Twee jaar lang nam minister Dijsselbloem van Financiën de tijd om te onderzoeken hoe hij de financiële sector beter toegankelijk kan maken voor nieuwe, innovatieve partijen zoals depositobanken. Zijn brief aan de Kamer bevat echter geen enkel voorstel tot wetswijziging, constateert Richard van der Linde, en dus dreigt alles bij het oude te blijven. Of kan er nog iets aan gedaan worden?

    De Nederlandse financiële sector kenmerkt zich door een grote mate van inflexibiliteit, die het voor nieuwe spelers moeilijk maakt om zich een plaats op de markt te verwerven. In 2014 trok de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hierover aan de bel. De toezichthouder stelde dat het slecht gesteld is met de toetredingsmogelijkheden voor innovatieve partijen in de financiële sector, in het bijzonder de bankensector. De Nederlandse Bank (DNB) concludeerde in 2015 dat de sector te verweven en geconcentreerd is. Het ontbreekt aan de wettelijke kaders om tot een diverse, robuuste bankensector te komen, aldus DNB. Als de minister niets doet, is het een kwestie van tijd voordat een onvoorziene omstandigheid ervoor zorgt dat de Nederlandse bancaire sector wederom gered zal moeten worden — net als in 2008.

    Na massale druk vanuit de Kamer werd de roep om verandering opgepikt door het kabinet, en na vele hoorzittingen en gesprekken met marktpartijen en toezichthouders verklaarde minister Dijsselbloem van Financiën dat hij het land zou ‘gaan verrassen’ met een brief waarin hij zijn aanpak zou toelichten om toetreding van nieuwe financiële partijen te bevorderen.

    Het ontbreekt aan de wettelijke kaders om tot een diverse, robuuste bankensector te komen, aldus DNB

    Deze brief is er inmiddels, en het moet gezegd: het is inderdaad buitengewoon verrassend dat er na bijna twee jaar geen enkele wetswijziging wordt voorgesteld om toetreding van nieuwe partijen tot de financiële sector te bevorderen. De enige voorgestelde wetswijziging betreft een verruiming van de beslistermijn voor DNB bij de aanvraag van een vergunning, van 13 naar 26 weken, omdat er in de praktijk vaak meer tijd nodig blijkt. Een knap staaltje omdenken: we halen de termijn niet, dus dan is die vast te kort. Helaas verstrijkt nu wel de tijd die voorhanden is om de financiële sector robuust te maken voordat er een nieuwe crisis ontstaat.

    Depositobank

    Steeds meer economen onderschrijven het belang van een scheiding tussen de betaal- en kredietfunctie van banken om tot een robuuste sector te komen. Om dezelfde reden is Stichting Full Reserve in juni 2015 met DNB in gesprek gegaan over de oprichting van een depositobank: een bank die wel spaargeld aantrekt en bewaart, maar geen krediet verstrekt. Een depositobank heeft voor de volle honderd procent reserve en is niet verweven met andere banken. Hierdoor kan het betalingsverkeer niet meer in gevaar worden gebracht door kredietverstrekkers. Depositobanken blijven ook bij een financiële crisis overeind.

    Door consumenten deze optie te bieden, zou het deelnemen aan de risicovolle activiteiten van banken weer een keuze worden van de consument, in plaats van een keuze van de bank waar de consument geen inspraak in heeft. Alleen moest DNB na een langdurig onderzoek in januari concluderen dat het binnen de huidige wetgeving niet mogelijkheid is om zo’n depositobank op te tuigen. Het is zeker niet onwenselijk, aldus DNB, maar de minister zal eerst de wet moeten wijzigen.

    In maart, tijdens het debat over Burgerinitiatief Ons Geld, trachtten de Kamerleden Koolmees (D66), Nijboer (PvdA) en Merkies (SP) via een motie om duidelijkheid van de minister te verkrijgen over de wetswijzigingen die nodig zijn om zo’n depositobank mogelijk te maken. Er bleek namelijk veel sympathie voor het idee te bestaan onder Kamerleden, en de motie werd dan ook met algemene stemmen aangenomen.

    Steeds meer economen onderschrijven het belang van een scheiding tussen de betaal- en kredietfunctie van banken

    Afgelopen donderdag verscheen dus de uitkomst van dit onderzoek, maar zonder voorstel voor een wetswijziging. De enige vergunning die als optie voor depositobanken wordt genoemd, is nota bene uit ons eigen onderzoek voortgekomen, en al in januari door DNB verworpen. Verder verwijst de minister naar de activiteiten van DNB, zoals het consultatiedocument (een soort oproep aan de markt om gratis ‘mee te denken’ voor algemeen belang) en een regulatory sandbox maar ook die bieden geen mogelijkheden zolang het ontbreekt aan wetgeving.

    De Kamer aan zet

    De minister had dus al het voorwerk van DNB en ons tot zijn beschikking — niet in de laatste plaats omdat wij dat in het publieke domein beschikbaar hebben gemaakt. Het valt hem daarom aan te rekenen dat hij nu met geen enkel bruikbaar voorstel komt. Onze verwachting is dan ook dat de indieners van de depositobank-motie de minister op 28 juni bij de bespreking van de brief tot de orde gaan roepen en onmiddellijke, concrete actie van hem zullen eisen.

    Zo zal hij op korte termijn alsnog met een oplossing moeten komen die voldoet aan de drie randvoorwaarden voor een depositobank die door de Kamer en de initiatiefnemers van zo’n bank (ikzelf incluis) worden gesteld. Het gaat om banken die geen kredietrisico kennen of blootstaan aan het kredietrisico van andere banken. Stichting Full Reserve heeft zelf geen winstoogmerk, maar beschouwt die eigenschap niet als een randvoorwaarde voor een depositobank.

    Drie randvoorwaarden voor een depositobank

    Een eerste randvoorwaarde is dat er uitsluiting moet zijn van het Depositogarantiestelsel (DGS). Voor een depositobank zou dat namelijk inhouden dat ze alsnog zou blootstaan aan het kredietrisico van andere banken omdat het stelsel banken verantwoordelijk maakt voor elkaars financiële problemen. Er is altijd sprake van operationeel risico dat moet worden afgedekt, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs met het DGS. Een bank in het DGS is per definitie geen depositobank.

    Het gaat er niet om dat alleen depositobanken toetreden, al zijn die wel bij uitstek nuttig in het ontvlechten van de sector

    Ten tweede moet er direct toegang zijn tot het betalingsverkeersysteem (TARGET2). Van dat systeem maken we allemaal gebruik als we euro’s overmaken naar iemand die bij een andere bank een rekening heeft. Het is het grootboek van de centrale bank, waarop iedere bank een rekening heeft zoals wij als particulier een rekening hebben bij de bank. Elke partij die geen directe toegang heeft tot dat netwerk, heeft dat indirect via een bank, maar dat betekent ook dat je het geld bij die bank stalt. Het is alsof u zelf geen bankrekening heeft, maar mij vraagt om uw geld op mijn rekening te bewaren. Stel dat een depositobank dat zou doen, bijvoorbeeld bij Rabobank, dan zou ze net zo veilig zijn als die bank zelf. Rabobank verstrekt, in tegenstelling tot de depositobank, wel kredieten en het is precies de bedoeling om daar niet meer aan blootgesteld te zijn.

    Ten derde kan er geen verplichting zijn om krediet te verstrekken of te beleggen, want dan ontstaat er weer het risico op verliezen. Dat lijkt heel logisch, maar dat creëert ook een probleem. Een partij met bankvergunning moet geld uitlenen of beleggen, anders overtreedt ze de wet. Dat zal ook Bunq hebben gemerkt, want waar de website eerst aangaf dat ‘al’ het geld bij de ECB was gestald, is dat inmiddels bijgesteld naar ‘voornamelijk’.

    De volgende stap

    Zolang de minister niet met voorstellen voor wetswijzigingen komt en nalaat de toezichthouders op een effectievere manier aan te sporen tot meer toetreding, blijven we het probleem houden van een drietal too-big-to-fail-banken. Het gaat er niet om dat alleen depositobanken toetreden, al zijn die wel bij uitstek nuttig in het ontvlechten van de sector omdat ze niet zijn blootgesteld aan de (on)gezondheid van andere banken. Een stelsel met meer kleine banken, die niet te veel aan elkaar uitlenen, maakt dat de sector sowieso beter de klap van een falende bank kan opvangen.

    Het is alsof een bondscoach nalaat jonge spelers in te laten stromen in een voetbalteam dat op leeftijd raakt

    Door twee jaar de tijd te nemen voor een brief en vervolgens na te laten daar wetgeving in voor te stellen, benadeelt de minister de gehele Nederlandse samenleving, al wordt dat niet meteen gevoeld. Het is alsof een bondscoach nalaat jonge spelers in te laten stromen in een voetbalteam dat op leeftijd raakt. Voordat je het weet ga je de volgende keer onderuit in de kwalificatie.

    Eind juni zullen we weten of de minister door de aandacht voor dit onderwerp in media als FTM (maar ook het FD) zelf al tot inzicht is gekomen, of dat hij veel aanmoediging van de Kamer nodig zal hebben. Het algemeen overleg van de vaste Kamercommissie Financiën op 28 juni is toegankelijk voor publiek en begint om 16.30 uur. Wij zullen er zeker bij aanwezig zijn om Kamerleden ervan te doordringen hoe belangrijk het is dat de minister tot actie overgaat.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Richard van der Linde

    Volg Richard van der Linde
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Van wie is ons geld?

    Gevolgd door 1877 leden

    Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunne...

    Volg dossier