© Ministerie van Defensie

Waarom het zo moeilijk is om schone handen te houden bij militaire missies [interview]

    Uit onderzoek van Brandpunt bleek deze week dat Nederlandse militairen mogelijk militieleden van een krijgsheer in Uruzgan hebben getraind en hebben samengewerkt met lokale heersers die zich schuldig maakten aan kindermisbruik. Heeft ons land de situatie onderschat? Follow the Money interviewde Afghanistan-veteraan Martijn Kitzen van de Nederlandse Defensie Academie, die deze maand zijn proefschrift verdedigde over moderne oorlogvoering.

    In 2003, toen de Amerikanen na de inval in Afghanistan en Irak werden geconfronteerd met een gewapende opstand, maakte de zogenoemde counter-insurgency een comeback. Het doel hiervan is om met behulp van de gelijktijdige inzet van zowel civiele als militaire middelen niet alleen een opstand de kop in te drukken, maar ook de kernoorzaken hiervan aan te pakken. Koloniale mogendheden (zoals Nederland) waren al bekend met een traditionele benadering van counter-insurgency, waarbij het doel was om in te spelen op guerrillatactieken, en de Amerikanen hadden er eerder mee te maken gehad in de Vietnam-oorlog.

    Toch waren de Amerikaanse en Europese troepen niet voorbereid op de opstanden in Irak en Afghanistan, en hadden ze geen heldere (modernere) doctrine waar zij op konden terugvallen. Amerikaanse generaals (met name David Barno in Afghanistan en David Patraeus in Noord-Irak) stelden voor de oplossing te zoeken in counter-insurgency. ‘Dit betekende het begin van een moeizaam leerproces dat uiteindelijk leidde tot de invoering van een nieuwe strategie in Irak in 2007. In Afghanistan duurde het zelfs tot 2010 voordat er gesproken kon worden van een counter-insurgency-campagne. En dat verklaart waarom de Nederlanders in Uruzgan zelf op zoek moesten naar een methode om de Taliban te bestrijden en de positie van de regering te versterken,’ aldus Martijn Kitzen. Voor zijn promotieonderzoek vergeleek hij de traditionele Nederlandse counter-insurgency-aanpak, zoals die werd toegepast in koloniale oorlogen zoals Atjeh (1873-1913), met meer moderne conflicten zoals die in Afghanistan, waar hij zelf ook diende. Kitzen: ‘Je ziet bij counter-insurgency dat het wiel elke keer weer opnieuw wordt uitgevonden. We hebben de problemen al lang en breed geïdentificeerd, maar zijn vooralsnog niet in staat geweest ervan te leren.’

    Civiel en militair

    Als blauwdruk voor zijn onderzoek gebruikte Kitzen een vierluik (zie onderstaande figuur) waarbij het soort maatschappij waarin je als vreemde macht terecht komt, leidend is voor de methodes die je gebruikt. Daarbij kunnen de zogeheten persuasive methods vergeleken worden met een wortel die je partners voorhoudt (zoals vernieuwing van lokale infrastructuur) en coercive methods met een stok om mee te slaan. Precies deze combinatie van civiele en militaire benadering is zo kenmerkend voor counter-insurgency.

    ‘Binnen dit spectrum ga je op zoek naar bondgenoten,’ aldus Kitzen, ‘en dat begint in de praktijk met het contact zoeken met degenen die daar op dat moment de macht hebben. Nederland heeft in Uruzgan samengewerkt met tribale leiders en daar plukten wij in 2010 de vruchten van. Er was een zekere tribale balans. Deze balans kun je niet verkrijgen zodra je de lokale machthebbers volledig buitenspel zet. Zij zullen het uiteindelijk zelf moeten regelen en je streeft naar een duurzaam eindresultaat. Met krijgsheren zoals Matiullah Khan mochten de Nederlandse troepen uiteindelijk niet samenwerken, maar toch is dat wel degelijk geprobeerd. Dat is namelijk de enige manier waarop je enigszins vat op zo iemand kunt krijgen. Zo kregen de Nederlanders het voor elkaar dat hij ook deelnam aan vergaderingen met de provinciale veiligheidsraad. Let wel, het operationaliseren van eigenbelang — zoals dat van Matiullah — is hier de sleutel tot succes.’

    De aanwezigheid van internationale troepen bleek ook de sleutel tot het persoonlijke succes van Matiullah Kahn. Kitzen: ‘Hij is rijk geworden met de beveiliging van de weg tussen Kandahar en Kamp Holland, in Tarin Kot. Hij vroeg tussen de 2000 en 3000 dollar per truck, en in een slechte maand verdiende hij 100.000 dollar. De Australiërs hebben geprobeerd hier omheen te werken, maar toen kwamen ineens de chauffeurs niet opdagen. Matiullah had ze persoonlijk allemaal afgebeld.’ Op de vraag hoe het mogelijk is dat Matiullah rijk is geworden door deals met de internationale troepenmacht die zelf meent geen zaken met hem te hebben gedaan, antwoordt Kitzen: ‘Nederland heeft inderdaad vrij snel gezegd dat het niet langer samen wilde werken met de man. Maar vergeet niet, Nederland werkte wel weer samen met particuliere bedrijven. Hoe denk je dat die hun spullen over die wegen krijgen? Die kosten worden toch uiteindelijk doorberekend aan Nederland. De vraag is of de politiek hier van op de hoogte was. Tegelijkertijd moet je wel beseffen dat Nederlandse militairen op pad worden gestuurd met een lijstje waarop staat met wie zij wel en niet mogen samenwerken. Om het doel te bereiken, ga je daar pragmatisch aan de slag. De feiten spreken voor zich: Khan is de machtigste commandant van Zuid-Afghanistan geworden in de periode dat wij er wel zaten, maar niet met hem samenwerkten.’

    Worden Nederlandse troepen gedwongen om pragmatisch te zijn?

    Dubbele signalen

    Worden Nederlandse troepen gedwongen om pragmatisch te zijn? Kitzen meent van wel: ‘In het begin van de missie in Afghanistan werd vanuit Den Haag gemeld dat er niet mocht worden samengewerkt met milities. Maar ondertussen zaten we wel met een zeer beperkt aantal troepen. Je hebt uiteindelijk toch mensen nodig om de dorpen te beveiligen.’ Hij wijst er tevens op dat Den Haag hier ook dubbele signalen geeft. In de Kamerbrief van 24 september 2007 over de Slag bij Chora, waar Nederlandse troepen onder de NAVO-missie ISAF samenwerkten met milities om de stad uit handen van de Taliban te houden, is te lezen dat de milities ‘niet opereren onder commando van ISAF en er is geen sprake van structurele samenwerking van ISAF en milities’. Desalniettemin schreven toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Verhagen en minister van Defensie Van Middelkoop dat ‘over de samenwerking met burgerwachten kan worden vermeld dat burgerwachten geen georganiseerde groepen zijn, maar naar eeuwenoud gebruik in (zuid) Afghanistan ad hoc door dorpsoudsten worden samengesteld. In voorkomend geval melden lokale burgerwachten zich om uit zelfverdediging of ter verdediging van stamgenoten de Taliban te bestrijden. Er kan begrip worden opgebracht voor de inwoners van Chora die onder directe dreiging zichzelf en hun familie en gemeenschap wilden beschermen.’ Volgens Kitzen komt dit neer op een politieke legitimatie voor het samenwerken met de milities van de stamleider Rozi Kahn. Daarnaast wijst hij er op dat de classificatie ‘geen structurele samenwerking’ moeilijk vol te houden is, als je beseft dat diezelfde Rozi Kahn vervolgens districtchef van Chora werd.

    Hoe is het mogelijk dat Nederlandse militairen mogelijk militieleden van Mutiullah Kahn hebben getraind? Navraag bij diverse militairen die op uitzending zijn geweest naar Uruzgan melden dat het overzicht lastig te bewaren was. Zo waren alleen al in de regio Uruzugan de Afghan National Police (ANP), de Afghan Uniformed Police (AUP), Afghan Auxilary Police (AAP), Afghan Border Police (ABP) en Afghan Highway Police (AHP) actief. Diverse lokale politiemachten geleid door lokale baasjes die — indien nodig — er niet voor terugschrokken om hun vuurkracht tegen elkaar in te zetten om concurrentiegeschillen te beslechten. Kitzen bevestigt dit: ‘Volgens het ANAP (Afghan National Auxiliary Police) programma [van de NAVO, red] mochten bijvoorbeeld militieleden wel gerekruteerd worden als hulppolitietroepen — en dan mag je ineens wel samenwerken met milities. Het lijkt mij stug dat militairen willens en wetens militieleden van Mutiullah Kahn hebben opgeleid, maar ik kan zeker niet uitsluiten dat dit is gebeurd.’


    Martijn Kitzen

    "Je bent als lokale leider geen knip voor de neus waard als je je positie niet gebruikt om er zelf beter van te worden"

    En de beschuldigingen van samenwerken met heersers die zich schuldig hebben gemaakt aan kindermisbruik? ‘Lokale leiders gaan in sommige gevallen zelfs met elkaar strijd aan om dit soort prostitutie, dat zag je tijdens de Atjeh-oorlog ook al gebeuren. Tegelijkertijd zijn lokale commandanten die zich hier schuldig aan maken ook makkelijk te missen: zij zijn meer afhankelijk van ons, dan wij van hun. Een politiebaas is meestal geen belangrijke tribale commandant, maar meer een zetbaasje. Als dergelijke figuren zich vervolgens schuldig maken aan misbruik waar de lokale bevolking ook niet op zit te wachten, kun je zo iemand echt straffen door zijn functie af te pakken. Vaak zie je dat ze de functie als politiebaas ook op andere manieren compleet uitbuiten. Zo wordt niet zelden een politiepost gebruikt om in een stammenconflict de eigen positie te verbeteren. Ik heb meegemaakt dat er ineens prikkeldraad om een begraafplaats lag en de lokale bevolking tol moest betalen om de graven van hun voorouders te bezoeken. Puur machtsmisbruik kom je tegen, zowel in de vorm van prostitutie als het vullen van de eigen zakken. Deze donkere zijde moet je zoveel mogelijk proberen in te perken, maar je kunt het helaas niet voorkomen. Het maakt deel uit van de overlevingsstrategieën in dit soort samenlevingen: je bent als lokale leider geen knip voor de neus waard als je je positie niet gebruikt om er zelf beter van te worden. Wij kunnen dan heel verheven vanaf de Haagse stoel of vanuit het veilige Nederland ons ongenoegen uiten, maar je moet toch echt ter plekke het verschil gaan maken.’

    Lessen leren

    Zorgt dit soort berichten over samenwerken met kindermisbruikers en militieleden niet voor nog meer micro-management voor missies vanuit Den Haag? Kitzen: ‘Het is belangrijk dat wij de lessen van deze conflicten gaan leren. Les 1: het gaat eerst om stabiliteit. Democratie en bijvoorbeeld gendergelijkheid zijn mooi, maar iets voor de lange termijn. In de eerste instantie moet je een conflict laten luwen en zorgen dat er simpelweg niet meer gevochten wordt. Voor bepaalde politici is het heel lastig om prioriteiten te stellen op basis van een tijdspad. Die lokale samenwerking is een heel vervelende, maar noodzakelijke eerste stap. Ik zie het dan ook als de taak van politici om hier eerlijk over te zijn en dit uit te leggen, maar soms vraag ik mij af of ze al zo ver zijn en enig idee hebben onder wat voor omstandigheden militairen opereren.’

    ‘Vergeet die hearts, de minds zijn al moeilijk genoeg’

    Daarnaast hekelt Kitzen politiek opportunisme waarbij gebeurtenissen worden aangegrepen om succes van een bepaald beleid onterecht te claimen. ‘De verkiezingen in Afghanistan in 2009 werden gepresenteerd als een mijlpaal, als een succes. Er zijn inderdaad geen gewelddadige incidenten geweest, maar intussen hebben lokale krijgsheren de verkiezingen aangegrepen om hun macht te consolideren. Zij vinden democratie hartstikke leuk, mits de uitslag hen kan helpen om een sterkere positie voor zichzelf te forceren. Het gaat dan ook niet om het winnen van de hearts and minds. Vergeet die hearts, de minds zijn al moeilijk genoeg. Je moet mensen overtuigen dat het in hun voordeel is om met jou samen te werken. Voor sommige lokale partners gaat het om ordinair eigen gewin, voor anderen om het zoveel mogelijk beperken van schade. Delen van de bevolking die jouw tegenstander steunen, moet je bijvoorbeeld geen ontwikkelingshulp geven. Als ze zien dat anderen dat wel krijgen, kun je tenminste duidelijk uitleggen onder welke voorwaarden zij hun voordeel kunnen behalen. Je moet sancties kunnen opleggen als partners onewenst gedrag vertonen: dit kan door in sommige gevallen bepaalde partners (tijdelijk) uit te sluiten van ontwikkelingshulp. Het is niet slim om aan iedereen wortels uit te delen, want zo heb je ook geen enkel controlemechanisme. Uiteraard heeft deze niet-strategische omgang met ontwikkelingsgeld een politieke reden. Feitelijk is een counter-insurgency-operatie verkocht als een wederopbouwmissie.’

    Oftewel: als Nederlandse politici of het Nederlandse volk onder geen enkele beding wil samenwerken met lokale heersers die zich schuldig maken aan machtsmisbruik, zit er maar één ding op: thuisblijven. Een duurzaam eindresultaat en wederopbouw zijn onmogelijk zonder dat de lokale machthebbers ervan overtuigd zijn dat de bron van het conflict dient te worden aangepakt.

    De ‘lekenversie’ van Martijn Kitzen’s dissertatie, getiteld ‘Oorlog onder de Mensen: militaire inzichten uit Atjeh en Uruzgan’ is sinds vorige week verkrijgbaar.

    Reactie ministerie van Defensie

    De ISAF-missie had op basis van het mandaat als taak het brengen van stabiliteit. Het fenomeen van bacha bazi [kinderprostitutie, red] is een uitermate complex onderwerp en bestaat al eeuwen. De VN en de EU spannen zich nog steeds in om het seksueel misbruik tegen te gaan. Voorop staat dat seksueel misbruik onder alle omstandigheden onacceptabel is. Het is verwerpelijk, maar helaas wel de harde realiteit. Omdat bacha bazi in de Afghaanse wet niet verboden is, werd door Nederland destijds gekozen voor pragmatische oplossingen; bijvoorbeeld door de aanwezigheid van minderjarigen op Nederlandse bases, alsook op bases van Afghaanse veiligheidsdiensten die onder Nederlands toezicht stonden, te verbieden.

    Het ministerie verwijst verder naar de Eindevaluatie Nederlandse bijdrage aan ISAF, 2006-2010.

    Lees verder Inklappen

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Dieuwertje Kuijpers

    Gevolgd door 1022 leden

    Geopolitiek junkie. Statistiek-pieler. Niet geïnteresseerd in politieke poppetjes, wel in mechanismes die deze voortbrengen.

    Volg Dieuwertje Kuijpers
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren