© ANP Evert-Jan Daniels

Open brief aan Jetta Klijnsma: schaf het kapitaaldekkingsstelsel af!

  • afschaffen kapitaaldekkingstelsel zorgt niet voor ander spaargedrag: Lage rente laat ons ook meer sparen.
  • financieren hyp.schuld via pf fondsen kan ter funding, beter om inleg te gebruiken voor aflossing hypotheek
  • Alsof we slechts sparen omdacht het verplicht is: Rendement daarom afhankelijk van tussenperiode, en dus toekomstig inkomen bepaalt.
  • I=S onder economen allang een achterhaald concept.
  • Een opluchting voor de ouderen waarschijnlijk, niet voor jongeren.
  • Dus vanwege de kosten van de PF sector, kiezen we ervoor om 100% zekerheid te geven dat jongeren de rekening betalen.
  • je kan pas stellen dat je netto spaart als exposure tegenovergesteld is, wat het niet is.
  • check onze spaargelden en securitisaties ter funding van onze hypotheken. Waar komen gegevens vandaan dat wij dit zelf funden?

Als calvinisten vinden Nederlanders pensioensparen deugdzaam en verstandig. Feit is echter dat onze uitpuilende pensioenpotten alleen kunnen bestaan dankzij de kredietwaardigheid van het buitenland. Gastauteur en ex-bankier Martin ten Cate pleit voor een pensioenrevolutie. Die zal onze economie een ongekende impuls geven.

Geachte excellentie, beste Jetta, 

Historisch gezien sorteren oproepen tot politieke revoluties in Nederland weinig effect. Ook oproepen tot economische omwentelingen zijn in ons land nauwelijks een beter lot beschoren. Veranderingen gaan maar langzaam en mondjesmaat, wellicht als uitvloeisel van ons poldermodel. Maar als het gaat om pensioenen zijn nu toch meer drastische stappen nodig. Een inzicht dat inmiddels breed wordt gedeeld en dat uwe excellentie er toe heeft aangezet om een even brede discussie te starten over ‘onze pensioenen’. Een mooi initiatief. Het heeft geleid tot vele voorstellen om bepaalde zaken binnen het kapitaaldekkingsstelsel (KDS) anders te regelen, maar opmerkelijk genoeg is het stelsel zelf nog niet ter discussie gesteld – overtuigd als ‘we’ zijn van de superioriteit van dit stelsel. Toch is daar alle reden voor. 

Laten we het KDS eens nader onder de loep nemen. Binnen het KDS wordt via verplichte premieheffing geld opzij gezet in een pensioenfonds. Dit geld wordt belegd met als doel later uit de opbrengsten van die beleggingen een pensioen uit te keren aan hen die de premie hebben ingelegd (de methodiek van onze bedrijfspensioenen). Dit in tegenstelling tot het omslagstelsel waarbij ieder jaar opnieuw een premie wordt vastgesteld, welke premies in hetzelfde jaar als pensioenen worden uitgekeerd aan pensioengerechtigden zoals dat gebeurt bij onze AOW en bij pensioenen in de meeste andere landen; Duitsland kent bijvoorbeeld geen ambtenarenpensioenfonds, zoals ‘ons’ ABP. In het omslagstelsel hoeven de premies niet te worden belegd. In het KDS wordt door actuarissen berekend hoeveel pensioen er in de toekomst moet worden uitgekeerd en hoeveel premies (en eventueel inhaalpremies) daarvoor vandaag moeten worden ingelegd. Dit lijkt erg logisch –  omdat we er aan gewend zijn – maar vanuit een theoretisch macro-economisch perspectief is er wel het een en ander op aan te merken. 

Twee conceptuele fouten

Allereerst leert de theorie ons dat de investeren en sparen per definitie aan elkaar gelijk zijn (I = S). Dat is geen toeval, maar een automatisme. Het geld dat niet wordt geïnvesteerd wordt per definitie geconsumeerd (anders was het wel geïnvesteerd). We kunnen immers maar twee dingen doen met ons geld: consumeren of sparen (oftewel investeren). Om de besparingen en de investeringen op elkaar te laten aansluiten is het de rente die vraag en aanbod van geld met elkaar in evenwicht brengt. De rente bepaalt dus ook hoe het geld verdeeld wordt tussen consumptie enerzijds en sparen anderzijds. Het feit dat de rente al langere tijd zo extreem laag is, vertelt ons dat erg veel spaarders (in de Nederlandse context zijn dat vooral de pensioenfondsen) op zoek zijn naar rendement (dat ze maar niet kunnen vinden) en dat investeerders lang niet al dat geld nodig hebben. Het vreemde van de wijze waarop wij ons KDS hebben ingericht is dat wanneer de rente naar beneden gaat, wij meer moeten sparen vanwege de dalende dekkingsgraad. Op zich is dat heel merkwaardig: de prijs (lees: rente) gaat naar beneden, maar het aanbod (van geld) neemt toe. Dat in strijd is met alle wetmatigheden van vraag en aanbod. Daarmee hanteert het KDS een concept dat tegen de marktwerking ingaat en de markt alleen maar verder verstoort.

Het vreemde van de wijze waarop wij ons KDS hebben ingericht is dat wanneer de rente naar beneden gaat, wij meer moeten sparen vanwege de dalende dekkingsgraad

Ten tweede: nog vreemder is het dat we in het KDS de consumptie die we in de toekomst willen genieten als gepensioneerden leidend laten zijn in de berekeningen voor onze hedendaagse besparingen. Gezien de wetmatigheid I = S moeten deze theoretisch berekende verplichte besparingen dan gelijk zijn aan de investeringen die we vandaag de dag zouden moeten doen. Het zou wel heel toevallig zijn als die twee grootheden aan elkaar gelijk zijn en dat is dus ook niet zo! Deze mismatch valt als volgt te verklaren. Sparen voor de toekomst komt voort uit een individuele (lees: micro-economische) wens om over geld te kunnen beschikken om te consumeren op het moment dat men zelf geen geld meer kan verdienen – wanneer men dus met pensioen is.

Macro-economisch gezien kan de consumptie voor de toekomst echter niet al vandaag worden geproduceerd. Investeringen waarvan men in de toekomst de vruchten kan plukken, kunnen vandaag worden gedaan, maar de consumptiegoederen en de diensten waarvan we graag tijdens ons pensioen willen genieten, zal de samenleving toch echt op dat moment moeten produceren. Het (verplichte) sparen in onze pensioenfondsen ligt in het verlengde van de micro-economische wens om het geld voor onze toekomstige consumptie vandaag al te hebben gereserveerd, terwijl we macro-economisch gezien het bedrag moeten sparen dat nodig is om de hedendaagse investeringen te financieren.

Macro-economisch gezien is het een volstrekt onzinnige gedachte om de gewenste toekomstige consumptie van gepensioneerden als basis te nemen voor de besparingen van vandaag. Op korte termijn lijkt dit misschien nog wel te werken. Om volgend jaar te kunnen consumeren, moeten er dit jaar investeringen worden gedaan. Maar als het gaat om termijnen van langer dan 10 of 15 jaar gaat het misen bij pensioenen gaat het voor een groot deel om termijnen van (veel) langer dan 15 jaar. Het is niet doelmatig om nu al de productiemiddelen te vervaardigen lange tijd voordat zij nodig zijn voor de productie van consumptiegoederen, waar het tenslotte in de behoeftebevrediging om te doen is. 

Het spaaroverschot

Nu hoeft dit niet per definitie tot een probleem te leiden. Als de verplichte pensioenbesparingen kleiner zijn dan de algehele investeringsbehoefte in de samenleving, zullen vrijwillige besparingen het gat moeten dichten; een hoge rente zal spaarders hiertoe aanzetten. Als echter de verplichte pensioenbesparingen de algehele behoefte aan investeringen overtreffen, gaat het mis. Het spaargeld kan geen zinvolle bestemming meer vinden, de rente zakt richting nul en de overtollige spaargelden leiden tot economisch irrationele beslissingen.

Als de verplichte pensioenbesparingen de algehele behoefte aan investeringen overtreffen, gaat het mis

Het is moeilijk te bevatten voor de calvinistische Nederlander, maar net zo goed als dat er te veel schulden kunnen zijn in de wereld – en daarover lijkt iedereen het wel eens te zijn – is het natuurlijk ook heel goed mogelijk dat er te veel wordt gespaard. Sterker nog: deze twee gaan hand in hand. Sparen en schulden zijn twee zijden van dezelfde munt: als je spaart creëer je ook een schuld, namelijk bij de ontvanger van je spaargeld. Nu doen we in de economie wel vaker iets waar theoretisch wat op aan te merken valt, maar het gevolg van de hier omschreven anomalie is van een ongekend grote omvang en heeft daarmee een ontwrichtende en verlammende werking op de hele economie. Het KDS leunt dus op conceptuele fouten die grote consequenties hebben. 

