Spaargeld: risicoloos bezit is verworden tot verliespost
© ANP / Robin Utrecht

Belasting betalen is nog steeds voor dommen (en pechvogels)

Verschillende fiscalisten en juristen hebben het Nederlandse belastingssysteem als onrechtvaardig getypeerd. Met name box 3, de vermogensbox, moet het ontgelden. Volgens Hans Baaij betalen spaarders met nul rendement evenveel belasting over hun vermogen in box 3 als bezitters van aandelen en vastgoed die forse winsten boeken. Wie spaart is de sigaar. Dat moet en kan anders.

Willem Vermeend, voormalig staatssecretaris van Financiën namens de PvdA, voerde in 2001  een nieuw belastingstelsel in. Dat stelsel bestaat nog steeds. Kenmerkend daarin zijn drie zogenaamde boxen. Box 1 bestaat onder andere uit inkomsten uit (vroegere) arbeid en het eigen huis. Box 2 is bestemd voor de directeur/aandeelhouder. En in Box 3 bevindt zich het vermogen van particulieren, zoals spaargeld, aandelen, obligaties en vastgoed. Om de zaak simpel te maken werd in Box 3 een fictief rendement van 4 procent (de zogeheten vermogensrendementheffing) aangehouden. Dat was in 2001 een rendement dat volgens de politiek iedereen makkelijk moest kunnen realiseren. 

Sinds 2001 is de rente op spaargeld evenwel steeds lager geworden. Inmiddels is de spaarrente nihil of zelfs negatief en is het rendement op staatsobligaties verwaarloosbaar. Maar aandelen zijn enorm in waarde gestegen en onroerend goed nog meer. Desalniettemin betalen spaarders met nul rendement evenveel belasting over hun vermogen in box 3 als bezitters van aandelen en vastgoed die forse winsten behalen.

De uitgangspunten van de wet deugden vanaf het begin van geen kant en blijken in de praktijk hoogst onrechtvaardig. Hoogleraren in fiscaal recht, diverse commissies en zelfs de Hoge Raad hebben talloze malen beargumenteerd dat de wet onrechtvaardig is, in strijd met Europese wetgeving en dat er ruimschoots alternatieven voorhanden zijn. Maar de overheid wil een vaste opbrengst en vooral eenvoud in de uitvoering. 

In het vakblad Weekblad Fiscaal Recht (WFR) stelt Sybren Cnossen, emeritus hoogleraar Belastingrecht aan Erasmus School of Economics en emeritus hoogleraar Algemene Economie aan de Universiteit van Maastricht, dat de wetgever het gelijkheidsbeginsel met voeten treedt. Fiscalist M. Romyn, voormalig partner bij Ernst & Young, schrijft in WFR dat de onderbouwing van box 3 door voormalig staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes (VVD) bij elkaar gefantaseerd is. Koos Boer en Henk Vording, beiden hoogleraar Algemeen Belastingrecht aan de Universiteit Leiden, stellen in een artikel in hetzelfde vakblad dat de relatie tussen inkomsten uit vermogen en de hoogte van de belasting volkomen is losgelaten. 

De hooggeleerde fiscalisten zijn het er kortom over eens dat er betere systemen bestaan: systemen die uitgaan van werkelijke vermogenswinst en die door vrijwel alle andere EU landen worden toegepast. Nederland is een curieuze uitzondering, samen met Bulgarije, Cyprus, Luxemburg en Malta. Honderdduizenden spaarders en beleggers in obligaties zijn de dupe.

Een plan voor de 21e eeuw 

Het nieuwe belastingstelsel zou in de woorden van toenmalig staatssecretaris Willem Vermeend ons belastingstelsel gereed maken voor de 21e eeuw, belastingconstructies overbodig maken en de belastingdruk van arbeid verplaatsen naar consumptie en milieuvervuiling. Ons stelsel zou een voorbeeld zijn voor andere landen.

De vermogensrendementsheffing (ook wel box 3 genoemd) was een onderdeel van het plan van Vermeend. Peter Kavelaars, hoogleraar Fiscale Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, schrijft in WFR: ‘De robuuste heffing van de 21e eeuw: dat was bij de invoering van Box 3 de kernachtige duiding van toenmalig staatssecretaris Vermeend, die daarmee in de kern aangaf dat die heffing het wel een eeuw zou moeten kunnen uithouden. Dat leek me toentertijd niet alleen onrealistisch maar zeker onwenselijk: een onrechtvaardiger heffing is in een naar draagkracht geheven inkomstenbelasting nauwelijks denkbaar.’

Ons stelsel zou een voorbeeld zijn voor andere landen

Voor het gehele vermogen (minus een belastingvrij bedrag van circa 25.000 euro) werd in 2001 een vast, fictief rendement van 4 procent vastgesteld. Toen het belastingstelsel werd ingevoerd, was er al een aantal jaren sprake van grote winsten op de beurs. Ook bedroeg de rente op spaargeld nog bijna 4 procent. ‘Elke sukkel haalt meer dan 4 procent,’ stelde toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm. Om te vervolgen: ‘Wie dat niet lukt kan bij mij staatsobligaties krijgen, met een procent of 6 rendement.’

Het lachen verging spaarders en beleggers ondertussen en er kwam steeds meer kritiek. In een poging de kritiek te weerleggen fantaseerde staatssecretaris Wiebes in 2015 er volgens Ernst & Young-fiscalist Romyn zoals gezegd stevig op los. Specifieker: volgens Wiebes kon iemand met een vermogen tussen een ton en een miljoen euro die 4 procent zeker halen, en wel door 42 procent in Nederlandse koopwoningen te investeren, 26 procent in Europese aandelen, 11 procent in tienjarige staatsobligaties en 21 procent in kortlopende deposito’s. Romyn stelde in WFR (2015/1528) dat Wiebes met zijn manier van rekenen de verkopers van woekerpolissen respectabel maakte. 

Om de onredelijke gevolgen van de heffing op spaargeld te verminderen, werden in 2017 en 2020  aanpassingen doorgevoerd. Het systeem met twee fictieve percentages werd vervangen door een veel complexer systeem met fictieve (vaste) percentages die particulieren geacht worden aan te houden. Zo denkt de overheid dat mensen met weinig vermogen vooral spaargeld hebben en dat mensen met veel vermogen alleen maar beleggingen hebben. Er wordt dus wederom niet aangesloten bij wat individuele belastingplichtigen werkelijk bezitten. Hieronder een tabel met een overzicht van wat de staatssecretaris voor ons bedacht heeft. 

Uit deze tabel valt op te maken dat iemand met een vermogen van meer dan één miljoen euro geacht wordt geen spaargeld te hebben. Mensen met een klein vermogen hebben daarvan fictief tweederde spaargeld en een derde is belegd. De rendementen zijn ook fictief. Alleen het belastingpercentage is echt.

Uiteindelijk is dus de hoogte van de belasting die men moet afdragen alleen gebaseerd op uitgangspunten. Vanzelfsprekend was er de behoefte bij fiscalisten om de ratio achter de uitgangspunten van de percentages, schijven en berekeningen te weten.

Nevelen

Cor Overduin, belastingadviseur bij accountants- en adviesbureau Grant Thornton stelt in WFR (2020/188) dat de gegevens, die in 2015 volgens de wetgever empirisch waren vastgesteld, in 2017 en 2020 zonder enige motivering of toelichting werden ‘herijkt’. Het waarom en hoe van percentages en schijven blijft in nevelen gehuld, aldus Overduin. Vragen aan de staatssecretaris worden niet beantwoord. Het blijft bij gissen naar de antwoorden en het lijkt erop dat men iets verborgen wil houden. Dat vermoeden wordt versterkt als pas na een rechterlijk vonnis en na verloop van bijna 22 maanden een WOB-verzoek openbaar wordt gemaakt. Hieruit blijkt dat de aanpassingen van de wet door staatssecretaris Wiebes zo georganiseerd zijn dat vragen vanuit het parlement omzeild worden.

‘Buiten de Staatssecretaris van Financiën is er niemand die enig begrip kan opbrengen voor de box 3-heffing’

In een lang artikel in WFR (2021/12) met als titel ‘Box 3: een fiscale Fyra’ maken Overduin en Romyn gehakt van de berekeningen en uitgangspunten van Wiebes en zijn ambtenaren. Volgens hen is bijvoorbeeld de benchmark voor aandelenrendement onrealistisch en begrijpt de staatssecretaris zelf niet hoe deze precies in elkaar steekt. De evaluatie van box 3 door staatssecretaris en ambtenaren is een enorme trukendoos om de verlangde belastinginkomsten binnen te halen. Daarbij zorgen de ingewikkelde berekeningen en argumenten voor een mistgordijn. Zoals Edwin Heithuis, hoogleraar Fiscale Economie aan de Universiteit van Amsterdam, schrijft in WFR (2019/63): ‘Volgens mij is er, buiten de Staatssecretaris van Financiën, niemand die enig begrip kan opbrengen voor de box 3-heffing. Dat geldt wat mij betreft a fortiori voor de box 3-heffing, zoals die sinds 2017 tot stand is gebracht, want toen is het box 3-systeem naar mijn mening eerder verslechterd dan verbeterd.’

Staatssecretaris van Financiën Hans Vijlbrief (D66) presenteerde in mei 2020 het plan Bouwstenen voor een beter belastingstelsel. In een bij tijd en wijle uiterst cynisch commentaar schrijft de eerdere aangehaalde Cnossen in WFR (2020/135): ‘Als iets opvalt in het syntheserapport, Bouwstenen voor een beter belastingstelsel, dan is het wel dat het gelijkheidsbeginsel — gelijke economische situaties dienen fiscaal gelijk te worden behandeld — door de fiscale wetgever met voeten wordt getreden. De inbreuken op het gelijkheidsbeginsel lopen als twee rode draden door het rapport.’ 

Cnossen maakt gehakt van de heffing in box 3, alsook van de argumentatie van staatssecretaris Vijlbrief dat het administreren van het eigen vermogen door belastingplichtigen ‘structureel problematisch’ is. ‘Mensen zouden zelf hun rendementen en kosten moeten bijhouden en invullen in de belastingaangifte waardoor de huidige vooraf ingevulde aangifte niet meer voldoet voor mensen met vermogen.’

Vijlbrief en zijn ministerie zijn duidelijk niet van plan om hun prachtige uitvinding – een reeds ingevuld aangiftebiljet waarnaar geen ambtenaar meer hoeft te kijken – te laten verrommelen door domme belastingplichtigen die maar wat invullen. Dit is een onnodige vrees, zoals ik hieronder zal uitleggen. Door het vastgoed van box 3 naar box 1 te verhuizen, kan namelijk vrij exact bijgehouden worden wat individuele belastingplichtigen exact aan vermogenswinst behalen.

Uitgangspunten box 3 in strijd met het EVRM

Bij de invoering van box 3 in 2001 heeft de wetgever als uitgangspunt genomen dat het forfait gebaseerd is op ‘het rendement dat iedereen in staat is om, zeker indien dit over een wat langere periode wordt bezien, zonder risico te kunnen behalen.’ Met andere woorden: voor iedereen was volgens Vermeend en Zalm een rendement van 4 procent haalbaar. Volgens de ‘Commissie ficties en forfaits van de Vereniging van Belastingwetenschap’  vormde dit systeem evenwel een inbreuk op de rechten van de individuele belastingplichtige: het verlies aan rechtvaardigheid wordt niet gecompenseerd door de winst aan doelmatigheid bij de Belastingdienst. Ook deze commissie constateert dat het systeem niet deugt en stelt dat er aangesloten moet worden bij een systeem dat belasting heft over het werkelijke rendement en niet over een fictief rendement. Dat het systeem van box 3 niet deugt, bevestigt voormalig raadsheer in de Hoge Raad mr. Bernard Bavinck. Hij concludeert in WFR (2019/22) dat de heffing in box 3 weliswaar uniek is in de wereld, maar dat daar redenen voor zijn.

Het kabinet greep de kans om, ondanks de spijkerharde conclusies, het arrest naast zich neer te leggen

Dat de Hoge Raad het forfaitaire stelsel van box 3 op 14 juni 2019 beoordeelde als in strijd met het eigendomsrecht in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), kwam dan ook niet als een verrassing. De heffing kent geen ‘fair balance’ tussen het belang van de individuele belastingplichtige en het algemeen belang. Het rendement van 4 procent was volgens de Hoge Raad vanaf 2001 niet realistisch meer voor spaarrekeningen, vanaf 2009 niet meer voor staatsobligaties en vanaf 2010 niet meer voor deposito’s. Maar de Hoge Raad voegde daar meteen aan toe dat bij een ‘dergelijke schending op stelselniveau de rechter in beginsel niet kan ingrijpen’. Omdat de Hoge Raad weigerde in te grijpen, kreeg het kabinet de kans om, ondanks de spijkerharde conclusies, het arrest naast zich neer te leggen. Weer veranderde er niets.

Gevolgen voor belastingplichtigen

Stel: iemand heeft lang gespaard en bezit 350.000 euro spaargeld als aanvulling op de AOW. Dit is een netto bedrag. Om dit geld netto te kunnen sparen heeft de spaarder in de loop der jaren over zijn bruto inkomen (meestal inkomsten uit arbeid) al iets van 200.000 euro aan inkomstenbelasting afgedragen. Het is dus om te beginnen al discutabel dat er in box 3 over het vermogen betaald moet worden. Het is namelijk in box 1 al een keer progressief belast met inkomstenbelasting – en wat er netto resteerde, is gespaard. Dat er in box 1 al belasting betaald werd, is een goede reden om het opgebouwde vermogen niet nogmaals te belasten, maar te kiezen voor het rendement op dat vermogen.

De spaarder in dit voorbeeld heeft nooit belegd – bijvoorbeeld omdat hij geen verstand heeft van beleggingen en de risico’s niet overziet. Bovendien denkt hij dat de rente te zijner tijd wel weer omhoog zal gaan en de waarde van aandelen en onroerend goed zal dalen. Tot 2017 was er nog een klein beetje rente, nauwelijks genoeg om de inflatie bij te houden. Reeds in tien jaar is een flink deel van het vermogen door inflatie, belastingen en zeer lage rente verdampt. Saillant is verder dat de lage rente voor een belangrijk deel te wijten is aan de overheid c.q. de centrale banken die de gelddrukpersen maximaal laten draaien. En een lage rente is omgekeerd evenredig met waardestijgingen van aandelen en onroerend goed. Wat slecht is voor de spaarder, is goed voor de belegger.

Onze spaarder heeft te maken met een waardevermindering van meer dan 80.000 euro. Wordt bij de inflatie rekening gehouden met de sterke stijging van woonlasten, dan verliest spaargeld in tien jaar zelfs meer dan 120.000 euro  aan waarde. Spaargeld is van een risicoloos bezit verworden tot een geweldige verliespost. En dat is zuur, zeker voor mensen die deels van hun spaargeld moeten leven. 

Had onze spaarder indertijd zijn spaargeld van 350.000 euro in aandelen of in vastgoed gestoken, dan was box 3 juist heel gunstig geweest. Afhankelijk van het soort aandelen (Europese hadden een gemiddeld rendement van 8 procent en Amerikaanse van 16 procent) en de locatie van het vastgoed, zijn rendementen uit dividend en verhuur en waardestijging van 10 procent per jaar goed mogelijk. Over tien jaar betekent dit een waardevermeerdering met 122 procent. Dat betekent niet alleen dat voor deze geluksvogel het vermogen stijgt, maar ook dat de box 3 belasting slechts 9 procent bedraagt van de winst.

Indien de spaarder en belegger met hetzelfde bedrag van 350.000 euro beginnen, dan is het verschil in vermogen na tien jaar opgelopen tot een schrikbarend bedrag van een half miljoen euro. 

De huidige heffing van box 3 is voor veel belastingbetalers uitermate nadelig, terwijl de heffing voor anderen juist onnodig en overdreven gunstig uitpakt

Alle hiervoor genoemde fiscaal deskundigen zijn het eens dat de huidige heffing van box 3 voor veel belastingbetalers uitermate nadelig is, terwijl de heffing voor anderen juist onnodig en overdreven gunstig uitpakt. De staatssecretaris van Financiën is wel tevreden, want per saldo haalt deze zonder veel moeite de beoogde belastingopbrengst. 

Overigens is zelfs de oorspronkelijke opzet van voormalig staatssecretaris Vermeend om een einde te maken aan belastingconstructies niet geslaagd. De rijkere en fiscaal handige spaarder heeft voor de belastingheffing op spaargeld een oplossing gevonden door een Spaar BV op te richten. Het spaargeld wordt bij een speciaal opgerichte Besloten Vennootschap gestort als zogeheten agioreserve. Ook kan een combinatie van beleggers ter vermijding van box 3 een Open Fonds voor Gemene Rekening oprichten.

De rijke belastingontwijker krijgt evenmin rente, maar hij betaalt dan in ieder geval geen belasting. En bij twee miljoen scheelt dat zomaar rond de 30.000 euro per jaar. Zoals de titel van een boek van Flip de Kam uit 1979 luidde: Belasting betalen is voor de dommen. De constructie met een Spaar BV of Open Fonds is natuurlijk al lang bekend maar tot ingrijpen door het ministerie van financiën heeft dit niet geleid. 

Scepsis fiscalisten bleek terecht

Achteraf kan geconcludeerd worden dat de scepsis vooraf van de fiscalisten volkomen terecht was. Het nieuwe belastingsysteem moest er vooral komen vanwege een combinatie van hobbyisme en ijdelheid bij Willem Vermeend. De drang om een historische figuur te worden, was kennelijk groot. Anders dan Vermeend voorspelde is ‘ons’ belastingstelsel niet door serieuze landen overgenomen en dus een teken aan de wand.

Sylvester Schenk, directeur bij het Register Belastingadviseurs, schreef in WFR (2020/229): ‘Als er — naast de kinderopvangtoeslagellende — nog een dossier is waarbij de overheid zich volstrekt ongeloofwaardig heeft gemaakt, dan is het dit wel.’ De overeenkomst met de toeslagenaffaire is inderdaad groot. Een politiek en ambtelijk apparaat dat naar binnen gericht is en dat het eigen belang boven het belang van individuele burgers stelt. Meer rechtvaardige (humane) oplossingen worden niet toegepast omdat ze niet passen in de voor de belastingdienst bedachte structuur c.q. het al vooraf ingevulde aangifteformulier. Niet het formulier wordt aangepast, maar de wetgeving. Uit gemakzucht, desinteresse en onkunde. Deskundigen en burgers die bezwaar maken, worden genegeerd. En als het negeren niet meer lukt, wordt hen het leven zo zuur mogelijk gemaakt. De rechterlijke macht ziet het gebeuren, maar laat het bij woorden en grijpt niet in. De Tweede Kamer wordt niet volledig geïnformeerd, is niet deskundig genoeg en de coalitie van regeringspartijen is dichtgetimmerd met afspraken. Fiscaal geschoolde parlementariërs zijn er (bijna) niet.

Deskundigen en burgers die bezwaar maken, worden genegeerd

Het gevolg van het beleid van de overheid is dat steeds meer groepen, zoals in dit geval te goede trouw zijnde spaarders, de overheid en politiek wantrouwen. De ‘burger voelt zich niet gehoord’ heet het dan. Sylvester Schenk, directeur fiscale zaken Register Belastingadviseurs begrijpt dat wantrouwen heel goed. Volgens hem is het uitgangspunt van staatssecretarissen als Wiebes de wet van Sutton. Sutton was een Amerikaanse bankrover, die op de vraag waarom hij banken beroofde, antwoordde: ‘Because that’s where the money is’. (WFR, 2020/229)

Oplossingen 

Fiscale deskundigen zijn het hartgrondig eens dat een belastingsysteem gebaseerd op echte vermogenswinst zonder meer haalbaar is. Vrijwel alle EU-landen hebben zo’n systeem al jaren. Door het vastgoed van box 3 naar box 1 te verhuizen, resteren in box 3 spaargeld, aandelen en beleggingen. Dat maakt volgens Edwin Heithuis (WFR; 2019/63) de weg vrij om box 3 om te vormen tot een belasting naar het werkelijke rendement met nauwelijks extra werk voor de Belastingdienst. De belasting wordt dan betaald overeenkomstig het algemeen aanvaarde draagkrachtprincipe: de sterkste schouders en degenen die het meeste baat hebben, betalen procentueel de meeste belasting - en niet andersom, zoals nu het geval is. De geluksvogels gaan wat meer betalen, de pechvogels minder.

Ik bevind mij dan ook in goed gezelschap met de volgende aanbevelingen:

  • Beoordeel mensen met vermogen individueel, op basis van hun werkelijke bezittingen en rendementen en niet via fictieve inkomsten en bezittingen.
  • Bereken vermogenswinst over een periode van minstens vijf jaar, liefst langer, zodat grote winsten of verliezen geëlimineerd worden en de belastingopbrengsten voor de schatkist redelijk gelijkmatig verlopen. 
  • Veronderstel dat veel burgers geen verstand hebben van beleggingen of van het exploiteren van vastgoed en daarom risicoloos hun geld op een spaarrekening willen zetten of staatsobligaties kopen. Zoals ze dat geleerd is en zoals dat decennia goed gegaan is. Sparen is immers een deugd, zoals menigeen in de opvoeding heeft geleerd.
  • Ga er daarentegen wel vanuit dat belastingplichtigen best in staat zijn hun vermogen en de winst op vermogen netjes in te vullen. Overigens worden deze gegevens vrijwel allemaal al door financiële instellingen geautomatiseerd aangeleverd.
  • Zorg voor een begrijpelijke en rechtvaardige heffing. Dat bevordert het draagvlak, vermindert onvrede en fraude en draagt bij aan de vertrouwensrelatie tussen burger en overheid.