Leerlingen testen VR-brillen voor afstandsonderwijs, 2022.

Wat gebeurt er met de gegevens die overheden, bedrijven en instellingen over ons opslaan? Wat als ze gehackt of gegijzeld worden? Hoe veilig zijn onze systemen, en onze data? Lees meer

De analoge en digitale wereld lopen steeds meer in elkaar over, internet en technologie knopen alles aan elkaar: beleid, sociale structuren, economie, surveillance, opsporing, transparantie en zeggenschap.

Ondertussen worden we overspoeld door ransomware, digitale desinformatie en diefstal van intellectueel eigendom. Conflicten worden tegenwoordig ook uitgevochten in cyberspace. Hoe kwetsbaar zijn we precies, en hoe kunnen we ons beter wapenen?

We laten overal digitale sporen achter, vaak zonder dat te weten of er iets tegen te kunnen doen. Al die aan ons onttrokken data worden bewaard en verwerkt, ook door de overheid. Dat gebeurt niet altijd netjes. Zo veegde  het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een vernietigend vonnis het Nederlandse anti-fraudesysteem Syri van tafel. Hoe riskant het is om op dataverzamelingen van burgers algoritmes los te laten – datamodellen die vrij autonoom beslissingen nemen – bewijst de Toeslagenaffaire. Die laat ook zien wat het effect is van ‘verkeerde’ registraties die zich als onkruid door overheidssystemen lijken voort te planten, zonder dat iemand ze nog kan stoppen of wijzigen.

En zijn al die gegevens van burgers en klanten wel veilig? Wie kan erbij, wie mag erbij, wat als ze gehackt of gegijzeld worden? Hoe kwetsbaar maakt onze afhankelijkheid van data ons?

42 artikelen

Leerlingen testen VR-brillen voor afstandsonderwijs, 2022. © ANP / Joris van Gennip

Big Tech zit op school (en verandert daar de lessen)

In het onderwijs zit steeds meer technologie. Het klaslokaal is veranderd in een goudmijn voor datahandelaren, maar veel software monitort kinderen nu ook buiten de school. Van de belofte dat de lessen door educatieve software op maat van ieder kind kunnen worden gesneden, komt intussen niet veel terecht. Hoog tijd om onderwijswaarden weer centraal te stellen.

In onderwijsland is, versterkt door de lockdowns, een stille revolutie gaande: het klaslokaal wordt overgenomen door educatieve technologie. ‘Edutech’ staat voor een reeks digitale toepassingen die beloven de onderwijskwaliteit te verbeteren, de efficiency te vergroten en de werkdruk te verminderen. 

Zo zijn er adaptieve leersystemen die zich aanpassen aan het niveau van de leerling en die van ‘gepersonaliseerd leren’ een semi-geautomatiseerd proces maken. Leraren kunnen de vorderingen van hun leerlingen op een dashboard volgen en in één oogopslag zien waar de knelpunten zitten. Dat maakt het een stuk eenvoudiger om gericht in te grijpen en schept, in theorie althans, ruimte voor onderwijsactiviteiten waarvoor nu te weinig tijd is.

Het succes van educatieve technologie staat of valt met data verzamelen. En wie ‘data’ zegt, weet dat de datadieven op de loer liggen

Er is niets tegen het gebruik van technologische hulpmiddelen in het onderwijs – rekenmachientjes vervingen het telraam, tablets de schriftjes en de lesboeken, digiborden het schoolbord – maar als het op edutech aankomt, is het verstandig pas op de plaats te maken. 

Het succes van educatieve technologie staat of valt immers met het verzamelen van data. En wie ‘data’ zegt, weet dat de datadieven op de loer liggen. Uit een ronduit schrikbarend onderzoek van Human Rights Watch naar 164 edutech-producten blijkt dat het overgrote deel ervan (84 procent!) kinderen tot ver buiten het klaslokaal trackt en monitort – of daartoe op z’n minst de mogelijkheid biedt.

De onderzochte aanbieders delen de persoonlijke gegevens van scholieren met liefst 196 derde partijen (voornamelijk adverteerders), valt uit de analyse van de mensenrechtenorganisatie op te maken. ‘Kinderen worden op duizelingwekkende schaal in de gaten gehouden in hun online klaslokalen,’ concludeert het rapport.

De school hoort een veilige en vrije ruimte te zijn

Het klaslokaal als jachtterrein voor datahandelaren is het gevolg van de uitverkoop van de publieke sector aan Big Tech. Anders gezegd: de dynamiek van het surveillancekapitalisme, dat gericht is op het in kaart brengen en manipuleren van menselijk gedrag, laat geen maatschappelijk domein ongemoeid. Of het nu gaat om het gebruik van gezichtsherkenningssoftware door de politie, digitaal thuistoezicht op studenten waar Miriam Rasch eerder op Follow the Money over berichtte of het optuigen van slimme steden: politici, beleidsmakers en (onderwijs)bestuurders, in de ban van optimalisatie- en efficiencydenken, geven commerciële tech-cowboys steeds meer ruimte om hun grip op de publieke infrastructuur te verstevigen. 

De opslag en verwerking van privégegevens aan de onzichtbare hand van de markt overlaten, staat al snel op gespannen voet met de bescherming van publieke waarden. Zo hebben scholen de opdracht om de integriteit van hun leerlingen te beschermen. Wie derde partijen laat meegluren met kinderen die worden geacht te leren en te experimenteren – en daarbij hoort misstappen en stommiteiten kunnen begaan of wegen mogen bewandelen zonder uitkomst of duidelijk doel – doet daar afbreuk aan. Het schoolgebouw behoort een veilige ruimte te zijn, afgesloten voor het spiedende oog van anonieme dataverzamelaars.

Doordat zulke systemen zich aanpassen aan het niveau, gaan snelle kinderen sneller en langzame kinderen langzamer leren

Er zijn ook onderwijsinhoudelijke en pedagogische redenen waarom terughoudendheid geboden is alvorens men tech-bedrijven toegang verleent tot onderwijsomgevingen. Een interessante publicatie van Kennisnet, dat scholen adviseert en ondersteunt bij ict-vraagstukken, laat zien dat er veel valt af te dingen op de claims van de makers van oefensoftware.

Dergelijke systemen vergemakkelijken individueel leren, maar dat lijkt vooral de sterke leerlingen ten goede te komen. Doordat zulke systemen zich aanpassen aan het niveau, gaan snelle kinderen sneller en langzame kinderen langzamer. Leerlingen die graag zelfstandig werken en die al goed presteren, zijn zo in het voordeel.

Kijken naar het dashboard

Bovendien ligt blikvernauwing op de loer. Door te focussen op meetbare prestaties raakt het sociale aspect van het leerproces – met en van elkaar leren – ondergesneeuwd. Wanneer het spreadsheet-denken de overhand krijgt, de illusie dat de werkelijkheid in eenduidige getallen te vatten is, zal dit ten koste gaan van een wezenlijk aspect van elk leerproces: de verwondering. Die kan slechts gedijen wanneer er ruimte is om te mijmeren en te vertragen, om te observeren en te luisteren zonder vooropgesteld doel, om te klooien en te aarzelen, om spontaan iets te beginnen of juist na te laten.

Wie zich laat beheksen door het doelmatigheids- en controlefetisjisme van de tech-industrie vergeet dat onderwijs ook in het teken van algemene vorming staat. Dat wil zeggen: een omgeving die nieuwsgierigheid naar de wereld stimuleert en die kinderen helpt zich voor te bereiden op een leven in de samenleving, inclusief alle ongemakken, grilligheden en onzekerheden die daarbij horen.

Die blikvernauwing vindt overigens ook in letterlijke zin plaats. ‘Ik merk dat ik eerst kijk naar het dashboard en daarna pas naar het kind dat naast de computer zit, het kind om wie het gaat,’ constateert een van de docenten die in het Kennisnet-rapport aan het woord komt. Hoe anekdotisch ook: de digitalisering van onze werk- en leeromgevingen betekent onvermijdelijk dat we vaker meer oog zullen hebben voor het scherm dan voor elkaar. 

Dat is reden tot zorg, zeker wanneer je beseft dat leergedrag voor een groot deel door nabootsing tot stand komt. We maken onszelf graag wijs dat we autonome en authentieke wezens zijn, maar uiteindelijk is de mens, en dat geldt al helemaal voor kinderen, vooral een na-apend dier. Veel van onze gedragingen zijn het effect van nabootsing van het gedrag van ouders, opvoeders en andere voorbeeldfiguren zoals popidolen en influencers. Zo is het gebruik en de ontwikkeling van taal ondenkbaar zonder de kunst van het imiteren.

In de psychologie spreekt men in dit verband over ‘sociaal leren’, terwijl filosofen doorgaans de term ‘mimesis’ hanteren: een nabootsing die het origineel niet slaafs volgt, maar die een nieuwe werkelijkheid schept. Leraren en leeftijdgenoten zijn, in potentie althans, een rijke mimetische bron.

Leerlingen krijgen aangeleerd om eerder te vertrouwen op de ‘inzichten’ die het computerprogramma genereert

Wanneer we in toenemende mate schermpjes tussen leraar en leerling zetten, dreigt deze bron te verschralen. De verleiding om eerder een dashboard te raadplegen dan oog te houden voor de subtiliteiten in het klaslokaal – denk aan lichaamstaal, een oogopslag of sociale interactie – is misschien begrijpelijk, maar komt wel met het risico dat de leraar vroeg of laat zélf in een dashboard verandert. Dat wil zeggen: in een onderwijsprofessional die, min of meer op de automatische piloot, zijn zicht op wezens van vlees en bloed laat belemmeren door de uitkomsten van een softwareprogramma. 

Leerlingen, op hun beurt, zullen ongetwijfeld aangeleerd krijgen om eerder te vertrouwen op de ‘inzichten’ die het computerprogramma genereert, in plaats van wat hun ongeprogrammeerd en ongevraagd toevalt. Om nog maar te zwijgen over de vraag wat het betekent voor hun vertrouwen in de inzichten van de juf of meester of in hun eigen intuïties. En zo krijgt de robotisering van het onderwijs, zonder dat er ooit een robot aan te pas komt, langzaam maar zeker gestalte.

Geen bewijs dat de onderwijskwaliteit erdoor verbetert

Het bijna blinde geloof in datagestuurd onderwijs is het zoveelste voorbeeld van wat criticus Evgeny Morozov ‘technologisch solutionisme’ noemt, de overtuiging dat technologie een kracht is die voor elk probleem een oplossing biedt. En nu komt het: tot op heden is er geen overtuigend bewijs dat digitale innovaties de onderwijskwaliteit verbeteren, zoals ook Kennisnet in de inleiding van het rapport vaststelt. Wat we wel weten, is dat bovenmatig gebruik van digitale media een negatieve invloed heeft op zoiets als begrijpend lezen.

De voortvarendheid waarmee overheid en onderwijsbestuurders de introductie van nieuwe technologieën aanmoedigen, doet denken aan die waarmee opiniepeiler Maurice de Hond ooit zijn iPad-scholen uit de grond stampte. Ook toen kon men van veraf het echec zien aankomen. Reden? Een gebrekkige probleemanalyse (voor welk onderwijsprobleem zoekt men precies een oplossing?) in combinatie met wat ik destijds een vorm van digifundamentalisme heb genoemd. 

Wie niet wil dansen naar het pijpen van de ontwikkelaars van educatieve software, doet er goed aan onderwijswaarden centraal te stellen. Alvorens nieuwe technologieën in het onderwijs te introduceren, zou zo’n onderzoek naar waarden kunnen beginnen met één simpele vraag: is de technologie hier leidend of de leerbehoeften van onze kinderen? Zolang er op die vraag geen eensluidend antwoord is, is het aan te bevelen de cheerleaders van de tech-industrie uit het schoolgebouw te verjagen.