Coronacrisis

De coronapandemie zet de wereld op zijn kop. Wie betaalt de rekening, en wie profiteert? Lees meer

Het virus SARS-CoV-2, beter bekend als het coronavirus, dook eind 2019 op in de Chinese provincie Hubei. In een paar weken tijd veroorzaakte het virus daar een epidemie, waarna het zich over de rest van de wereld verspreidde. Begin maart 2020 verklaarde de World Health Organisation de ziekte tot een pandemie en gingen landen wereldwijd 'op slot'.

Al met al is met het coronavirus een crisis van historische proporties ontstaan. De gevolgen van deze crisis zijn nog grotendeels onbekend. Maar de maatregelen die we nu nemen, zullen bepalen hoe de samenleving van de toekomst eruitziet. Daarom volgt de redactie van FTM de ontwikkelingen op de voet. Welke oplossingen dienen welke belangen?

148 Artikelen

Hoger beroep avondklok: ‘Overdag kunnen de grondrechten wel worden uitgeoefend’

Het explosieve oordeel van de rechter dat de avondklok moest worden ingetrokken, hield nog geen tien dagen stand. In hoger beroep werd het vonnis op alle punten vernietigd. Het gerechtshof oordeelt dus 180 graden de andere kant op, maar de onderbouwing ontbreekt. ‘Het gerechtshof schiet door in zijn eigen redeneringen.’

Het is nu al het spannendste rechtsproces van het jaar: mag de regering ons verbieden ’s avonds de straat op te gaan – zonder uitvoerige onderbouwing of expliciete instemming van het parlement? Afhankelijk van wie je het vraagt kan het antwoord 180 graden verschillen, ook als je het aan een rechter voorlegt. 

Dat blijkt uit de uitspraak in het hoger beroep over de invoering van de avondklok, tien dagen na het explosieve oordeel van de Haagse voorzieningenrechter. Op 16 februari wees die in een kort geding de vordering toe van Stichting Viruswaarheid.nl, om de avondklok in Nederland buiten werking te stellen. Het gerechtshof Den Haag op zijn beurt vernietigde op 26 februari dat vonnis op alle punten.

Doorlopen, niet kijken, er valt hier niets te zien

Vorige week sprak FTM vijf hoogleraren, zij verwachtten geen van allen een vonnis dat de staat zo volledig in het gelijk zou stellen. Universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht Manon Julicher schreef een proefschrift over de modernisering van onze grondwet. Ook zij is verbaasd over het oordeel van het gerechtshof. ‘De voorzieningenrechter gaf de regering een draai om de oren, maar het hof redeneert nu volledig de andere kant op. Alsof er geen enkele twijfel meer bestaat over het handelen van de regering bij de invoering van de avondklok.’

Julicher uitte haar bedenkingen over de juridische basis van de avondklok, nog voor de zaak voorkwam bij de voorzieningenrechter. Ook de Raad van State (RvS), onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur, betwijfelde op 1 februari of de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) wel gebruikt had mogen worden als juridische grondslag. Die wet vereist geen instemming van de Eerste en Tweede Kamer en mag – zoals de naam al doet vermoeden – alleen worden gebruikt onder buitengewone omstandigheden.


Manon Julicher, Universiteit Utrecht

"Als het hof in hoger beroep de zaak dan zo radicaal anders uitlegt, verwacht ik een uitgebreide motivering. Die ontbreekt."

De voorzieningenrechter oordeelde dat niet aan die eis werd voldaan omdat er geen sprake was van een situatie van ‘superspoed’, zoals een dijkdoorbraak. Daarnaast vond de rechter dat de regering onvoldoende beargumenteerde waarom de avondklok een ‘proportionele maatregel’ zou zijn. De staat moest beter onderbouwen hoe de ernst van de maatregel zich verhoudt tot de opbrengst, en of niet hetzelfde kan worden bereikt met minder ingrijpende maatregelen. 

Het gerechtshof oordeelde in hoger beroep echter dat het gebruik van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) als juridische grondslag wel in orde was, en zei ook dat de ‘beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet uit het oog zijn verloren’. 

Zelfs de regering durfde niet op deze radicale ommezwaai van de rechterlijke macht te rekenen. Direct na het aantekenen van het hoger beroep startte het kabinet een proces om tegelijkertijd in razend tempo een spoedwet door het parlement te loodsen. De ‘Tijdelijke wet beperking vertoeven in de openlucht covid-19’ vormt nu de nieuwe juridische grondslag voor de avondklok, waardoor de Kamer voortaan elke verlenging van de avondklok moet bekrachtigen.

Dat het gerechtshof anders oordeelt dan de voorzieningenrechter, vindt Julicher op zichzelf geen probleem, maar ze plaatst vraagtekens bij de manier waarop. ‘Je hoeft het niet op alle punten met de uitspraak van de voorzieningenrechter eens te zijn, om te zien dat de rechter juridisch inhoudelijk een aantal sterke punten maakt. Als het hof in hoger beroep de zaak dan zo radicaal anders uitlegt, verwacht ik een uitgebreide motivering. Die ontbreekt.’

Tijdslijn avondklok

23 januari

Invoering avondklok op grond van de Wbbbg

1 februari

Raad van State uit twijfel over gebruik Wbbbg als grondslag

2 februari

Wetsvoorstel voortduringswet avondklok ingediend

11 februari

Voortduringswet avondklok aangenomen Tweede Kamer

16 februari

Uitspraak voorzieningenrechter: avondklok buiten werking

16 februari

Spoedappèl: avondklok blijft tot aan uitspraak hoger beroep

18 februari

Wetsvoorstel spoedwet aangenomen Tweede Kamer

19 februari

Wetsvoorstel spoedwet aangenomen Eerste Kamer

22 februari

Spoedwet treedt in werking

22 februari

Voortduringswet avondklok ingetrokken

26 februari

Oordeel gerechtshof: vernietigt uitspraak voorzieningenrechter

Haastige spoed is zelden goed

‘In deze procedure’, schrijft het gerechtshof, ‘is de vraag aan de orde of er sprake is van buitengewone omstandigheden die invoering van de avondklok noodzakelijk maken.’ Vervolgens verwerpt het hof het oordeel van de voorzieningenrechter dat ‘de Wbbbg slechts is bedoeld voor situaties die letterlijk geen enkel uitstel kunnen dulden, omdat er sprake is van een acute noodsituaties, zoals een onverwachte dijkdoorbraak. Deze aldus geformuleerde “lat” ligt te hoog en volgt ook niet uit de wet of de wetsgeschiedenis.’ 

Julicher vindt die redenering te kort door de bocht. ‘De Wbbbg mag alleen worden ingezet als normale procedures niet toereikend zijn. In dit geval heeft het kabinet bewezen dat een avondklok ook prima via een spoedwetprocedure geregeld kon worden. Er waren normale procedures voorhanden en dat pleit tegen de inzet van de Wbbbg.’ 

Dat raakt aan haar fundamentele punt van kritiek. ‘In de uitspraak ontbreekt bij belangrijke stellingen van het hof de onderbouwing.’ Julicher wijst bijvoorbeeld op de ‘superspoed’, die de voorzieningenrechter definieerde als eis om te kunnen spreken van ‘buitengewone omstandigheden’. Het hof verwerpt die conclusie want ‘het begrip buitengewone omstandigheden is in de wet of de wetsgeschiedenis bij de Wbbbg niet gedefinieerd’. Vervolgens trekt het Haagse gerechtshof daaruit eigenhandig verregaande conclusies: ‘Naar het oordeel van het hof is het zonder meer duidelijk dat er sprake is van buitengewone omstandigheden.’ Dat gaat Julicher te ver. ‘Als je net hebt gesteld dat de wetsgeschiedenis geen uitsluitsel geeft, hoe kun je dan zelf zo stellig zijn dat er “zonder meer” sprake is van buitengewone omstandigheden?’ 

Het gerechtshof schiet door in zijn eigen redeneringen

FTM stelt vast dat het hof die stelling inderdaad niet juridisch onderbouwt en inhoudelijk slechts constateert dat ‘Nederland al bijna een jaar te maken heeft met een pandemie’ en dat ‘veel besmettelijkere buitenlandse varianten naar verwachting de boventoon zullen voeren’. Het hof schrijft verder dat ‘het kabinet in beginsel op de adviezen van het OMT mag afgaan,’ terwijl de Raad van State in het advies inzake de spoedwet op 16 februari juist schreef dat het overnemen van ‘de analyse van het OMT’ onvoldoende onderbouwing is. 

Ook op andere punten is de motivering van het hof beperkt. Zo schrijft het: ‘De staat heeft voldoende onderbouwd dat de avondklok ook effect heeft, althans dat hij hier in redelijkheid van mag uitgaan.’ Een verdere toelichting ontbreekt. 

Waar is de terughoudendheid?

Jerfi Uzman, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit Utrecht, uitte eerder kritiek op de uitspraak van de voorzieningenrechter. Die had terughoudender moeten zijn in haar oordeel: ‘In een kort geding is de regel dat de rechter alleen mag oordelen dat een verkeerde rechtsbasis is gebruikt, of dat een maatregel disproportioneel is, wanneer dit onmiskenbaar is aangetoond. Tot die tijd krijgt de staat het voordeel van de twijfel.’ 

Uzman deelt daarom in grote lijnen de conclusie van het gerechtshof: ‘Er bestaat geen vaste definitie van de buitengewone omstandigheden die het gebruik van de Wbbbg toelaten. De invulling ervan is in eerste instantie aan de regering en de Kamer. Ik had daarom verwacht dat de hogere rechter tegen zijn collega zou zeggen: u bent niet terughoudend genoeg geweest.’ 

Maar het gerechtshof ging verder en daarover is Uzman kritisch: ‘Het gerechtshof schiet door in zijn eigen redeneringen. Het hof zegt nu eigenlijk dat spoed geen rol speelt in de definitie van buitengewone omstandigheden en dat is evenmin evident. Nu lijken de terechte vraagtekens die de voorzieningenrechter plaatste, plots achter de horizon te verdwijnen.’ 

Dossier

Dossier: Coronacrisis

De maatregelen om de verspreiding van het coronavirus in te dammen zijn ongekend; de uitwerking ervan nog grotendeels onbekend. Welke oplossingen dienen welke belangen?

Volg dit dossier

Grondrechten gelden ook in de avond

Rechtsgeleerden Tom Barkhuysen en Wim Voermans wezen er vorige week op dat rechters terughoudend moeten zijn in het afwegen van proportionaliteit, zeker in een kort geding. ‘Rechters oordelen niet graag over politieke afwegingskwesties,’ zei Voermans. Hij noemde dit ‘political question doctrine’. Het gerechtshof benoemde dit ook in het hoger beroep: ‘De vraag welke maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van de coronacrisis en of die maatregelen proportioneel en subsidiair zijn, vergt primair een politieke afweging.’ 

Hoogleraar Uzman vindt, net als zijn collega’s, dat het primair aan de Kamer is om de onderbouwing van een maatregel te controleren, zowel op de juridische grond als op proportionaliteit. Dat de Kamer dat heeft nagelaten, is een ernstig probleem voor onze rechtsstaat, zei Barbara Oomen, hoogleraar mensenrechten aan de Universiteit Utrecht, vorige week: ‘Het gaat hier zo mis, dat de rechter op het laatste moment aan de noodrem moest trekken. Onwenselijk, maar nodig omdat de regering en de Tweede Kamer onze grondrechten niet serieus nemen.’

De vraag over de proportionaliteit kwam daardoor toch op het bordje van het gerechtshof Den Haag. Het hof schrijft hierover: ‘Voor zover de avondklok de uitoefening van grondrechten beperkt, is dat alleen in de latere avond en nacht. Op die tijden is de mobiliteit sowieso al minder hoog. Daarbij is gekeken naar de mobiliteitsgegevens. Daaruit blijkt dat de meeste verplaatsingen plaatsvinden tussen 5.00 en 20.00 uur. Overdag kunnen de grondrechten wel worden uitgeoefend.’ 

De rechter redeneert vanuit het meerderheidsbelang, terwijl grondrechten er juist zijn om de rechten van minderheden te beschermen

Inhoudelijk valt flink op deze redenering af te dingen. Het hof concludeert op grond van het feit dat tijdens de avondklok ‘de mobiliteit sowieso al minder hoog is’, de inperking van de grondrechten minder ingrijpend is. Deze redenering laat volgens Julicher en Uzman zien dat de rechter redeneert vanuit het meerderheidsbelang, terwijl grondrechten er juist zijn om de rechten van minderheden te beschermen. Uzman zegt: ‘Deze redenering is zwak. Je kunt niet simpelweg zeggen “wat heb je nou op straat te zoeken nu de winkels toch al zijn gesloten”. Het gaat hier om hele fundamentele rechten, om autonomie. Het is niet aan de burger om uit te moeten leggen waarom de vrijheid om een avondwandeling te maken – ook zonder hond – voor hem of haar belangrijk is.’ Julicher voegt hieraan toe: ‘Je mag grondrechten beperken wanneer het algemeen belang zwaarder weegt, bijvoorbeeld voor de volksgezondheid of de openbare orde en veiligheid. Maar dan moet je dat wel onderbouwen en die weging van belangen wordt hier niet gemaakt.’ 

Voor de proportionaliteitstoets is bovendien nog iets van belang: de effectiviteit van de maatregel. Aan die kant van de proportionaliteitstoets gaat het hof voorbij, terwijl de lage mobiliteit ’s nachts ook daarop van invloed is. Het doel van de avondklok is immers het terugdringen van mobiliteit om zo het aantal besmettingen te verlagen. Dat de mobiliteit ook zonder avondklok al laag is, ondermijnt het effect van de maatregel. 

De Hoge Raad

Viruswaarheid heeft aangekondigd in cassatie te gaan. Dan komt de zaak voor de Hoge Raad. Julicher denkt dat er kans is dat die tot andere conclusies komt, maar met zekerheid durft ze dat niet te zeggen. Uzman verwacht dat de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand houdt, maar nuances aanbrengt op de doorgeslagen redeneringen van het hof.