Waarschuwingsborden voor Covid-19 in de stad; Londen, 31 januari
Coronacrisis

De coronapandemie zet de wereld op zijn kop. Wie betaalt de rekening? En wie profiteert? Lees meer

Het virus SARS-CoV-2, beter bekend als het coronavirus, dook eind 2019 op in de Chinese provincie Hubei. In een paar weken tijd veroorzaakte het virus daar een epidemie, waarna het zich over de rest van de wereld verspreidde. Begin maart 2020 verklaarde de World Health Organisation de ziekte tot een pandemie en gingen landen wereldwijd 'op slot'.

Al met al is met het coronavirus een crisis van historische proporties ontstaan. De gevolgen van deze crisis zijn nog grotendeels onbekend. Maar de maatregelen die we nu nemen, zullen bepalen hoe de samenleving van de toekomst eruitziet. Daarom volgt de redactie van FTM de ontwikkelingen op de voet. Welke oplossingen dienen welke belangen?

173 Artikelen

Waarschuwingsborden voor Covid-19 in de stad; Londen, 31 januari © May James/SOPA Images via ZUMA Wire

Virologen: nog geen sluitend bewijs voor grotere besmettelijkheid Britse covidvariant

2 Connecties

Personen

Hugo de Jonge

Organisaties

RIVM
131 Bijdragen

De uitbreiding van de lockdown met een avondklok werd ingegeven door de angst voor de grotere besmettelijkheid van de Britse coronavariant. Die vrees lijkt ook de reden dat middelbare scholen en hoger onderwijs voorlopig gesloten blijven. Diverse wetenschappers betwijfelen of de angst terecht is. Ze stellen dat de onderzoeksdata niet eenduidig is en opperen dat de drukte in de Britse ziekenhuizen ook andere oorzaken kan hebben. Update: waarom we de kop van dit artikel hebben gewijzigd én een reactie op het laatste nieuws van het RIVM over de verspreiding van de Britse variant.

Update: waarom we de kop van dit artikel hebben gewijzigd

De berichtgeving over de Britse variant van het covidvirus liep vandaag nogal uiteen en leidde op sociale media en ook op FTM.nl tot stevig debat. Terwijl FTM kopte ‘Virologen: Britse covidvariant minder besmettelijk dan gevreesd’, bracht de NOS vanochtend het nieuwsbericht ‘Epidemiologen sceptisch over versoepelingen’ en vanmiddag ‘RIVM: twee derde van besmettingen komt nu door besmettelijker 'Britse variant ’. 

Binnen onze eigen redactie ontstond discussie over de vraag of de kop van ons artikel niet te scherp was geformuleerd. Strikt genomen is hij feitelijk niet juist: de geciteerde virologen wijzen in het artikel immers op de onzekerheid die er rond de vermeend hogere besmettelijkheid van de Britse variant nog steeds bestaat. Om die reden hebben we besloten om de kop aan te passen in: 'Virologen: nog geen sluitend bewijs voor grotere besmettelijkheid Britse covidvariant'.

De timing van de berichtgeving van het RIVM over de besmettelijkheid van de Britse variant, zo vlak voor de persconferentie van het kabinet, is opvallend omdat er geen nieuwe data over de verspreiding beschikbaar is gekomen. Het gaat, zoals het RIVM zelf zegt, om een schatting ‘op basis van modellen’. In de persconferentie stelde premier Mark Rutte stellig dat die variant ‘anderhalf keer besmettelijker is’. 

We hebben viroloog Ron Fouchier om een reactie gevraagd op het RIVM-bericht. ‘De laatste data dateert van 21 januari en toen was de Britse variant verantwoordelijk voor circa 20 procent van de totale besmettingen. Alle berichtgeving over hogere percentages in de media is gebaseerd op wiskundige modellen.’ De verspreiding van de variant neemt volgens Fouchier inderdaad toe, maar de snelheid waarmee dat gebeurt is op basis van de openbare data niet in lijn met een exponentiële toename. ‘En zelfs als die wel exponentieel is, dan nog is dat geen hard bewijs dat de variant meer besmettelijk is.’

De meeste epidemiologen denken er anders over, maar Fouchier blijft bij de analyse die hij in ons artikel onderbouwt. ‘Wat mij betreft is er nog altijd geen overtuigend bewijs dat de VK variant meer besmettelijk is.’

 

Lees verder Inklappen
Dit stuk in 1 minuut
  • Epidemiologische onderzoeken uit meerdere landen wijzen erop dat de Britse variant een stuk besmettelijker is dan andere varianten. Het RIVM en OMT delen die zienswijze en adviseerden het kabinet stevig in te grijpen. De angst voor de Britse variant was de voornaamste reden voor de avondklok en het dichthouden van scholen.
  • Emeritus hoogleraar farmaceutische biotechnologie Huub Schellekens vindt de reacties in de politiek overtrokken: ‘Pas wanneer je plots een enorme omkering in de daling van de besmettingscijfers zou zien, of wanneer zo’n variant echt een ernstiger ziektebeeld geeft, is er reden tot alarm.’  
  • Viroloog Ron Fouchier benadrukt dat in Nederland al verschillende varianten zijn opgekomen, dominant werden en weer verdrongen zijn door een andere variant. Volgens hem kun je op basis van de genetische data geen harde conclusies trekken over grotere besmettelijkheid. 
  • Moleculair bioloog Eric Snijder wijst erop dat alleen relatieve verspreidingsvoordelen worden gemeten. We moeten volgens hem oppassen met de conclusie dat het ook om absoluut grotere besmettelijkheid gaat. 
  • Toen over de avondklok werd beslist, heeft minister Hugo de Jonge de Kamer niet geïnformeerd over de voorlopige resultaten van het epidemiologisch onderzoek naar de Britse variant in Lansingerland. Die waren al wel bekend: ‘Er is geen sprake van een grootschalige verspreiding van de Britse variant in de gemeente.’
Lees verder

Vanaf zijn spreekgestoelte, waaraan een bord hing met de woorden hands, face, space en icoontjes van handenwassen, een mondkapje, en mensen op afstand, kondigde de Britse premier Boris Johnson aan dat ‘Kerst dit jaar anders wordt’. Ondanks tegenstribbelingen van de libertaire zijde van zijn conservatieve partij en met ‘pijn in mijn hart’, scherpte Johnson op 19 december de lockdown aan. In de aanloop naar Kerst steeg het aantal coronabesmettingen in Zuid-Engeland schrikbarend. Vooral in Londen namen de ernstige ziektegevallen toe. De ziekenhuizen dreigden over te lopen. De verklaring was verontrustend: de stijging werd volgens Johnsons wetenschappelijke adviseurs veroorzaakt door een nieuwe variant van het virus, die ‘tot 70 procent meer besmettelijk’ zou kunnen zijn.

De ’Britse’ variant waart sinds september rond en is ten tijde van Johnsons persconferentie ook al in Nederland en andere Europese landen gesignaleerd. De vrees voor een ‘ tweede pandemie ’ neemt toe. Hoewel in Nederland het aantal positieve PCR-tests en het aantal ziekenhuis- en IC-opnames daalt, zetten de beelden van overspoelde ziekenhuizen in Groot-Brittannië, Ierland en Portugal de Tweede Kamer aan om op 21 januari tot een avondklok te besluiten. Ondanks de onzekerheid over de effectiviteit daarvan, trekken oppositiepartijen SP, PvdA, GroenLinks en coalitiepartner D66 hun oorspronkelijke bezwaren in. Net als de verlenging van de lockdown en het dichthouden van de scholen is dit besluit gebaseerd op de angst voor de Britse variant.


Premier Mark Rutte

"Vanuit voorzorg proberen we daar nu de maatregelen op te plotten die nodig zijn om een verschrikkelijke situatie te voorkomen"

‘De sterke opmars van de Britse variant dwingt ons extra maatregelen te nemen.’ Die uitspraak van Rob Jetten vat het Kamerdebat van 21 januari in één zin samen. Het RIVM gaat dan uit van een tot 36 procent grotere besmettelijkheid. Premier Mark Rutte legt nogmaals uit waarom een avondklok nodig is: ‘Op dit moment zeggen de deskundigen en de wetenschap dat dit het laatste inzicht is. Vanuit voorzorg proberen we daar nu de maatregelen op te plotten die nodig zijn om een verschrikkelijke situatie te voorkomen.’

