Waarom actief arbeidsmarktbeleid wel nuttig is

Volgens arbeidseconoom Ronald Dekker is het onzinnig om banenplannen puur te beoordelen op de baancreatie op korte termijn. Een kritische beschouwing is terecht, maar actief arbeidsmarktbeleid moet niet zomaar worden afgeschreven.

Iedereen wil dat de overheid iets aan de hoge werkloosheid doet.  Regering en politieke partijen lanceren banenplannen, maar daar wordt met veel scepsis gereageerd. Ook wordt al decennia lang bezuinigd op het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Recent is in het sociaal akkoord afgesproken dat de sociale partners zogenaamde ’sectorplannen’ indienen die bedoeld zijn om op korte termijn de werkloosheid te reduceren. Deze sectorplannen worden veroordeeld op het feit dat ze geen extra banen opleveren. Van het UWV wordt betwijfeld of het überhaupt een zinnige bijdrage aan de Nederlandse arbeidsmarkt levert. Kortom, actief arbeidsmarktbeleid, of het nou structureel (UWV) of incidenteel (banen- en sectorplannen) is, staan in een kwade reuk. En dat is logisch wanneer dat beleid wordt beoordeeld op het creëren van nieuwe banen. Dat doet het namelijk niet of nauwelijks. Dat is teleurstellend en zelfs frustrerend voor politici die worden verondersteld ons land ‘uit de crisis’ te loodsen, maar het is simpelweg niet zo veel wat kabinetsbeleid op dit terrein vermag. Het is dus niet logisch om actief arbeidsmarktbeleid puur te beoordelen op baancreatie op korte termijn. Het is zelfs onzinnig. Het enige dat op korte termijn banen creëert, is een stijging in de vraag naar producten en diensten. De kabinetten-Rutte zijn, met lastenverzwaringen en bezuinigingen in dienst van de EU-tekortnorm, op het terrein van stimulering van de economie niet overdreven ambitieus geweest om deze vraag in het binnenland te stimuleren, overigens.

Informatieproblemen en geringe mobiliteit

Op zijn best zorgt een goed functionerende arbeidsmarkt, met als onderdeel daarvan het actief arbeidsmarktbeleid, voor een marginale verhoging van de economische groei op langere termijn. Maar die zorgt niet automatisch voor substantieel meer banen. Economische groei komt voor een belangrijk deel tot stand door het verhogen van de arbeidsproductiviteit door vervanging van arbeid door kapitaal, bijvoorbeeld door robotisering. Actief arbeidsmarktbeleid en banenplannen dienen een heel ander doel dan het creëren van banen. Ze dragen als het goed is bij aan snellere en/of betere matches op de arbeidsmarkt. Werkzoekenden en werkgevers met vacatures vinden elkaar niet ‘vanzelf’ door informatieproblemen. Zelfs in een periode van hoogconjunctuur bestaat werkloosheid tegelijkertijd met openstaande vacatures. Het kost voor werkzoekenden simpelweg tijd en moeite om een baan te vinden en voor werkgevers om een geschikte kandidaat te vinden. De arbeidsmarkt werkt ‘beter’ in een hoogconjunctuur, omdat meer mensen van baan durven te veranderen. Daardoor ontstaan meer vacatures, zelfs wanneer er geen netto banengroei is. Het grote probleem in een recessie is, naast het gebrek aan netto banengroei, de geringere mobiliteit. Minder mensen durven van baan te veranderen en dat maakt het voor werklozen en nieuwkomers nog lastiger om een nieuwe baan te vinden. Vooral in  een recessie is actief arbeidsmarktbeleid hoofdzakelijk  bedoeld om de narigheid van werkloosheid  ‘gelijkmatiger’ te verdelen. Dat kan door ‘onderhoud aan menselijk kapitaal’, in de vorm van bij- en herscholing van werklozen en door actieve bemiddeling. Er komt geen baan bij, maar het streven is om de werkloosheidsduur zo veel mogelijk te bekorten en waar mogelijk ‘nuttig’ te besteden. Zo wordt langdurige werkloosheid voorkomen.

Niet het kind met het badwater weggooien

Ook dit soort activiteiten krijgen overigens een slechte pers, zowel onder beleidsmakers als onder economen. Veel beleidsmakers vinden dat het UWV kan worden opgedoekt omdat de markt (uitzendbureaus e.d.) veel beter zou zijn in het reduceren van informatieproblemen, daarmee negerend dat de arbeidsmarkt ook veel informatieproblemen kent waarmee niet altijd geld verdiend kan worden. Veel economen klagen dat de instrumenten van actief arbeidsmarktbeleid niet goed genoeg worden geëvalueerd. Wanneer dat wel gebeurt, wordt vaak vastgesteld dat het netto-effect nagenoeg nihil is. Dit komt deels door de wat rigide eisen die een wetenschappelijk verantwoorde evaluatie stelt. Dat betekent onder meer dat wanneer kandidaten voor een re-integratieprogramma worden geselecteerd op bijvoorbeeld motivatie, het eventuele effect van het programma wordt toegeschreven aan de motivatie van de deelnemers. Daarmee wordt het geschatte netto-effect van het programma al gauw tot nul gereduceerd.  Dat is niet altijd terecht. De re-integratieinspanningen en ‘banenplannen’ van het actief arbeidsmarktbeleid worden terecht kritisch beschouwd. Veel van de sectorplannen lijken vooral bedoeld om al geplande scholingsinspanningen in de sector door minister Asscher te laten meefinancieren. Maar de eenzijdige focus op baancreatie en gemakkelijk te meten nettoresultaat (‘evidence based’!) zorgt ervoor dat maatregelen die wel degelijk bijdragen aan het onderhoud van menselijk kapitaal en het verkleinen van het risico van langdurige of herhaalde werkloosheid, te gemakkelijk worden wegbezuinigd. Niet alle banenplannen zijn nuttig. Maar actief arbeidsmarktbeleid dreigt het kind te worden dat met het evaluatiebadwater wordt weggegooid. * * * Een versie van dit artikel verscheen maandag 17 maart in het Nederlands Dagblad Ronald Dekker is arbeidseconoom aan de Universiteit van Tilburg

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Ronald Dekker