Waarom het debat met bankiers geen stap verder komt

    ABN Amro gaat vrolijk naar de beurs maar intussen heerst het intens onbevredigende gevoel dat het debat over de wantoestanden bij banken sinds het uitbreken van de financiële crisis nooit echt van de grond is gekomen. Roxane van Iperen schetst waarom dat zo is.

    Toen ik nog jong en naïef was, was ik een cultuurrelativist. “Jij hebt een punt, en jij ook. Iedere cultuur zijn eigen normen en waarden.” When in Rome, do as the Romans do; wanneer in Togo, besnijd een vrouw[1]. Einde discussie en ieder zijns weegs. Inmiddels ben ik wat ouder en cynischer (op de Antisthenesiaanse manier) en wijt mijn laffe, luie houding van toen maar aan mijn jeugdigheid. Inderdaad: laf, want je oordeelt nergens over maar staat dus ook nergens voor, en lui, want je hoeft je nimmer ergens in te verdiepen of je standpunt met argumenten te verdedigen. Precies dit cultuurrelativisme is wat het debat over de financiële sector[2] gijzelt, en aan jeugdigheid kunnen we het helaas niet toedichten.

    Waar blijft dat debat?

    Steeds breder heerst het onbevredigende gevoel dat het debat over de wantoestanden bij banken sinds het uitbreken van de financiële crisis nooit echt van de grond is gekomen; dat we nooit echt de gifbeker hebben leeggedronken. De samenleving heeft haar aanklacht ingediend, de sector heeft er kennis van genomen en het zichtbare vuil van de pui geschraapt, maar de constructie eronder blijft dezelfde. Acht jaar na dato moeten vijf wereldspelers bekennen dat ze tot 2013 aan grove manipulatie hebben gedaan, het consumentenvertrouwen is historisch laag en het oppervlakkige antwoord op de maffiapraktijken blijft: ‘er moet een cultuuromslag komen.’ Het is overduidelijk dat we momenteel in een impasse zitten, die erop neerkomt dat we agree to disagree; wat dat betreft kon het gesprek tussen Joris Luyendijk en Onno Ruding bij Buitenhof niet symbolischer zijn. Deze impasse is rechtstreeks te herleiden naar het cultuurrelativisme van de sector. Pas als we die onderliggende ideologie aankaarten, komen we een stap verder.

    Bankiers hebben een intrinsiek geloof in het adagium: in verschillende omgevingen gelden nu eenmaal verschillende morele codes

    Bankiers hebben een intrinsiek geloof in het adagium: in verschillende omgevingen gelden nu eenmaal verschillende morele codes. En of iets goed of fout is, meet je enkel af aan de eigen culturele code. Let maar eens op het taalgebruik, waaruit blijkt hoe in zichzelf gekeerd de sector is:     “Ik denk dat we een goed voorbeeld geven. Er wordt ingeleverd ten opzichte van het oorspronkelijke contract. Dus we hoeven niet bang te zijn dat de graaicultuur terug is? Nee zeker niet, het is een inlevercultuur.” Gerrit Zalm, bestuursvoorzitter ABN Amro, NOS Journaal 20 maart 2015.   “'De maatschappij waar ik voor sta en in leef, werkt met markten. Als ik een markt zou kunnen vinden waar raden van bestuur een ton verdienen, zou ik die raden van bestuur een ton geven.” Rik van Slingelandt, voorzitter RvC ABN Amro, debat Tweede Kamer 7 april 2015.   “De salarisverhogingen zijn peanuts in internationaal verband gezien. Het geeft aan hoe groot de afgunst in onze samenleving is.” Chris de Groot, headhunter, Nieuwsuur 20 maart 2015.   “De banken hebben van die staatjes en vergelijkingen; ze kijken naar de groep van 50 wereldwijde spelers en zien dat ze qua omvang bijvoorbeeld 23e zijn. Maar qua beloning zijn ze dan maar 48e.” Jeroen Smit, auteur De Prooi, Pauw 20 maart 2015.[3]   Uit alles spreekt: ik begrijp wel dat het in júllie cultuur (de Nederlandse samenleving) als onwenselijk gedrag wordt gezien, maar in ónze cultuur (de financiële sector wereldwijd) is dit heel normaal. Sterker nog: daar zijn wij het braafste jongetje van de klas. Een spagaat van jewelste, die verklaart waarom er zulke halfslachtige maatregelen worden getroffen en geen der partijen er een goed gevoel aan overhoudt. Bankiersgedrag is niet amoreel, zoals Joris Luyendijk constateert, of immoreel, maar simpelweg gebaseerd op een andere morele code.

    Objectieve waarheid

    Zo geloven Zalm cum suis oprecht dat een salarisverhoging van 20% van managers het juiste is om binnen de internationale arbeidsmarkt concurrerend te blijven, en geloven wij, de samenleving, dat dit belachelijk is gelet op het staatsinfuus, de nullijn voor overige medewerkers en de financiële schraalte waarin huidige aandeelhouders (het volk) en veel klanten van die banken verkeren. Precies dit is de crux waarop alles blijft hangen: we verwerpen het idee dat er ook een objectieve waarheid zou kunnen gelden. Tegen dit uitgangspunt heb ik verschillende bezwaren.

    1. Geloof versus feitelijke uitkomst

    Het is prima dat twee partijen verschillende dingen geloven. De aarde is rond, versus de aarde is plat; pro-vrouwenbesnijdenis, versus pro-integriteit van het lichaam; 7,5 ton euro voor een 80-urige werkweek is niets vergeleken met inkomens in The City, versus 7,5 ton euro is eenentwintig keer Nederlands modaal. Maar dat partijen het met elkaar oneens zijn, wil niet zeggen dat er geen objectieve waarheid over het onderwerp is vast te stellen. Het is goed mogelijk dat één van hen het mis heeft, gelet op de feitelijke uitkomst. Die is dat de aarde bewezen rond is, vrouwen aan besnijdenis onomkeerbare fysieke en mentale problemen overhouden, en je je met 7,5 ton euro aan beloning en geen ondernemersrisico nooit meer zorgen hoeft te maken over je hypotheek, rekeningen, pensioen of een studiefonds voor je kinderen.

    1. Vooruitgang

    Als je vindt dat iedere cultuur haar eigen gebruiken heeft en daarover geen objectief oordeel te vellen is, valt de notie van vooruitgang weg. Dit verklaart ook de halsstarrigheid van de financiële sector, die door ons als wereldvreemd wordt geïnterpreteerd. Vooruitgang impliceert namelijk openstaan voor een betere of andere manier om iets te doen, waarmee je toegeeft dat er toch een superieure of inferieure uitvoering mogelijk is.

    1. Aparte werelden

    Het is één ding om je erbij neer te leggen dat in een andere omgeving, bijvoorbeeld een land waarmee je weinig te maken hebt, gebruiken heersen die jij afkeurt. Maar wat als dat land of die omgeving jouw levenssfeer betreft? Dat is waar de schoen wringt: de financiële sector ziet zichzelf als een autonoom universum dat boven of buiten de samenleving opereert, terwijl die samenleving zelf de financiële sector als onderdeel van zichzelf ziet. Hoe komen we nu verder? De sector houdt vol: ons handelen is heus voordelig en te verdedigen, en de samenleving werpt tegen: dat is het niet. De concrete vraag die nu moet worden beantwoord is: pakt de praktijk in kwestie de facto goed of slecht uit voor degenen wiens levens erdoor worden beïnvloed?

    De bakker en het dorp

    Eerst moeten we vaststellen wie die ‘betrokkenen’ zijn, oftewel de belanghebbenden of stakeholders. Laten we een simpel voorbeeld nemen. Een klein dorp heeft een bakker. Alle inwoners kopen iedere ochtend hun brood bij hem en de bakker heeft een persoonlijke band met zijn klanten, personeel en de andere middenstanders. Door een paar domme beslissingen gaat de bakker bijna failliet. De dorpelingen besluiten hem te helpen en nemen de bakkerij over. Alles blijft verder hetzelfde en de bakker, zijn personeel, de dorpelingen en de omgeving zijn tevreden. Na een tijdje dient zich een buitenlands investeringsfonds aan als koper. Voor een mooi bedrag neemt het fonds de bakkerij over van de dorpelingen en belooft dat het een bakkerij blijft. Maar om meer winst te kunnen maken, wordt personeel al snel vervangen door machines, eigengemaakt brood vervangen door afbakbrood, en het assortiment uitgebreid met andere producten. Er kan niet meer op de pof worden gekocht en uiteindelijk wordt de oude bakker vervangen door een manager uit de stad. De winst stijgt alsmaar en het investeringsfonds is tevreden.

    Onze banken beantwoorden de vraag “Is de praktijk in kwestie de facto voordelig voor de belanghebbenden?” met een volmondig ja

    In de eerste situatie zijn de belanghebbenden: de bakker/DGA, het personeel, de klanten, het dorp. In de tweede situatie zijn het de aandeelhouders. Althans: zo ziet de manager het, die nu de leiding over de bakkerij heeft. Het dorp en de mensen, daarentegen, zien zichzelf nog steeds wel degelijk als belanghebbenden. Zie hier het dilemma dat is ontstaan toen begin jaren ’90 werd overgeschakeld van het Rijnlandmodel, dat uitging van stakeholdervalue, naar het neo-Amerikaanse (of Angelsaksische) model, dat uitgaat van shareholdervalue en winstmaximalisatie. Onze banken beantwoorden de vraag “Is de praktijk in kwestie de facto voordelig voor de belanghebbenden?” met een volmondig ja, omdat zij de aandeelhouders[4] in gedachten hebben. De belangen van klanten, werknemers, de omgeving waarbinnen het bedrijf opereert, staan op het tweede plan; zelfs als het aandeelhoudersbelang dat van de overige stakeholders schaadt, krijgt het voorrang – de kern van het ontstaan van de financiële crisis. Zo kon het gebeuren dat de meest complexe financiële producten, zoals subprimes, konden worden verkocht aan de meest kwetsbare huishoudens, of werden gigantische derivatenportefeuilles verkocht aan corporaties (doelstelling: het aanbieden van betaalbare woningen aan mensen in de lagere inkomensklassen).   FNV-voorzitter Ton Heerts schreef het in 2012 in een vertrouwelijke notitie: in de onderhandelingen met werkgevers hebben directieleden nog amper een autonome stem. Zij spreken vooral namens hun aandeelhouders. In het geval van de banken is deze omkering extra kwalijk, aangezien het risico van hun handelingen wél bij de stakeholders ligt.

    Shareholdervalue

    De bestuurders zelf zullen deze aantijging verwerpen en stellen dat ze wel degelijk oog voor de ‘overige’ betrokkenen hebben. Er moest zelfs een bankierseed aan te pas komen, die letterlijk het oude stakeholdermodel voorstaat: ‘een zorgvuldige afweging tussen de belangen van alle partijen die bij de onderneming zijn betrokken, te weten die van de klanten, de aandeelhouders, de werknemers en de samenleving waarin de onderneming opereert.’ Hebben ze het dan eindelijk begrepen, na acht jaar? Toetsen we dat aan het feitelijk handelen, komen we helaas toch weer bij dezelfde conclusie:

    • Peter Wakkie (RvC ABN Amro) treedt af na het beloningenschandaal, niet Gerrit Zalm, omdat het aftreden van een topman binnen een jaar voor beursgang funest is voor het aandeelhoudersvertrouwen.
    • Aandeelhouders zelf keuren dit alles goed, omdat ze zich laten regeren door de dagkoersen: de aandeelhouders die mogelijk weglopen, het vertrouwen dat daalt, het aandeel dat daalt. Dit bevordert korte termijn denken. Lange termijn denken zou inhouden: de klant op de eerste plaats.
    • Waarom wordt in de financiële sector 15% meer betaald dan in andere sectoren? Standaard antwoord van de Renumeratiecommissie: we moeten een goede reputatie behouden ten behoeve van aandeelhoudersvertrouwen.
    • De kredietcrisis had nooit kunnen ontstaan als banken zich hadden afgevraagd of complexe renteproducten waarvan de risico’s niet zijn in te schatten wel bij de aard van hun klanten pasten. De winstmarges waren al dat telde. Dat dit sindsdien niet is veranderd, blijkt uit het feit dat sinds de crisis banken voor 300 miljard aan schikkingen hebben betaald voor malversaties. 

    Billen bloot

    Een maand geleden stelde de AFM onomwonden dat de kern van de financiële crisis nog niet opgelost is, en er nog steeds een ‘cultuuromslag moet plaatsvinden.’ Vandaag heeft ABN AMRO haar beursgang aangekondigd: het publiekelijke mea culpa van Zalm was de lolly die onwelgevallige stemmen de mond moest snoeren, en als schapen dragen we ons lot nu weer over aan anonieme meesters. We staan erbij en kijken ernaar; het bankiersrelativisme heeft ons in de greep. Het idee dat er twee werelden zijn, met ieder hun eigen gebruiken, moeten wij als samenleving verwerpen. Niet over een maand, of over een jaar, maar nu. De hangende plaat waarop wij roepen om een ‘cultuuromslag’ draagt alleen maar bij aan het in standhouden van het huidige systeem. De sector heeft helemaal geen récht op een eigen cultuur met een eigen moreel kompas, dat hier en daar wat verbuigingen behoeft. De sector moet zich voegen naar onze cultuur: die van de samenleving die zij dient. Het inclusieve stakeholdermodel, waarin ook aandeelhoudersbelangen worden gewaarborgd. Zo lang wij die onderliggende ideologie niet aankaarten, zijn wij zelf schuldig aan de barbarij die we aan boord halen. Voor nu is het wachten op het volgende debacle, dat door Zalm weer als ‘een akkefietje’ kan worden afgedaan. En dat is het ook. In zijn wereld.

     

    [Noten]

    [1] Voor een goed voorbeeld van het verdedigen van een cultureel gebruik, zie de zaak Kassindja, over een meisje dat in ’96 Togo ontvluchtte wegens dreigende besnijdenis en asiel aanvroeg in de VS. Een publiek debat ontspon of deze praktijk (uitgevoerd in 26 Afrikaanse landen, WHO) reden is voor asiel, met een reeks artikelen in de NYT, waarbij het argument werd gebruikt dat het moreel incorrect en etnocentrisch is andermans gebruiken te bekritiseren.

    [2] Dit verhaal geldt in grote delen analoog voor het reguliere bedrijfsleven; de banken verkeren echter in een uitzonderingspositie door het afgedekte risico van staatssteun.

    [3] NB: Deze uitspraken gaan over beloningen, maar die zijn slechts een symptoom van een algehele onderliggende cultuur.

    [4] In het geval van de banken die in handen van de staat zijn: de beoogde aandeelhouders na beursgang.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Roxane van Iperen

    Gevolgd door 107 leden

    'De Pleitschrijver' bekijkt de wereld vaak door een financieel-economische bril. Focust op compliance en integriteit.

    Volg Roxane van Iperen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren