kunnen worden toegepast. Dat is ook logisch, aangezien ze binnen dat beperkte gebied uitvoerig zijn beproefd en daar hun waarde hebben bewezen.

Maar als protowetenschappelijke modellen omvergeworpen worden in een revolutie, worden ze daarna afgeschaft en vergeten – behalve als ze voortbestaan in een schimmig rijk van pseudowetenschap en bijgeloof, conform de Wet van Behoud van Geloof. Denk aan: astrologie, iriscopie, homeopathie, creationisme, complottheorieën, voodoo.

Tenslotte

Vanzelfsprekend is nu de vraag, wat dit allemaal betekent voor de protowetenschap economie. Het spreekt vanzelf, gezien alle voorafgaande afleveringen op Follow the Money, dat een bescheiden bijstelling van de economie niet voldoende is. Er is een heuse copernicaanse revolutie nodig. Heel hard nodig, want in de afleveringen van mijn Hoofdstuk 3, van 14 april tot en met 12 mei, heb ik snoeihard laten zien dat alle grote catastrofes voortkomen uit de mythische ideeën van het huidige economisch denken: van klimaatverandering en uitstervende soorten tot en met een explosief groeiende ongelijkheid en instortende beurzen.

Welke fysieke en mentale gereedschappen staan er klaar om de revolutie tot stand te brengen die de doorbraak naar wetenschap bewerkstelligen? Welke woorden gaan er gebruikt, welke verhalen gaan er verteld worden? Bovenal: als het lukt om een volwassen omniconomische wetenschap te ontwikkelen, wat gebeurt er dan met de huidige economische modellen? Met het beleid van regeringen en ondernemingen? Met de mensheid, de natuur en de planeet?

Voordat ik mijn verhaal op Follow the Money afrond, benadruk ik hier alvast dat, waar ik schrijf over revoluties, ik uitsluitend doel op wetenschappelijke of technologische revoluties en niet op maatschappelijke omwentelingen. Zowel de Franse als de Russische Revolutie hebben grote ellende veroorzaakt, en ik ken geen voorbeeld van een disruptieve revolutie in de samenleving die dat niet deed. In het slothoofdstuk kom ik hier uitgebreid op terug, maar ik vertel je alvast dat het doel van mijn boek is om bij te dragen aan een revolutie in de economie als vakgebied en daarmee aan een gezonde, vreedzame evolutie van de menselijke samenleving.

In deze aflevering heb ik het pad geschetst waarlangs wetenschappen tot stand komen. In de rest van mijn boek laat ik zien hoe dat voor het vakgebied economie dient te gaan gebeuren. De eerste stap daarvan is, het vakgebied economie af te schaffen en te vervangen door het veel en veel bredere vakgebied omniconomie. Een van de beginregels van die nieuw te creëren echte wetenschap is, dat het begrip ‘externaliteit’ (zie o.a. 10 februari) verboden is; zo lang als het niet lukt om een systeem te beschrijven zonder van externaliteiten gebruik te maken, moet dat systeem groter gemaakt worden totdat alles wat belangrijk is er deel van uitmaakt. Dat is een logische en noodzakelijke voorwaarde om rampen te voorkomen, en het is een blamage van de huidige dominante economische theorieën dat ze dat principe niet toepassen.

In de rest van mijn boek beschrijf ik het pad waarlangs de vervanging van economie door omniconomie daadwerkelijk kan plaatsvinden. Aangezien dat niet meer op Follow the Money verschijnt, zul je geduld moeten hebben als je het wilt lezen: ik schat dat ik nog een jaar of wat nodig heb, waarin ik de laatste hoofdstukken (die ik in mijn hoofd klaar heb) in de computer intyp, waarna feedback zal leiden tot bijstellingen en redactie. Daarna neemt het opmaak- en drukproces ook een aantal maanden in beslag. Voor dat alles samen lijkt me een schatting van een jaar realistisch.

Ik zal te zijner tijd, als het boek verschijnt, de redactie van FTM vragen om jullie een seintje te geven. Je kunt je bovendien met mij verbinden via Linkedin: ga naar https://www.linkedin.com/in/nikoroorda en stel me voor om te linken. Als je daarbij in de bijbehorende boodschap het woord ‘omniconomie’ vermeldt, zal ik je linkvoorstel zeker accepteren, waarna je zo nu en dan van mij een berichtje kunt verwachten. Als je misschien wilt helpen om het maatschappelijke en wetenschappelijke proces rondom mijn boek op gang te krijgen, laat het me weten via Linkedin, of kijk op https://niko.roorda.nu/contact en stuur me een email. Alle hulp is welkom: mediacontacten, budget, netwerken, wetenschappelijke expertise, organisatorische ondersteuning. Ik hoor graag van je.

Tot slot wil ik iedereen heel hartelijk danken voor het lezen van mijn artikelen en het geven van feedback, adviezen en stevige discussies. Ik heb er geweldig veel aan gehad. De redactie van Follow the Money dank ik voor hun goede zorgen, zorgvuldig overleg en deskundige begeleiding, en vooral voor het feit dat zij bereid waren om dit ‘experiment’ – het publiceren van een nog onvoltooid boek in afleveringen – met mij aan te gaan en gedurende meer dan 50 afleveringen vol te houden. We houden contact!

Niko Roorda

November 2019

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 762 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1622 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier