Beeld © Johanna Walderdorff

Multinationals trekken aan het langste eind in gevecht om bronbelasting

4 Connecties

Relaties

Wet bronbelasting

Personen

Arjan van der Linde

Organisaties

OESO AmCham
13 Bijdragen

De vorig jaar ingevoerde Wet bronbelasting moet het multinationals onmogelijk maken via Nederland geld onbelast weg te sluizen naar belastingparadijzen. Terwijl deze wet in Den Haag werd voorgekookt, stond de American Chamber of Commerce herhaaldelijk bij het ministerie van Financiën op de stoep. Op één cruciaal punt waren de lobbyclub en ambtenaren het eens: de keuze voor een nauwe definitie van royalty’s.

Dit stuk in 1 minuut
  • Dit zesde (en voorlopig laatste) artikel in de tweede reeks over de American Chamber of Commerce (AmCham) zet uiteen waarom de vorig jaar ingevoerde Wet bronbelasting geen zoden aan de dijk zet in de strijd tegen belastingontwijking. 
  • Om een groot deel van de winstbelasting te ontlopen, maken veel multinationals betalingen over aan belastingparadijzen. Dergelijke geldstromen zijn daar immers (zo goed als) onbelast. Bronbelasting in Nederland moet dit bemoeilijken.  
  • Toen de wet in de steigers stond, heeft AmCham als vertegenwoordiger van het Amerikaanse bedrijfsleven in Nederland bij het ministerie van Financiën duidelijk haar wensen uitgesproken. 
  • Eén specifieke wens kwam uit: de keuze voor een nauwe definitie van royalty’s. Deze nauwe definitie biedt het internationale bedrijfsleven ruime mogelijkheden om onder de bronheffing uit te komen.
Lees verder

Op 8 februari 2019 melden zich vier fiscalisten van General Electric, EY, Baker McKenzie en Exxon Mobil bij het ministerie van Financiën. Namens de American Chamber of Commerce (AmCham) komen zij praten over de uitwerking van nieuwe Europese regels tegen belastingontwijking. 

Zes ambtenaren zitten klaar om het verhaal van de lobbyisten aan te horen: vier mensen van de directie Fiscale Zaken, één van de afdeling Winst bij de directie Directe Belastingen, en één iemand van de Belastingdienst. 

Daags tevoren is er nog even contact: ‘Ik heb via XXXXX begrepen dat jullie ook graag jullie ideeën over de bronbelasting met ons delen. Heb dit toegevoegd aan de agenda,’ mailt een van de ambtenaren aan Arjan van der Linde. ‘Dank voor de aangepaste agenda. We zijn morgenmiddag ruim op tijd in de centrale hal. Tot dan!,’ antwoordt de toenmalige voorzitter van AmChams Tax Committee. In dat comité zitten 41 fiscale experts van onder meer Viacom, Netflix, Pfizer en Nike.

Uit het verslag van de ontmoeting met het ministerie blijkt dat AmCham tijdens het overleg opnieuw pleit voor het hanteren van een beperkte definitie van royalty’s in de Wet bronbelasting. Opnieuw, omdat Van der Linde samen met dezelfde drie collega’s van het Tax Committee precies één week daarvoor ook al naar het Korte Voorhout in Den Haag trok om op het departement over fiscaal beleid te praten. Bij die gelegenheid kwam de Wet bronbelasting uitgebreider aan bod, blijkt uit een verslag dat deel uitmaakt van documenten die door het ministerie van Financiën zijn vrijgegeven onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). 

De documenten roepen vragen op. Eerst en vooral: waarom voelt het (Amerikaanse) bedrijfsleven zich genoodzaakt een poging te doen het wetgevende proces bij te sturen? 

Belastingadvieskantoren lobbyen mee met hun eigen klanten

Deloitte, KPMG Meijburg, PwC en EY – samen ook wel de Big Four genoemd – staan op de ledenlijst van AmCham. Van ieder van deze accountant- en belastingadvieskantoren draait bovendien een fiscalist mee in het Tax Committee: respectievelijk Godfried Schutz, Aroen Rambhadjan, Regina van der Kuip en Eric Westerburgen – een van de commercieelste belastingpartners binnen EY.       

Een fiscalist die voor dit artikel is geïnterviewd, maar anoniem wil blijven, legt uit dat waarschijnlijk alle multinationals hun belastingpositie laten optimaliseren door deze advieskantoren, alsook door de grote commerciële law firms, waaronder (AmCham-leden) Baker McKenzie, Greenberg Traurig en Jones Day. ‘Het is onwaarschijnlijk dat multinationals aan belastingontduiking doen, maar dat is ook helemaal niet nodig: de risico’s [op belastingafdracht] kunnen op legaal verdedigbare manieren maximaal worden teruggebracht.’

‘EY heeft heel veel Amerikaanse bedrijven als klant,’ vertelt de fiscalist. ‘Onder andere dat kantoor heeft massaal de cv/bv-structuur verkocht – is misschien zelfs wel de uitvinder van deze constructie.’ Hij vindt het enigszins opmerkelijk dat Westerburgen begin februari 2019 bij Financiën is gaan lobbyen voor gunstig fiscaal beleid, samen met collega-fiscalisten van bedrijven die (potentieel) tot zijn klantenkring behoren.

Marcel Pheijffer kijkt hier niet van op. ‘We kunnen daar van alles van vinden, maar het is niet verboden,’ zegt de hoogleraar accountancy aan de Nyenrode Business Universiteit. ‘Ik vind wel dat iedereen die zich leent voor een lobby, duidelijk moet maken welke petten hij draagt en welke belangen er voor hem spelen.’  

Pheijffer legt uit dat de accountants van de Big Four conform hun gedrags- en beroepsregels onpartijdig en onafhankelijk behoren te acteren, maar dat deze objectiviteit niet van de fiscalisten wordt verlangd. Die hebben dus ruimte om te lobbyen. ‘In tegenstelling tot fiscalisten elders moeten ze echter wel extra alert zijn op hun gedrag omdat dat afstraalt op hun accountants-collega’s en de kantoornaam waaronder zij gezamenlijk opereren.’

Lees verder Inklappen

Wet bronbelasting eenvoudig omzeild

Al decennialang zijn multinationals in staat om via brievenbusfirma’s in Nederland hun dividenden, rente- en royalty-opbrengsten (nagenoeg) onbelast over te boeken naar belastingparadijzen. De gezamenlijke omvang van dergelijke transacties is gigantisch. Aangezien deze doorstroomactiviteiten Nederland internationaal een slechte naam bezorgen, zag het kabinet-Rutte III zich vijf jaar geleden gedwongen actie te ondernemen.

Om deze vorm van belastingontwijking te bemoeilijken, heeft de regering vorig jaar de Wet bronbelasting ingevoerd. Rente- en royaltybetalingen van ondernemingen in Nederland aan gelieerde vennootschappen in belastingparadijzen op de Nederlandse zwarte lijst, worden in ons land voortaan onderworpen aan een heffing van 25,8 procent. 

In opdracht van het ministerie van Financiën heeft SEO Economisch Onderzoek aan de hand van gegevens van De Nederlandsche Bank een zogeheten nulmeting uitgevoerd om in kaart te brengen hoe groot de geldstromen zijn die door Nederland vloeien. Die meting wees onder meer uit dat er via Nederland veel meer dividenden worden weggesluisd dan gedacht. Daarom zorgt een aanvulling van de wet ervoor dat er vanaf 2024 ook wordt belast over uitgaande dividendstromen

De verwachte opbrengst van deze wet? Nul euro. Volgens het ministerie van Financiën heeft de wet voornamelijk een afschrikwekkend effect: bedrijven zouden wel gek zijn als ze hun geld nog langer via Nederland naar belastingparadijzen overboeken, zo is de gedachte. Periodieke metingen van de doorstroom moeten uitwijzen of dat daadwerkelijk zo is.  

Iedere belastingadviseur weet dat de wet doodeenvoudig kan worden omzeild. Zo kunnen geldstromen eerst worden verlegd naar een vennootschap in een land zonder bronheffing. Dan gaan de geldstromen niet rechtstreeks van Nederland naar de Bahama’s, maar bijvoorbeeld via Luxemburg. Andere mogelijkheid: de betalingen overmaken aan landen met een territoriaal winstbelastingstelsel zoals Hong Kong of Singapore. Die vallen namelijk buiten de Nederlandse definitie van een belastingparadijs. Dat komt omdat Nederland alleen kijkt naar het winstbelastingtarief dat in dergelijke stelsels wordt geheven, niet naar het feit dat daar vanuit het buitenland ontvangen renten en royalty's niet worden belast.

Het zekere voor het onzekere

Het lijkt erop dat AmCham bij de totstandkoming van de wet een vlucht naar voren heeft willen maken, vanuit de gedachte dat bovengenoemde sluiproutes vroeg of laat kunnen worden afgesloten. Een fiscalist met veel ervaring bij organisaties in binnen- en buitenland toont zich op voorwaarde van anonimiteit bereid voor dit artikel commentaar te leveren. Hij legt uit dat ‘AmCham allerlei verdedigingslinies probeert op te tuigen om de risico’s voor haar leden te minimaliseren.’ 

Zo heeft de club geprobeerd gunstige voorwaarden (lees: geen bronheffing) te bedingen voor bedrijven die reële economische activiteiten ontplooien. De pogingen hiertoe wierpen echter geen vruchten af (zie kader).

Van fiscaal kroonjuweel tot ‘strafmaatregel’

In eerste instantie wilde de regering de Wet bronbelasting alleen toepassen op brievenbusfirma’s, maar dat kon wetgevingstechnisch niet omdat de definitie van een brievenbus moeilijk valt af te bakenen. De bronheffing heeft daarom betrekking op alle bedrijven, ook als die reële economische activiteit ontplooien (‘substance’ hebben). Hier was AmCham geenszins over te spreken.

In een mail uit februari 2018 aan VVD’er Helma Lodders klaagt AmCham dat Nederland zo direct een fiscaal kroonjuweel kwijtraakt. ‘In een steeds digitalere wereld waar royalty’s en licenties steeds belangrijker worden is deze nieuwe Nederlandse benadering funest voor het vestigingsklimaat. Een unique sellingpoint wordt hier – voor bedrijven met reële activiteiten in NL – out of the blue weggegeven.’

In een brief aan staatssecretaris Menno Snel enkele maanden daarvoor (november 2017) noemde AmCham de bronheffing al een ‘strafmaatregel’ die ‘alleen zou moeten gelden als er onvoldoende substance in Nederland aanwezig is. Daarmee worden substanceloze doorstromers bestreden en wordt bovendien substance aangetrokken naar Nederland.’ 

In werkelijkheid wil AmCham helemaal niet dat substanceloze doorstromers worden aangepakt. Een eerder artikel in deze reeks laat zien dat een bedrijf aan de hand van verschillende bv’s zowel substance kan hebben als de belasting kan ontwijken. Om onder maatregelen tegen belastingontwijking uit te komen, kan bijvoorbeeld een fabriek de schijn van substance ophouden voor een ongerelateerde brievenbusfirma.

Een verslag van Arjan van der Linde van een ontmoeting tussen een zeskoppige AmCham-delegatie en de ambtelijke top van Financiën in februari 2018 onderstreept dit gegeven. ‘Substance wordt [voor beleidsmakers] steeds belangrijker en we hebben herhaald dat substance op groepsniveau in NL moet worden beoordeeld. Dat zou niet sporen met de uitleg van voormalig staatssecretaris [Eric] Wiebes, die van mening was dat een postbus in een fabriek… ook een postbus is. Ik vrees dat Snel er niet ruimer in zit.’

AmCham betoogt, met andere woorden, dat het ministerie moet kijken wat alle bedrijfsonderdelen gezamenlijk voor substance aan de dag leggen en niet iedere bv (waaronder brievenbussen) apart moet beoordelen. Van der Linde constateert echter dat de staatssecretaris zich op dit vlak niet in de luren laat leggen. 

Het narratief waar de lobbyclub met het oog op de Wet bronbelasting desalniettemin op inzette, was dat zolang je in Nederland volgens de eisen aan het substanceminimum voldoet, je een ‘reëel geval’ bent, geen kale doorstromer, en je gewoon belastingvrij moet kunnen doorsluizen naar belastingparadijzen. De regering ging hier in de Wet bronbelasting niet in mee. AmChams pleidooi voor een tegenbewijsregeling is evenmin gehonoreerd. 