Het overschot op de lopende rekening

Dat we in Nederland teveel sparen, staat vast. Diverse economische instituten, waaronder het CPB en DNB, hebben al meermalen op het spaaroverschot gewezen. De cijfers spreken dan ook boekdelen. De lopende rekening van de betalingsbalans van Nederland vertoont al vele decennia een, soms fors, overschot. Dit overschot wordt door economen ook wel aangeduid als het nationale spaaroverschot. Ter verduidelijking: een overschot op de lopende rekening impliceert een tekort op de financiële rekening, want de totale betalingsbalans is per definitie in evenwicht. Met andere woorden: de spaargelden stromen ons land uit in ruil voor vorderingen ('schuldtitels') op partijen in het buitenland.

Met name de laatste jaren heeft Nederland een bizar groot spaaroverschot

Met name de laatste jaren heeft Nederland een bizar groot spaaroverschot ter grootte van 10 procent tot 12 procent van het bbp (bruto binnenlands product), veruit het grootste percentage binnen de EU. Dat is jaarlijks zo’n 70 miljard euro. Een deel daarvan valt te verklaren uit de aanwezigheid van relatief veel multinationals in ons land, maar ook een groot deel komt doordat pensioenfondsen geen bestemming voor hun geld meer kunnen vinden in eigen land. Daarom beleggen zij de pensioenpremies en de rendementen op hun portefeuilles in het buitenland, waarbij men moet denken aan een bedrag in de orde van grootte van 20 tot 30 miljard euro per jaar. 

Het overschot van de één is het tekort van de ander

Veel mensen in Nederland denken dat het nodig is om een overschot op de lopende rekening te hebben om geld te verdienen (onze ‘exportobsessie’). Dat is echter onzin. De VS en het VK hebben bijvoorbeeld al decennia een tekort op de lopende rekening, maar er wordt in die landen gewoon geld verdiend. Van groot belang is het om op te merken dat het saldo van de lopende rekening een logische of ‘natuurlijke’ evenwichtswaarde heeft, namelijk: nul. Aangezien de export van de één de import van de ander is, is het saldo en daarmee ook het gemiddelde van de lopende rekeningen van alle landen precies gelijk aan nul. Dit impliceert tevens dat het overschot van de één het tekort van een ander betekent en dat is dan ook de reden waarom in Europees verband is afgesproken dat een overschot niet meer dan zes procent van het bbp mag bedragen en een tekort niet meer dan vier procent. Vanwege de politieke ‘haalbaarheid’ zijn deze percentages niet gelijk, maar dat terzijde.

Langdurige tekorten op de lopende rekening blijken een meer dan uitstekende voorspeller van financiële ellende

Het is een afspraak waar wij ons in Nederland niets van aantrekken. Maar de afspraak is er niet voor niets: langdurige tekorten op de lopende rekening blijken een meer dan uitstekende voorspeller van financiële ellende. De VS hebben al decennialang een tekort op de lopende rekening en om haar tekorten te financieren gaven de Amerikanen tot 2008 veel hypotheekobligaties uit om geld uit het buitenland aan te trekken. Dit luidde het begin van de financiële crisis in. Ook de eurocrisis laat zich hierdoor uitstekend verklaren. Spanje, Ierland, Cyprus, Portugal en vooral Griekenland hadden jarenlang grote tekorten op hun lopende rekening en dat gaat vroeg of laat fout.

Om (te grote) tekorten in te dammen zullen ‘overschotlanden’ echter ook hun grote overschotten moeten reduceren. We lijken hiermee sterk af te dwalen van het onderwerp ‘pensioenen’, maar niets is minder waar. Er is weliswaar weinig debat over, maar de samenhang staat onomstotelijk vast. De conceptuele fouten in ons KDS leiden alleen maar tot hogere overschotten, waarmee we de balans in de internationale economie verder verstoren, de zes procent-regel blijven negeren en een volgende financiële crisis alleen maar dichterbij brengen. Waarbij het denkbaar is dat de vorderingen op het ’buitenland’ deels zullen moeten worden afgeschreven (zie bijvoorbeeld Griekenland) en we dus op een ‘harde manier’ het wetmatige evenwicht zullen moeten herstellen.

Zo leiden ook overschotten tot financiële problemen. In Nederland hebben we onze economische instituties (met regelgeving rondom onze pensioenen in de breedste zin van het woord) zo ingericht dat deze automatisch tot een overschot leiden en dat is niet verstandig.  

Onze ‘lange balans’ en het extern vermogen

Terug naar de pensioenfondsen: zij hebben hun pensioenpremies en rendementen vooral in het buitenland belegd. Volgens gegevens van DNB is zo’n 86 procent van het vermogen van de pensioenfondsen in het buitenland belegd – een bedrag in de orde van grootte van 1.000 tot 1.050 miljard euro. Slechts een ‘schamele’ 150 tot 200 miljard euro is belegd in eigen land. Als we kijken naar de balans van heel Nederland (particulieren, bedrijven en overheid samen) jegens het buitenland zien we dan ook dat Nederland een groot extern vermogen heeft: zo’n 80 procent van het bbp. Dat is ook te verwachten als je jaar in jaar uit een (groot) overschot hebt op je lopende rekening. We hebben dus meer te vorderen op het buitenland dan dat we aan schuld hebben jegens het buitenland. Dat neemt niet weg dat die schuld wel degelijk een grote schuld is. Onze balans is – zogezegd – erg lang en ligt in de orde van grootte van zo’n 555 procent (bezittingen) en 475 procent (schulden) van het bbp. Het verschil (80 procent) is dus het extern vermogen.

De ironie wil dat met het verder vergroten van deze vermogens onze afhankelijkheid van de internationale financiële markten alleen maar verder zal toenemen

Voor extern vermogen en externe schuld geldt dezelfde logica als bij de lopende rekening: het is wereldwijd een ‘zero sum game’. Dat is gemakkelijk te begrijpen, want hier geldt: de één zijn vordering is de ander zijn schuld. Opgemerkt dient te worden dat het volume van onze balans als percentage van het bbp bijzonder hoog is en al jarenlang groeit. Alleen Zwitserland reikt tot een dergelijk niveau, maar andere landen zitten daar ver onder. Het maakt ons land buitengewoon gevoelig voor en afhankelijk van de internationale financiële markten en van de kredietwaardigheid van de externe debiteuren. Dat is iets wat we eigenlijk niet (moeten) willen, maar dat we impliciet wel over ons afroepen door de wijze waarop wij onze economische instituties hebben vormgegeven (o.a. door het verplichte pensioensparen).

Deze afhankelijkheid willen we graag verminderen en het verkleinen van de financiële sector past in die zienswijze. Daartoe zijn de pijlen vooral gericht geweest op de banken, die je de meest expliciete vertegenwoordigers van de sector zou kunnen noemen. Maar ook de Nederlandse pensioensector maakt deel uit van de financiële sector en is met een omvang van 1.200 miljard euro een factor van groot belang. De ironie wil dat met het verder vergroten van deze vermogens onze afhankelijkheid van de internationale financiële markten alleen maar verder zal toenemen. 


Martin ten Cate

"Je zou kunnen zeggen dat de manier waarop wij onze economische instituties hebben ingericht met zich meebrengt dat we het buitenland financieel koloniseren"

Ook de eerdergenoemde 80 procent extern vermogen is zeer hoog. Thomas Piketty schrijft in zijn boek Kapitaal in de 21e eeuw dat voorheen koloniale grootmachten als Groot-Brittannië en Frankrijk aan het begin van de 20e eeuw een externe vermogenspositie kenden die nog groter was; deze lag op 200 procent van het bbp in het geval van GB en ruim 100 procent voor Frankrijk. Na beide wereldoorlogen waren deze bedragen compleet verdampt, waarbij deze landen de eerder genoemde ‘harde reset’ aan den lijve hebben ondervonden. Sindsdien schommelen beide landen rond een vermogenspositie van nul, het gemiddelde in de wereld, net als – logischerwijze – veel andere landen. Nederland wijkt sterk af: je zou kunnen zeggen dat de manier waarop wij onze economische instituties hebben ingericht met zich meebrengt dat we het buitenland ‘financieel koloniseren’. 

De schuldenparadox en micro-economisch gemotiveerde toezichtregels

Desalniettemin zijn, zoals gezegd, onze schulden ook hoog. In dit verband vragen de hypotheekschulden van de Nederlanders, die de hoogste zijn per huishouden ter wereld, dan ook om een nadere toelichting. Als gevolg van micro-economische overwegingen is vrijwel iedereen van mening dat deze schulden veel te hoog zijn. Maar paradoxaal genoeg volgt uit het bovenstaande dat Nederland deze hoge schulden gemakkelijk zelf heeft kunnen financieren.

We zijn per saldo de eigenaren van onze eigen schulden. We zijn per saldo immers schuldeiser in het buitenland en geen schuldenaar; we hebben uiteindelijk al decennialang dat, af en toe forse, overschot op de lopende rekening. Het is wel frappant als je bedenkt dat we nog veel meer aan onszelf hadden moeten lenen als Nederland het enige land ter wereld was geweest. Want waar had het geld anders heen gemoeten?

Deze ironische situatie blijft ons bespaard - we zijn immers niet het enige land ter wereld. Maar dat idee laat wel zien dat wij onze wijze van pensioensparen alleen kunnen volhouden door onze vorderingen op het buitenland verder te vergroten. Kennelijk vinden we ‘het buitenland’ kredietwaardiger dan onszelf. We stellen dan ook vooral regels op om onze eigen schulden te beteugelen.

Hiermee reageren en sturen onze toezichthouders alleen maar op micro-economische factoren. Deze zijn immers gemakkelijk uit te leggen, je krijgt er in ons land gemakkelijk de handen voor op elkaar, ze zijn eenvoudiger te controleren en iedere toezichthouder hoeft alleen maar zijn ‘eigen straatje schoon te houden’. Macro-economische overwegingen lijken daarbij geen enkele rol te spelen. Het verklaart de buitengewoon moeilijke spagaat waarin DNB is beland; enerzijds constateert men dat er veel te veel wordt gespaard, anderzijds moet men de pensioenfondsen er toe aanzetten om juist meer te sparen als de dekkingsgraad weer eens is gedaald.

Helaas leidt een overdaad aan micro-economisch gemotiveerde toezichtregels niet automatisch tot een macro-economisch evenwicht

Het is het gevolg van de conceptuele fouten in ons KDS. Meer toezicht zal daarom niet helpen, een huis dat al scheef staat, gaat er niet rechter door staan, het zal alleen maar schever zakken. Goed toezicht kan wel helpen, maar dat roept de vraag op: wat is goed toezicht? Helaas leidt een overdaad aan micro-economisch gemotiveerde toezichtregels niet automatisch tot een macro-economisch evenwicht; integendeel: het kan zelfs een averechts effect hebben. Zolang onze micro-economische belangen de boventoon voeren en deze de macro-economische balans alleen maar verder verstoren, kan van goed toezicht geen sprake zijn. Niemand let op de macro-economische samenhang en balans, terwijl dit bij uitstek een taak is van de overheid. 

Krokodillentranen over negatieve rente

In het debat rond de dalende dekkingsgraden geven de pensioenfondsen de ECB met haar programma voor kwantitatieve verruiming maar al te graag de schuld van de lage rente. Daar hebben ze wel een beetje gelijk in; het helpt inderdaad niet. Maar in zijn algemeenheid is het toch echt de markt die de rentestand bepaalt en zeker waar het gaat om de rente op de lange termijn. Het zijn krokodillentranen van de fondsen, want ze dienen te beseffen dat wanneer ieder land zo voor zijn pensioenen zou sparen als Nederland, de neerwaartse druk op de rente nog veel groter zou zijn. De markt zou overspoeld zijn (en worden) met pensioenspaargeld (en dat al decennialang) met – het kan niet anders – nog negatievere rentestanden tot gevolg. Het Nederlandse KDS kan alleen maar overleven omdat andere landen dit systeem niet, of in heel veel mindere mate, hanteren en omdat we een betrekkelijk klein land zijn. Het is een hard gelag, maar we kunnen niet anders dan concluderen dat het concept niet deugt. Het is niet ‘sustainable’: immers wanneer iedereen hetzelfde zou doen kan het niet bestaan. Dat het vooral de laatste jaren begint te knellen komt doordat de gehele Westerse wereld plus China en Japan zich grote zorgen maakt over de vergrijzing en steeds meer beginnen te sparen. Dit zal voorlopig niet verbeteren. 


Martin ten Cate

"Een oude beurswijsheid zegt dat ‘wie tegen de markt ingaat, zal worden gestraft’, bijvoorbeeld met dalende dekkingsgraden"

‘Netto’ sparen: het verschil tussen micro en macro

In deze brief heb ik u duidelijk proberen te maken dat de huidige wijze van pensioensparen conceptuele fouten bevat. Grote fouten. Met ‘de markt’ wordt op geen enkele wijze rekening gehouden. Terwijl een oude beurswijsheid zegt dat ‘wie tegen de markt ingaat, zal worden gestraft’, bijvoorbeeld via dalende dekkingsgraden.

Om beleid nu te schoeien op oude wijsheden gaat wellicht wat ver, maar onze huidige benadering is niet beter. Van het aloude ‘sparen is een deugd’ kan heel duidelijk worden vastgesteld dat het is achterhaald. Het wachten is op een politica/politicus die de moed heeft om het bovenstaande aan de calvinistische Nederlander uit te leggen. Daar is moed en visie voor nodig, maar het moet gebeuren. Want hoewel weinigen het nog maar beseffen, het KDS is op sterven na dood en brengt de Nederlandse en internationale economie alleen maar meer schade toe.

Onbalans is slecht voor iedereen. Het moeilijkste is wellicht om uit te leggen dat (meer) sparen momenteel volstrekt zinloos is. De tegenstelling tussen het micro-economisch en het macro-economisch denken over sparen zet mensen echter snel op het verkeerde been. Als individu kun je ‘netto’ sparen, d.w.z. meer tegoeden hebben dan schulden en dat geeft een rijk gevoel. Maar ‘netto’ sparen, waarbij je als mondiale samenleving meer spaargeld hebt dan dat er aan schulden uitstaat is onmogelijk. Iedere euro (of welke valuta dan ook) die wordt gespaard creëert ook een schuld, namelijk bij de ontvanger van het spaargeld. Meer sparen betekent automatisch ook meer schuld.

Macro-economisch gezien is de mondiale balans altijd in evenwicht en is het dus niet mogelijk om ‘netto’ te sparen. Het probleem is dat dat vrijwel iedereen redeneert vanuit de micro-economische gedachte dat ‘netto’ sparen goed is. Het is echter een concept dat macro-economisch volstrekt onmogelijk is. 

Zijn wij asociaal?

Natuurlijk, we kunnen doorgaan op de huidige weg met onze spaaroverschotten. Terwijl we willen dat de hele wereld zoveel mogelijk consumeert (want wij willen immers graag zoveel mogelijk exporteren) om de economie te stimuleren, doen wij als Nederland daaraan niet mee; wij moeten immers sparen voor onze pensioenen. Je kunt het zelfs asociaal noemen, maar asociaal zijn is niet verboden. Het is wel een totaal andere houding dan die wij normaal in de wereld ten toon proberen te spreiden als gidsland, met gevoel voor solidariteit en medeverantwoordelijkheid. Op financieel gebied echter hebben wij lak aan de rest van de wereld. En zolang Brussel ons niet aanspreekt op de zes procent-regel, kunnen we net doen of onze neus bloedt. 

Betalen ‘ze’ wel terug?

De vervolgvraag is dan: gaat dit goed op lange termijn? We moeten nog maar afwachten of het buitenland al die schulden zal terugbetalen, waarvan wij ons buitengewoon afhankelijk hebben gemaakt. In het geval van Griekenland weten we dat dat niet zal gebeuren Velen denken dat het geld klaarligt, omdat ‘we het hebben gespaard’, maar zo simpel is het niet. Als voorbeeld moge dienen de twee grootste beleggingen die de pensioenfondsen hebben gedaan, te weten in Franse en Duitse staatsobligaties. Deze zullen in de toekomst moeten worden afgelost door de Franse en Duitse staat uit belastingopbrengsten, die – inderdaad – via omslag op dat moment bij hun sterk vergrijzende burgers moeten worden geïnd. Daarnaast moeten ze ook nog de pensioenen van hun eigen burgers betalen. In wezen geldt hetzelfde voor de andere beleggingen die de pensioenfondsen hebben gedaan.

KDS is dan ook niets meer of minder dan een getrapte variant van het omslagstelsel en is dan ook verre van superieur

Ook aflossingen van bedrijfsleningen en dividenden op aandelen moeten nog in de toekomst worden verdiend. Het KDS is dan ook niets meer of minder dan een getrapte variant van het omslagstelsel en is dan ook verre van superieur. Hoe dan ook, ten aanzien van dit argument kun je volhouden dat het allemaal wel zal meevallen, al kun je ook het tegendeel beweren. Het volgende argument snijdt echter meer hout. 

‘Hé land, doe es normaal!’

In de jaren ’70 had Nederland last van de ‘Dutch disease’, door de gasexport was onze gulden erg sterk en dit belemmerde de rest van de export. De ‘Dutch disease’ is terug en deze keer veel ernstiger. Het KDS is nu de oorzaak en het gevolg is dit keer geen sterke munt, maar een onderbesteding van ongekend grote omvang die ons allen schaadt. Want een synoniem voor ons al decennialang bestaande spaaroverschot is onderbesteding (ook wel: onderconsumptie). Jaarlijks worden via pensioenfondsen tientallen miljarden aan de Nederlandse economie onttrokken door deze naar het buitenland te sluizen, alwaar dit pensioenvermogen inmiddels tot meer dan 1.000 miljard euro is aangegroeid. Een vermogen dat weliswaar een (laag) rendement met zich meebrengt, maar dat verder nauwelijks bestedingsimpulsen voor ons land oplevert.

We zijn er aan gewend geraakt en daardoor zeggen sommige economen dat het met de onderbesteding wel meevalt, maar de cijfers liegen niet. Als we ons als een ‘normaal’ land zouden gedragen en het spaaroverschot dat de pensioenfondsen genereren tot nul zouden reduceren, zal de Nederlandse economie een impuls krijgen die zijn weerga niet kent. Het mkb zal enorm profiteren – het mkb heeft immers geen leningen nodig, maar omzet! De werkgelegenheid zal fors toenemen en ook de overheid zal sterk profiteren en haar tekort zien verdwijnen. De economische problemen van veel van uw collega’s in het kabinet worden en passant ook opgelost. Het welvaartsniveau en het verdienvermogen van ons land zal op een wezenlijk hoger niveau komen te liggen. 

Schaf het kapitaaldekkingsstelsel af!

Het sparen zit ons Nederlanders in het bloed – overal worden potjes voor gevormd. Het komt onmiskenbaar voort uit onze calvinistische achtergrond, maar wordt tegenwoordig vooral gevoed door angst voor een onzekere toekomst. We zijn een angstige en risicomijdende samenleving geworden, waarbij we al onze financiële zaken al zoveel mogelijk – bij wijze van spreken  tot aan het einde der tijden hebben willen geregeld, het liefst tot achter de komma. Dat is wat we in het KDS voor ogen hebben. Maar de toekomst blijkt toch onzekerder dan eerder gedacht en het KDS wankelt als nooit tevoren.

Maar de toekomst blijkt toch onzekerder dan eerder gedacht en het KDS wankelt als nooit tevoren

Deze keer is een revolutie nodig: Nederland zal beter af zijn met het afschaffen van het KDS en met het invoeren van een omslagstelsel voor de bedrijfspensioenen (boven op de AOW). De pensioensector zal zich ongetwijfeld uitspreken tegen het plan om het KDS terzijde te schuiven – logisch, het is hun bestaansrecht en bron van inkomen. De sector maakt jaarlijks zo’n 6 miljard euro aan kosten en daarmee ligt de eerste winst gemakkelijk voor het grijpen. Het is echter een discussie die niet moet plaatsvinden met de pensioensector, maar met alle belanghebbenden. Door de wijze waarop wij ons pensioenstelsel hebben ingericht gaat deze het belang van pensioenen alleen ver te boven. De discussie moet niet gaan over verschuivingen binnen het KDS, dat is het probleem verplaatsen. De discussie moet gaan over het afschaffen van het KDS. Het gaat om solidariteit boven individuele pensioenpotjes binnen het KDS. En wat we moeten doen met de huidige pensioenpot is het mooiste probleem dat iemand zich kan wensen: een luxe probleem. Last but not least kunt u het woord 'dekkingsgraad' uit uw woordenboek schrappen. Dat moet een hele opluchting zijn. 

Graag tot nadere toelichting bereid.

Hoogachtend,

Martin ten Cate

 

Morgen, zaterdag 19 maart, zal een ingekorte versie van deze brief verschijnen in het Financieele Dagblad.

Over de auteur

Martin ten Cate is auteur van “Een rijk land moet rijk leven” (Amsterdam, 2015), ex-bankier en econoom.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Gastauteur

Gevolgd door 227 leden

FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

Volg Gastauteur
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren