De invoering van de Wet Normering Topinkomens (WNT) is een jaar uitgesteld. Jammer, vindt columnist Peter Hendriks. 'De bestaande inkomensnormen overwaarderen de zwaarte van functies als directeur/bestuurder van een woningcorporatie- of ziekenhuisdirecteur nog steeds flink.'

    Het blijft rommelen rond de Wet Normering Topinkomens. Volgens deze wet, die onlangs door de Eerste Kamer werd aanvaard, mogen topbestuurders van publieke en semi-publieke organisaties niet meer dan 100 procent van een ministerssalaris verdienen. Dat komt neer op een maximum van 178.000 euro, inclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering, pensioenbijdrage en onkosten. De norm lag sinds 1 januari 2013 op 130 procent van een ministerssalaris. Daarvóór kwamen er veel hogere inkomens voor, met Vestia's Erik Staal, die jarenlang tussen de vier en vijf ton toucheerde, als recordhouder.

    Het is geen geheim dat de VVD nooit een aanhanger was van de aangescherpte WNT van Ronald Plasterk, de Minister van Binnenlandse Zaken. In de Eerste Kamer stemden alle VVD-senatoren tegen de wet. Maar door ruime steun van de overige fracties, werd de wet toch aangenomen. Maar vlak voor Kerst stelden de VVD-ministers Edith Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en Stef Blok (Wonen en Rijksdienst) dat 1 januari 2015 niet haalbaar is als datum van invoering. Ze besloten deze een jaar uit te stellen.

    Wraakactie

    Het leek bijna een wraakactie van met name Schippers, die door toedoen van drie PvdA-senatoren (Adri Duivesteijn, Guusje Terhorst en Marijke Linthorst) haar Zorgwet in de Eerste Kamer zag sneuvelen. Maar eerlijk gezegd is het moeilijk zulk gedrag te plaatsen in de Nederlandse politieke cultuur. Wat de beweegreden van de twee VVD-ministers ook mag zijn geweest, het plotselinge uitstel van de invoering van de WNT maakt een rommelige, onprofessionele indruk.

    Bram Peper zei ooit: 'Een woningcorporatie kun je met je pink besturen'

    Uit het stemgedrag van de VVD-senatoren zou je kunnen opmaken dat de VVD op het standpunt staat dat het inkomen van van semi-publieke topbestuurders met de invoering van de WNT van 2013, al genoeg aan banden is gelegd. De bestuurders van de grootste semi-publieke organisaties mogen volgens de deze partij dus best 130 procent verdienen van het inkomen van hun hoogste baas, de minister waaronder ze vallen. Je vraagt je af of deze partij daarmee ook zegt dat het runnen van een groot ziekenhuis, of een grote woningcorporatie een zwaardere, verantwoordelijkere, technisch moeilijkere baan is dan het dragen van de eindverantwoordelijkheid voor een heel ministerie.

    Snoeken en baarzen

    De VVD kennende, denken de programma-opstellers langs een andere lijn. De overweging zal waarschijnlijk zijn dat er één markt is voor managementtalent. In die vijver vist zowel het bedrijfsleven, als de semi-publieke sector. Als het bedrijfsleven met vette wormen vist en de semi-publieke sector met bolletjes witbrood, dan zal het duidelijk zijn wie er met de snoeken en de baarzen aan de haal gaat en wie met de voorntjes. Klassiek liberaal marktdenken dus: de semi-publieke sector wil goede managers aantrekken en dan moet je de concurrentie met het bedrijfsleven kunnen aangaan.

    De vraag is of je wel snoeken en baarzen aan de top van een semi-publieke organisatie nodig hebt

    Dat klinkt logisch, maar de vraag is of je wel snoeken en baarzen aan de top van een semi-publieke organisatie nodig hebt. Is een mooie voorn niet goed genoeg? PvdA-coryfee Bram Peper heeft zich niet voor niets eens laten ontvallen dat je een woningcorporatie met je pink kunt besturen. Laten we een woningcorporatie daarom eens vergelijken met een commercieel bedrijf, beide met 150 werknemers. De sector doet er niet zo toe, zolang het maar om een bedrijf gaat dat zich moet handhaven op een markt met vrije mededinging.

    Concurrentie   

    De allergrootste uitdaging voor de eindverantwoordelijke van een commercieel bedrijf is concurrerend blijven. Zijn concurrenten zijn uit op zijn marktaandeel en zullen alles in het werk stellen om daar happen uit te nemen. De algemeen directeur of ceo moet alles op alles zetten om dit te voorkomen en er juist naar streven dat marktaandeel uit te breiden. Dat is een permanente strijd.

    Een directeur/bestuurder van een woningcorporatie kent dat probleem niet. In de meeste gevallen zijn z’n klanten tot hem veroordeeld. Mensen op de wachtlijst zijn vaak als een kind zo blij als ze een woning krijgen toegewezen. De sociale huisvesting is een aanbiedersmarkt. Je hoeft je om te overleven dus niet te veel bezig te houden met zaken als prijs, kwaliteit en innovatie. Het is al goed als je een beetje meegaat met de trend en je aan de wettelijke eisen houdt.

    Een ander groot verschil is dat een commercieel bedrijf voortdurend opdrachten moet binnenhalen. Als de onderneming niet genoeg producten of diensten afzet, kost dat geld. Een corporatie daarentegen is in essentie een woningverhuurbedrijf. Mensen maken maandelijks hun huur over en voor de corporatie is de kasstroom dus zo goed als gegarandeerd. Het missen van een maand huur is in de Nederlandse cultuur zo’n beetje het laatste dat iemand laat gebeuren.

    Financiering

    Een ander groot verschil tussen een commercieel bedrijf en een woningcorporatie is de manier waarop ze aan vreemd vermogen komen. Voor een commercieel bedrijf is het, zeker op dit moment, moeilijk om een banklening te krijgen. Je moet als bedrijf volledig met je billen bloot en als je kasstroom, je solvabiliteit en je onderpand iets te wensen over laten dan is lenen zelfs in deze tijden van lage rente nog steeds duur. De kans is ook groot dat het bedrijf van de bank nul op het rekest krijgt.

    Financiering is voor een corporatiebestuurder geen hoofdpijndossier

    Vergelijk dat met een corporatiedirecteur. Weliswaar is er sinds de corporaties door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) zijn ingedeeld in kleurcodes (rood, geel, groen), een beperkte groep die voor een lening eerst met de pet in de hand bij het WSW langs moet. Maar het overgrote deel van de corporaties zit in de kleurcode groen. Dit betekent dat ze zonder verdere vragen, zo goed als op afroep zeer goedkope, geborgde leningen kunnen krijgen. Financiering is voor een corporatiebestuurder dus absoluut geen hoofdpijndossier.

    De grote nachtmerrie voor iedere manager van een commercieel bedrijf is een faillissement. Dat is het ultieme falen: gezichtsverlies, totale kapitaalvernietiging en veel sociale ellende. Zijn collega van de woningcorporatie schrikt nóóit wakker van dat idee. Hij weet dat een corporatie altijd gered wordt door de sector. Dan kan door middel van saneringsbijdragen door de 374 overige corporaties, of via een overname door een sterkere corporatie. Bij zo’n overname kun je als bestuurder zelfs, met een beetje geluk, nog een mooie functie krijgen binnen de nieuwe fusiecorporatie, al zullen ze je niet snel aan het roer zetten.

    Intern toezicht

    Een commerciële bestuurder is zich er voortdurend van bewust dat hij werkt met het vermogen van de aandeelhouders. Hij heeft te maken met commissarissen die dat ook weten en die hem scherp in de gaten houden. Soms zit de voormalige directeur/eigenaar of een vertegenwoordiger van de familie in die raad. Zo iemand is er alles aan gelegen om het bedrijf zo winstgevend mogelijk te maken. De bestuurder wordt uiteindelijk afgerekend op de winstgroei.

    Het overgrote deel van de woningcorporaties heeft de stichtingsvorm. Dat betekent dat ze van niemand zijn: niet van de huurders, niet van de Gemeente of het Rijk en zeker niet van het management. Dat maakt het ook voor de interne toezichthouders lastiger om heel scherp toezicht te houden. Ze voelen niet dezelfde urgentie als een commissaris van een NV of een BV. Bij zo’n lossere toezichtcultuur heeft een directeur/bestuurder veel ruimte om zijn eigen gang te gaan. Hij moet het erg bont maken om door de interne of externe toezichthouders te worden aangepakt.

    Commerciële projecten

    Sinds de verzelfstandiging van de sector, begin jaren 90, zijn corporaties zich steeds meer gaan bezighouden met allerlei commerciële projecten. Daardoor ging de directeur/bestuurder zich ook steeds meer de evenknie voelen van een directeur van een commerciële vastgoedontwikkelaars. Ze noemden zich graag maatschappelijk ondernemer, maar voelden zich vaak een échte ondernemer.

    Een van de uitkomsten van de Parlementaire Enquête was dat al die commerciële projecten per saldo klauwen met geld hebben gekost. De Enquêtecommissie adviseert om een dikke streep te zetten door die niet-sociale activiteiten. Daarmee zegt de commissie impliciet: de praktijk heeft aangetoond dat corporatiebestuurders door de bank genomen slechte ondernemers zijn.

    Ja, je moet alert zijn en verstand van zaken hebben. Maar of je daarmee nou een ministerssalaris moet kunnen verdienen?

    Dat laatste betekent niet dat directeur/bestuurders minkukels zijn. Ze moeten sturing geven aan organisaties met een verhuurpoot, een onderhoudspoot, een ontwikkelpoot en een financieringspoot. Daar omheen hangen nog een paar facilitaire functies. Zeker bij projecten als het energiezuinig maken van woningen, het saneren van oude woningen en het neerzetten van een nieuwe wijk, moet je alert zijn en verstand van zaken hebben. Je moet overzicht kunnen houden, mensen aansturen en gezag uitstralen. Maar of je daarmee nou een ministerssalaris moet kunnen verdienen, is zeer de vraag.

    Categoriaal gymnasium

    Laten we zeggen dat de directeur/bestuurder van hele grote corporatie het salaris van een directeur-generaal op een ministerie mag verdienen. En de bestuurders van de kleintjes ongeveer het salaris van een directeur van een categoriaal gymnasium met 25 dienstjaren. Waarschijnlijk zal het daar na invoering van de nieuwe WNT en de bijbehorende staffel ongeveer op neerkomen.

    Er is weinig reden om andere normen te hanteren voor andere middenveldsectoren. De besturen werken allemaal met vastgestelde budgetten en/of geborgd vermogen. Natuurlijk moeten scholen met elkaar concurreren om de leerlingen, moeten omroepbazen zorgen voor programma’s met goede kijkcijfer en moeten ziekenhuisdirecteuren ervoor zorgen dat ze geen teams in huis hebben met een opvallend hoog aantal gestorven patiënten per jaar. Maar het lijkt allemaal weinig op de strijd op leven en dood uit het echte bedrijfsleven.

    Tot slot: iedere bestuurder die vindt dat hij na invoering van de WNT te veel achter blijft bij zijn collega’s van het bedrijfsleven, staat het natuurlijk vrij om over te stappen. Het zullen dan wellicht de beste zijn die verdwijnen, maar een leegloop zal het niet worden.

         


    Gastauteur Peter Hendriks heeft voor Follow the Money de parlementaire enquête Woningcorporaties gevolgd en van commentaar voorzien. Email: P.Hendriks.Senior@Gmail.com

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Peter Hendriks

    Gevolgd door 1155 leden

    Redacteur Woningmarkt. Signaleert en analyseert problemen waarmee Nederlanders op zoek naar woonruimte worden geconfronteerd.

    Volg Peter Hendriks
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Woningmarkt

    Gevolgd door 1334 leden

    In de afgelopen jaren kwam bij verschillende woningcorporaties het ene schandaal na het andere naar boven. Het bekendste geva...

    Volg dossier