Lees verder Inklappen

Op een ander punt kreeg AmCham wel haar zin: in de Wet bronbelasting is gekozen voor de beperkte definitie van royalty’s die gehanteerd wordt in het Modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dat is een standaardverdrag waarop veel bilaterale belastingverdragen zijn gebaseerd. De keuze voor dit royaltybegrip klinkt wellicht als een futiel detail, maar is cruciaal, want het biedt fiscalisten volop mogelijkheden om ook binnen de kaders van de wet onder bronheffing uit te komen.   

‘Voor bedrijven is de bronheffing gewoon een kostenpost. Dus hoe nauwer de definitie, hoe beperkter de middelen van de belastinginspecteur om over te gaan tot heffing,’ zegt de anonieme fiscalist. ‘Dat plaatst AmCham aan de goede kant van de discussie.’

Hij legt uit dat dienstverleningsvergoedingen en betalingen voor distributierechten – het recht om in een bepaalde markt een merk te exploiteren, zeg maar markttoegang – niet in de royaltydefinitie zijn opgenomen en deze daarom beperkt is. ‘Ik denk niet dat de OESO een specifiek belang bij deze wellicht te beperkte definitie had, het gaat om bewoordingen die niet meer lijken aan te sluiten bij de huidige economische omstandigheden en wijzen van bedrijfsvoering. Ze zijn gewoon niet meer geüpdatet.’ 

Het stelt (Amerikaanse) multinationals met regionale hoofdkantoren in Nederland in staat een fiscale truc uit te halen met zaken die wél onder het royaltybegrip vallen, zoals het merkrecht, een fabriek- of handelsmerk, een plan of bijvoorbeeld een geheim recept. De fiscalist vertelt dat dergelijke royalty’s – veelal samen met verschillende dienstverleningsvergoedingen – ‘op één hoop worden gegooid’ en hier één prijs voor wordt betaald onder de noemer van een meeromvattend service/dienstverleningscontract of distributiecontract. 

Er is hier sprake van zogeheten ‘embedded royalty’s’: royalty’s die onderdeel uitmaken van – of beter gezegd: verstopt zitten in – de algehele prijs voor een dienstverlenings- of distributiecontract. Dergelijke contracten worden louter voor fiscale doeleinden opgesteld en zijn daarom vatbaar voor manipulatie. Bedrijven specificeren de prijs in het contract bewust dusdanig vaag dat het voor belastingdiensten bijna geen doen is om de daarin inbegrepen royalty’s afzonderlijk te detecteren en daar de vergoedingen voor te bepalen. Zo beperken ondernemingen het risico op bronheffing tot een minimum. 

Deze documenten, op chronologische volgorde gezet, laten zien hoe AmCham door de jaren heen de Wet bronbelasting heeft proberen af te zwakken.

‘Royalty is een containerbegrip,’ verklaart de fiscalist. ‘Er kan van alles onder vallen en je kunt ze noemen hoe je wilt, maar het gaat erom of ze onder de definitie van de wet vallen. Als je niet wil dat er over een royalty wordt belast, noem je het geen royalty, maar bijvoorbeeld een service fee. Dan wordt het veel lastiger voor de fiscus om erover te heffen. De in de praktijk moeilijk in te vullen bewijslast ligt dan volledig bij de Belastingdienst.’ 

De vraag is dan in hoeverre de Belastingdienst bereid is of mogelijkheden heeft om grondig te kijken naar hoe een prijs is opgebouwd. Desgevraagd laat het ministerie van Financiën weten dat als er bij ‘gemengde contracten een duidelijk onderscheid [in prijsopbouw] kan worden gemaakt, de betaling deels kan worden belast als royalty in de zin van artikel 12 van het OESO-Modelverdrag.’

Die gevallen zullen eerder uitzondering zijn dan regel, want als de prijs voor de buitenwacht inzichtelijk is opgebouwd, zal een bedrijf volgens de fiscalist vinden dat de belastingadviseur zijn huiswerk niet goed heeft gedaan. 

Daarnaast is bekend dat buitenlandse belastingdiensten die belastingen over royalty(-achtige) betalingen willen heffen, worstelen met de toepassing van hun bronbelasting op embedded royalty’s. Dat laten twee fiscalisten bij PwC zien in een van de weinige artikelen in de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp. Ze gaan in op enkele concrete casussen, waaronder Spanje versus Coca-Cola en Canada versus farmaceut GlaxoSmithKline. In beide gevallen wilde het land heffen over embedded royalty’s, maar trok het bedrijf in de rechtszaal aan het langste eind. De fiscalist beaamt dat dit bij dergelijke geschillen doorgaans het geval zal zijn. 

Tegen embedded royalty’s is geen kruid gewassen

Samenvattend is er bij de Wet bronbelasting sprake van twee afzonderlijke zwaktes die in elkaars verlengde liggen: de nauwe royaltydefinitie is een ‘wettelijke’ zwakte want veel betalingen vallen buiten de boot. Dit leidt vervolgens tot een uitvoeringstechnische zwakte, aangezien embedded royalty’s amper uit een prijs zijn te destilleren.

Financiën laat weten dat het huidige Nederlandse verdragsbeleid erop is gericht aan te sluiten bij de royaltydefinitie van het OESO-Modelverdrag. Maar met de meeste belastingparadijzen heeft Nederland helemaal geen belastingverdrag. Belangrijker: de staatssecretaris heeft de Tweede Kamer er niet over ingelicht dat het hierbij gaat om een zeer beperkte definitie en dat Nederland voor aanscherping hiervan had kunnen aansluiten bij bepalingen in de OESO-verrekenprijsrichtlijn of bijvoorbeeld het Modelverdrag van de Verenigde Naties

In verband met AmChams lobby wisten ambtenaren in ieder geval op voorhand dat de wet niet doelmatig zou zijn, getuige een opmerking van een beleidsmedewerker: ‘Pleidooi van AmCham voor een beperkt begrip royalty: cf. OESO-definitie, zodat andere betalingen [lees: alle dienstverleningsvergoedingen] niet onder bronbelasting zouden vallen.’

Zolang het rijtje royalty’s, renten en dividenden in de wet niet wordt aangevuld met ‘en overige betalingen’ of iets van die strekking, lijkt er tegen embedded royalty’s geen kruid gewassen. En wordt het moeilijk om de oorspronkelijke doelstelling van de wet te verwezenlijken: Nederland flink laten tuimelen op de lijst van grootste doorstroomlanden. 

Het kabinet zette vorige week toch nog een stap in die richting door steun uit te spreken voor een voorstel van de Europese Commissie om doorstroomvennootschappen verder aan te pakken. Jasper Wesseling, directeur-generaal Fiscale Zaken van Financiën, maakte hier op LinkedIn melding van met de boodschap dat zijn ministerie hoopt dat ‘er snel een akkoord in Brussel kan worden bereikt over dit belangrijke onderwerp’.  

‘Hebben we nu ambtenaren met een politieke boodschap? Je gaat uit naam van MinFin de Tweede Kamer voorbij. Da’s curieuze politiek,’ reageerde Arjan van der Linde. Curieus, want in zijn tijd als voorzitter van het Tax Committee had hij het nooit erg op democratische besluitvorming als het ging om AmChams eigen lobby.

Wederhoor ministerie van Financiën

1. Klopt het dat ambtenaren van het ministerie van Financiën met AmCham hebben gesproken over de afbakening van het royaltybegrip in de Wet bronbelasting?
Met AmCham heeft een gesprek plaatsgevonden naar aanleiding van hun reactie op de internetconsultatie bij ATAD2 (tweede EU-richtlijn anti-belastingontwijking). In dit gesprek heeft AmCham tevens de afbakening van het begrip royalty in de context van ATAD2 aan de orde gesteld.

2. Klopt het dat die afbakening bij het ontwerp van het wetsvoorstel een afweging is geweest in het licht van het vestigingsklimaat?

3. Klopt het dat in het wetsvoorstel Wet bronbelasting uiteindelijk is gekozen voor de nauwe definitie van ‘royalty’s’ van de OECD met het oog op het vestigingsklimaat?

4. Waarom is in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Wet bronbelasting niet aangegeven dat voor de toepassing van het royaltybegrip wordt aangesloten bij de nauwe definitie van royalty’s van de OESO, al dan niet met het oog op het vestigingsklimaat? Horen dergelijke beleidsafwegingen niet bij uitstek thuis in de toelichting op een wetsvoorstel, mede met het oog op het volledig informeren van de Tweede Kamer?

Antwoorden vraag 2, 3 en 4
Er is gekozen voor het aansluiten bij het begrip royalty uit het OECD-modelverdrag omdat dit royaltybegrip het beste aansluit bij de doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk het belasten van passieve inkomsten. Met een ruimere royaltydefinitie zouden ook inkomensstromen met een minder passief karakter zoals operational lease in de beschouwing worden betrokken. Ook het huidige Nederlandse verdragsbeleid is erop gericht om aan te sluiten bij de definitie van royalty uit het OESO-modelverdrag.

5. Klopt het dat betalingen voor exclusieve distributierechten (waarbij de betaling een vergoeding is voor het exclusieve recht om een product te verkopen in een bepaalde regio) niet vallen aan te merken als royaltybetalingen voor de toepassing van de Wet bronbelasting? Valt dit te beschouwen als een heffingslek in het licht van de doelstelling van de wet, te weten het voorkomen van betalingen vanuit Nederland naar belastingparadijzen?
In de Wet bronbelasting 2021 is voor het begrip royalty aangesloten bij het OESO-Modelverdrag (artikel 12). In het commentaar bij het OESO-Modelverdrag op artikel 12 is onder punt 10.1 opgenomen:

‘Payments that are solely made in consideration for obtaining the exclusive distribution rights of a product or service in a given territory do not constitute royalties as they are not made in consideration for the use of, or the right to use, an element of property included in the definition. These payments, which are best viewed as being made to increase sales receipts, would rather fall under Article 7 (business profits).

Indien er een betaling wordt verricht voor exclusieve distributierechten zal op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld of deze betaling toch onder deze definitie valt. Zie ook de antwoorden vraag 6 en 7 hierna.

6. Maken royalty’s in de zin van artikel 12 OESO-Modelverdrag ook deel uit van het royaltybegrip voor de toepassing van de Wet bronbelasting voor zover zij ‘embedded’ zijn in een andere betaling? Zo ja, wordt de heffing van bronbelasting over embedded royalty’s gehandhaafd door de Belastingdienst? Zijn hier interne notities over? Klopt het dat voor het onderkennen van een embedded royalty in de praktijk door de Belastingdienst – al dan niet naar analogie – gebruik kan worden gemaakt van de verrekenprijsrichtlijnen van de OESO?

7. Overlegt het ministerie van Financiën en/of de Belastingdienst met andere landen – bijvoorbeeld in EU- of in OESO-verband – over de toepassing van bronheffingen op embedded royalty’s en de praktische problemen die daarbij kunnen komen kijken?

Antwoorden vraag 6 en 7
Deze vragen zijn niet eenduidig te beantwoorden. Om te bepalen onder welk verdragsartikel een betaling valt, moet worden gekeken naar de inhoud van de overeenkomst die de grondslag voor de betaling vormt. Daarbij kan in situaties sprake zijn van gemengde contracten, waarin bijvoorbeeld zowel afspraken zijn gemaakt over een te leveren dienst als over het verstrekken van know-how. Als in een dergelijk gemengd contract een duidelijk onderscheid gemaakt kan worden, kan de betaling deels worden belast als royalty in de zin van artikel 12 van het OESO-modelverdrag. Zie in dit kader bijvoorbeeld de overweging in paragraaf 11.6 van het commentaar bij het OESO-modelverdrag.

8. De geraamde opbrengst van de wet was nul. Klopt het dat er, al dan niet als gevolg van het prohibitieve effect van de wet, eind vorig jaar geen aangiften bronbelasting bij de Belastingdienst zijn binnengekomen, of dat er in deze aangiften niks werd opgegeven?
Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel belasting er is geheven op basis van de Wet bronbelasting 2021. De bronbelasting op renten en royalty’s is op 1 januari 2021 in werking getreden. De aangiften over het jaar 2021 moeten binnen een maand na afloop van dit jaar zijn ingediend. Voor het jaar 2021 moeten de aangiften dus uiterlijk op 31 januari 2022 zijn ingediend bij de Belastingdienst. Aangezien het doel van de wetgeving is om te voorkomen dat Nederland nog langer als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties wordt gebruikt, is overigens ook de verwachting dat er geen substantiële belasting geheven wordt op basis van deze wetgeving.

Lees verder Inklappen