Wat zijn precies die laatste wetenschappelijke inzichten die volgens Rutte het beleid bepalen? FTM sprak met enkele specialisten op het gebied van RNA-virussen om onderbouwde inschattingen, harde wetenschap en politieke speculatie in kaart te brengen. Wat is er écht bekend over de Britse variant?

Miljoenen mutanten onder ons

‘De Britse variant wint terrein in Nederland.’ Op 26 januari zou het volgens Aura Timen, hoofd Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding bij het RIVM, inmiddels bij 20 tot 30 procent van de besmettingen om de Britse variant gaan. Het RIVM noemt dat ‘zorgelijk’.

Emeritus hoogleraar farmaceutische biotechnologie en microbioloog Huub Schellekens maakt een andere inschatting: ‘Pas wanneer je plots een enorme omkering in de daling van de besmettingscijfers zou zien, of wanneer zo’n variant echt een ernstiger ziektebeeld geeft, is er reden tot alarm.’ 

Johnsons eigen adviseurs zeggen een dag later dat zijn uitspraken wetenschappelijk gezien voorbarig waren

Dat alarm klinkt prompt in Engeland, op 22 januari. Waar Johnson in december nog zei dat de variant niet gevaarlijker was, meldt hij nu dat ‘nieuw bewijs erop wijst dat het virus dodelijker is’. Verschillende virologen en epidemiologen reageren kritisch op Johnsons uitspraken en Johnsons eigen adviseurs zeggen een dag later dat zijn uitspraken wetenschappelijk gezien voorbarig waren.

Schellekens vindt de reacties in de politiek overtrokken. Volgens hem ligt het niet voor de hand dat varianten die meer ziek maken zich sneller verspreiden, omdat die vaak een nadeel hebben bij de natuurlijke selectie. Schellekens legt uit hoe die evolutie plaatsvindt: ‘RNA-virussen, zoals het coronavirus, zijn slordig in hun voortplanting. Er ontstaan continu mutanten. Dat levert al snel miljoenen of miljarden versies van zo’n coronavirus-mutant op in de cellen van een ziek persoon.’ Wanneer een variant een ‘genetisch voordeeltje’ heeft, bijvoorbeeld een eigenschap die verspreiding naar een ander mens vereenvoudigt, kan zo’n variant dominant worden.

Schellekens: ‘Binnen de anderhalvemetersamenleving heeft een variant die bijvoorbeeld langer buiten het lichaam overleeft, een relatief voordeel. Het coronavirus past zich aan ons gedrag aan.’ De coronamaatregelen zouden volgens Schellekens – paradoxaal genoeg – juist de dominantie van besmettelijker virusvarianten kunnen versnellen. Hij benadrukt dat de opkomst van nieuwe varianten niet per se problematisch is: ‘Dat een variant relatief sneller groeit en dominant wordt ten opzichte van eerdere versies van het virus, betekent nog niet dat die variant ook in absolute zin besmettelijker is.’

De Britse variant onder het vergrootglas

Ron Fouchier, hoogleraar moleculaire virologie en virusevolutie aan het Erasmus Medisch Centrum, deelt die zienswijze. ‘Er zijn in Groot-Brittannië, maar ook in Nederland al verschillende varianten opgekomen, dominant geworden, en weer verdrongen door een andere variant.’ Dat is ook te zien in de grafieken van Nextstrain waarin de verspreiding van verschillende varianten in kaart is gebracht.

‘Er ontstaan per maand tienduizenden minimaal veranderde versies van dit coronavirus,’ zegt Eric Snijder, hoogleraar aan het Leids Universitair Medisch Centrum gespecialiseerd in de moleculaire biologie van RNA-virussen. ‘Daar was aanvankelijk weinig aandacht voor buiten ons vakgebied. De versie waarmee we in Europa te maken kregen – en die op dit moment dominant is in de wereld – was al een mutant ten opzichte van het originele virus uit Wuhan.’ 

Snijder zegt dat we onszelf geen illusies moeten maken: ‘Dit virus zal zich nog verder aan de mens aanpassen. Dat doen alle virussen nadat ze zijn overgesprongen vanuit de dierenwereld. Of een nieuwe variant een verhoogd risico met zich meebrengt, kun je nooit meteen vaststellen. Het blijft een kat-en-muisspel, zeker nadat onze immuniteit is opgebouwd dankzij infecties en vaccinaties. Sommige mutanten zullen daaraan ontsnappen en dan zullen wij weer nieuwe immuniteit moeten opbouwen. Dit stopt pas als je het virus volledig kan uitbannen en dat ligt voorlopig niet in de lijn der verwachtingen.’

De wereld kent verschillende varianten van het virus. In Nederland hebben we momenteel zes verschillende varianten, waarvan er twee domineren, met 37 en 26 procent. In de presentatie van Jaap van Dissel, voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT), op 21 januari in de Tweede Kamer wordt dat onderscheid echter niet gemaakt. Van Dissel zette de Britse variant, die toen circa 10 procent van de besmettingen veroorzaakte, tegenover het ‘wild-type’, de noemer waaronder hij de andere vijf hoofdgroepen samenbrengt. Voor Kamerleden die zich niet in virale mutaties hebben verdiept, lijkt het daardoor alsof Nederland voor het eerst met een nieuwe variant te maken heeft. 

Waarom krijgt de Britse variant zoveel meer aandacht dan eerdere mutaties die dominant werden? Het RIVM antwoordt op die vraag van FTM: ‘Het belangrijkste verschil is de snelheid waarmee die Britse variant zich verspreidt ten opzichte van andere varianten. Bij andere varianten werd niet eerder zo systematisch zo’n groot verschil gemeten.’ De data van Nextstrain, die wereldwijd wordt verzameld, schetst echter een ander beeld.

Het RIVM verwijst ook naar een publicatie van haar Engelse evenknie waarin wordt gesteld dat sprake is van een hogere absolute besmettelijkheid. Public Health England schat – op basis van contact tracing tussen 30 november en 20 december – dat de gerapporteerde contacten van mensen met de Britse variant 10 tot 70 procent meer kans op een besmetting hadden dan bij andere varianten van het virus.

We vergelijken dus de verspreiding van de Britse variant onder studenten met die van het ‘normale’ virus in bejaardentehuizen

De betrouwbaarheid van cijfers

Fouchier maakt kanttekeningen bij deze cijfers en de conclusies die je eraan kunt verbinden over absolute besmettelijkheid: ‘In de eerste weken ging de nieuwe variant vooral rond onder de Britse jeugd. We vergelijken dus de verspreiding van de Britse variant onder studenten met die van het wild-type in bejaardentehuizen. Die groepen gedragen zich anders. Het is dus heel moeilijk te onderscheiden of de verhoogde besmettelijkheid ontstaat door het virus, of door de verschillende type gastheren van dat moment. Een groot epidemiologisch onderzoek waarbij je een flink aantal mensen met vergelijkbare gedragskarakteristieken volgt, is tot op heden niet uitgevoerd.’

Een relatief verspreidingsvoordeel is eenvoudig meetbaar, maar we moeten oppassen met de conclusie dat het ook om absoluut grotere besmettelijkheid gaat, zegt ook Eric Snijder: ‘Het grote probleem is dat er geen controlegroep bestaat. Er is geen parallel Londen met alleen de oude variant. Je weet dus niet of hier sprake was van een toevalstreffer, het zogenoemde founder effect: was die nieuwe variant toevallig op de juiste plek en het juiste moment toen de Engelsen hun Kerstinkopen deden? Had de oudere variant een vergelijkbare explosie van zieken opgeleverd? Dat weten we niet. Correlatie betekent nog geen causaliteit.’

Op 13 januari presenteerde een groep wetenschappers uit Oxford hun (nog niet peer reviewed) onderzoeksresultaten op basis van keeluitstrijkjes van een nationale surveillancestudie tussen 28 september en 2 januari. Ze concluderen dat binnen de totale viruspopulatie de groeisnelheid van de nieuwe variant 6 procent per dag hoger ligt dan van de oude varianten. Dat klinkt al een stuk minder heftig dan de 70 procent die in december werd genoemd door Boris Johnson, of de 36 procent grotere besmettelijkheid waar Van Dissel op 21 januari in de Tweede Kamer over sprak.


Ron Fouchier, hoogleraar moleculaire virologie

"Er worden stevige conclusies getrokken op basis van beperkte epidemiologische data, die vervolgens in mathematische modellen wordt gestopt"

Maar die cijfers blijken niet zo eenvoudig met elkaar te vergelijken. Het RIVM antwoordt op vragen van FTM: ‘Dit onderzoek gebruikt een andere, ongebruikelijke definitie van besmettelijkheid (groeisnelheid) en vindt dan een ander percentage. Als je het omrekent naar de meer gebruikelijke definitie van besmettelijkheid (reproductiegetal) dan kom je op eenzelfde percentage uit.

Dat omrekenen van relatieve verschillen tussen de groeicijfers van varianten (wat is gemeten in het Britse onderzoek), naar een R-getal (hoeveel nieuwe mensen een ziek persoon besmet) voor het nieuwe virus, leidde op 27 januari tot een spraakverwarring in een uitzending van BNR-nieuwsradio. Marino van Zelst, ‘chef cijfers’ van het Red Team, een expertgroep die lobbyt voor een indamstrategie, wees Eric Snijder er via Twitter op dat hij het begrip groeiratio verwarde met besmettelijkheid. Een dag later legt Snijder op BNR uit dat die begrippen inderdaad wat anders betekenen, maar of die 6 procent hogere groeiratio dan ook een 30 procent hogere R-factor oplevert, wil hij niet bevestigen omdat er ook andere factoren meespelen. Van Zelst, geen viroloog of epidemioloog, trekt die conclusie wel en twittert dat ‘de rectificatie niet in orde was.’

Onafhankelijk van Snijder zegt Fouchier tegen FTM dat je voorzichtig moet zijn met dit soort berekeningen: ‘Er worden stevige conclusies getrokken op basis van beperkte epidemiologische data, die vervolgens in mathematische modellen wordt gestopt. Is de data representatief? Was de contact tracing compleet? Welke aannames maken de onderzoekers? De extrapolatie van een kleine onnauwkeurigheid kan grote foutmarges opleveren. Het berekenen van transmissievoordelen is slechts een stukje van de puzzel, maar het wordt nu geïnterpreteerd alsof het de hele puzzel is.’

Ook Schellekens is kritisch: ‘Zulke conclusies over absolute besmettelijkheid kun je niet trekken op basis van een klein aantal metingen van relatieve groei. De cijfers zijn er nog niet.’

Gezondheidseconoom en epidemioloog Koen Pouwels, verbonden aan de Universiteit van Oxford en medeauteur van het onderzoek in kwestie, erkent dat de absolute besmettelijkheid niet goed valt te bepalen met de data die voor hun onderzoek beschikbaar was. Pouwels: ‘Hoeveel personen iemand besmet, is niet alleen afhankelijk van hoe besmettelijk de variant zelf is, maar ook van welke maatregelen ter plaatse gelden.’ Hij vindt dat Fouchier en Snijder de verschillende epidemiologische onderzoeken en wiskundige modellen niet helemaal op waarde schatten. ‘Het onderzoek van Oxford betreft een representatieve steekproef van bijna 400 duizend inwoners van het Verenigd Koninkrijk die over de tijd werden gevolgd.’

Metingen in andere landen onderschrijven het Oxford-onderzoek

Pouwels licht zijn onderzoek toe. Wanneer je een grote groep mensen geruime tijd volgt, kun je wel degelijk schattingen maken over de besmettelijkheid. De mogelijkheid van een toevalstreffer – het zogenaamde founder effect – bij de Britse variant acht hij niet zo groot: ‘Omdat uit allerlei landen en regio’s (verschillende regio’s binnen het VK, de VS, Ierland, Portugal, België, Zwitserland en Nederland) onafhankelijk van elkaar schattingen van een 6 tot 10 procent hogere groeiratio komen, is de kans kleiner dat het puur toeval betreft.’

Uit het onderzoek komt ook naar voren dat de relatief snellere groei van de variant hetzelfde is in verschillende leeftijdsgroepen. Dat wijst er volgens Pouwels op dat er meer aan de hand is dan een uitbraak onder studenten alleen. Andere Britse onderzoekers konden met wiskundige modellen de toename van de nieuwe variant evenmin verklaren aan de hand van gedragsveranderingen. 

Pouwels benadrukt dat de snellere relatieve groei van de Britse variant plaatsvond tijdens een periode van hoge ‘prevalentie’ van andere varianten; er waren veel mensen besmet. ‘De kans dat een variant dominant wordt door toevalligheden is veel kleiner gedurende een periode dat veel mensen het virus onder de leden hebben, dan bijvoorbeeld in de zomer toen de prevalentie laag was.’ Pouwels vindt de vergelijking met Nextstrain-data van andere periodes daarom niet helemaal fair. ‘Dan wordt geen rekening gehouden met het verschil in prevalentie van covid over de tijd.’

Pouwels vindt dat de data uit meerdere landen samen gezien kan worden als ‘indicatief dat de variant daadwerkelijk een stuk besmettelijker is dan andere varianten’. De hogere groeiratio van 6 procent is volgens hem eerder een onderschatting dan een overschatting.

Dat de groeiratio een ongebruikelijke definitie van besmettelijkheid zou zijn, zoals het RIVM aan FTM meldde, is volgens hem een misvatting. ‘Het is gebruikelijk om het verschil in besmettelijkheid uit te rekenen aan de hand van het verschil in groeisnelheid per dag en de gemiddelde tijd tussen twee besmettingen (generation time).’ Hij vindt het terecht dat het RIVM de groeiratio in deze situatie omrekent naar een R-getal, dat is een standaardprocedure. ‘Iets wat besmettelijker is kan grote problemen opleveren, zoals we hebben gezien in Engeland en Portugal.’

Lees verder Inklappen

De andere kijk op het begrip besmettelijkheid heeft ook te maken met de achtergrond van de verschillende experts. Snijder, moleculair viroloog, verduidelijkt dat zo: ‘Stel dat je twee buisjes virus hebt. Eén laat je gesloten op tafel liggen en het andere vernevel je – puur hypothetisch, want dat is geen goed idee – op een druk station, waardoor een grote uitbraak ontstaat. De moleculair viroloog zal stellen dat het virus in beide buisjes even besmettelijk was (want de biologische eigenschappen zijn precies hetzelfde). De epidemioloog zal constateren dat de R0 van het virus in het eerste buisje nul is, terwijl de R0 van het virus in het tweede buisje, dat wel open ging, misschien wel 5 of 6 is. Het R-getal is dus de optelsom van biologische eigenschappen plus allerlei omgevingsfactoren en toevalligheden, en kan dus drastisch veranderen zonder dat het virus zelf verandert.’

Het slechtste scenario als uitgangspunt

Het RIVM gaat uit van het slechtste scenario. Fouchier vindt dat overdreven: ‘De eerste zorgen over de variant waren terecht. Het is dan ook verstandig dat er vervolgens meer onderzoek wordt gedaan. Maar de resultaten die daar tot nu toe uitkomen, bewijzen mijns inziens niet dat de Britse variant besmettelijker is.’ 

Hij noemt enkele voorbeelden: ‘In eerste instantie werd gedacht dat de viral load hoger was bij de Britse variant. Een aantoonbaar hogere concentratie van het virus in de luchtwegen van besmette personen maakt het waarschijnlijker dat het virus zich makkelijker verspreidt, aangenomen dat het nog infectieus virus is. Dat was een belangrijke aanwijzing, maar uit het Oxford-onderzoek komt naar voren dat hier toch geen sprake van is.’

Een tweede punt heeft te maken met het moment van meten: ‘Aanvankelijk nam de Britse variant exponentieel toe, maar op dit moment zien we een afvlakking van die relatieve groei in Groot-Brittannië. Dat zagen we ook bij eerdere varianten.’ 

Pouwels wijst echter op andere covid-data, die suggereert dat de afvlakking van de groei in het VK pas bij een hoger percentage plaatsvindt dan de Nextstrain-data doet vermoeden. ‘Het is bovendien logisch dat je een afvlakking ziet wanneer je puur kijkt naar de procentuele aanwezigheid van een nieuwe variant in de gehele viruspopulatie. Dat percentage kan niet exponentieel blijven groeien. Het betreft hier immers logistische groei.’

In Londen liggen de IC’s nog vol, maar in Groot-Brittannië als geheel neemt het totaal aantal besmettingen alweer twee weken af. In Portugal stijgen de aantallen nog steeds en kunnen de ziekenhuizen de druk niet meer aan. De dominantie van de Britse variant wordt hiermee in verband gebracht, al lijkt ook in Portugal de relatieve toename van die variant af te vlakken. Daarnaast wordt inmiddels gespeculeerd over de invloed van de Zuid-Afrikaanse en Braziliaanse variant.

Maar de oorzaak zou even goed kunnen liggen in zaken die niets met mutaties van doen hebben: ‘Rond kerst en oud en nieuw waren er geen beperkingen op het aantal mensen dat mocht samenkomen.’ En omdat alle winkels in de weekenden daarna om 13.00 uur moesten sluiten, werd de drukte ‘niet over de hele dag verspreid, maar in slechts een paar uur gepropt,’ meldt Metro.

Vergelijkend laboratoriumonderzoek waarin met proefdieren en celkweekjes wordt gewerkt, is nog niet mogelijk

Tot slot wijst Fouchier op het ontbreken van biologische bewijzen voor grotere besmettelijkheid. ‘Op basis van de genetische data kun je geen harde conclusies trekken.’ Vincent Racaniello, hoogleraar microbiologie en immunologie verbonden aan de Universiteit van Colombia in Amerika, waarschuwde daar in december ook al voor. Fouchier en Racaniello stellen dat je van sommige genetische aspecten van de Britse variant juist mag aannemen dat ze het virus eerder verzwakken dan besmettelijker maken.

Vergelijkend laboratoriumonderzoek waarin met proefdieren en celkweekjes wordt gewerkt, het specialisme van Fouchier, is nog niet mogelijk: ‘Er zijn nog geen goede diermodellen of celkweekmodellen voor het coronavirus.’ 

Testen, testen, testen 

Wachten op conclusies over besmettelijkheid op basis van laboratoriumonderzoek is dus geen pragmatische optie. Volgens Schellekens is er gelukkig een snelle en betrouwbare manier om toch meer te weten te komen: grootschalig epidemiologisch onderzoek uitvoeren. ‘Je moet met steekproeven de populatie van een heel gebied testen of mensen over langere tijd in de gaten houden en meermaals testen. Pas dan heb je representatieve data. Meten is weten.’ Schellekens vindt dat dit in Nederland veel te weinig gebeurt en is blij met het grootschalige onderzoek in Lansingerland en de Rotterdamse wijk Charlois dat op 26 januari van start is gegaan.

In Lansingerland was eind november sprake van een grote corona-uitbraak. 46 leerlingen bleken besmet met de Britse variant. ‘Dat was aanleiding om [..] in heel Lansingerland nader onderzoek te doen. We hopen daaruit ook meer te leren over [de vraag] of kinderen een grotere rol spelen bij de verspreiding ervan,’ zei Hugo de Jonge, minister van VWS, tijdens het Kamerdebat op 21 januari over de invoering van de avondklok. ‘Dat onderzoek ligt op 29 januari voor in het OMT. Ik hoop dat we dan zullen besluiten dat de basisscholen sowieso opengaan op 8 februari.’

Wat De Jonge de Kamer niet mededeelde was dat de voorlopige resultaten van het Lansingerland-onderzoek al bekend waren bij VWS, het OMT en het RIVM. Een dag later maakte de GGD ze publiek: ‘Van de 45.000 afspraken hebben we inmiddels de uitslagen van bijna 27.000 inwoners kunnen analyseren.’ Dat is de grootste steekproef die we tot nu in Nederland hebben uitgevoerd. ‘De eerste bevindingen van GGD Rotterdam-Rijnmond en Erasmus MC laten zien dat er geen sprake is van een grootschalige verspreiding van de Britse variant in de gemeente. De uitbraak van deze variant lijkt zich vooral te hebben geconcentreerd op de Willibrordschool. [..]

Dossier

Dossier: Coronacrisis

De maatregelen om de verspreiding van het coronavirus in te dammen zijn ongekend; de uitwerking ervan nog grotendeels onbekend. Welke oplossingen dienen welke belangen?

Volg dit dossier

Waarom heeft De Jonge deze belangrijke informatie – of de conclusie van het Oxford-onderzoek dat de Britse variant voor alle leeftijdsgroepen even besmettelijk lijkt te zijn – niet met de Kamer gedeeld? Op vragen van FTM antwoordt VWS: ‘[..] Het was niet mogelijk en ook niet zinvol om deze informatie tijdens het debat met de Kamer te delen, zonder nadere analyse en zonder deze in de juiste context te kunnen plaatsen. Dat gaat uiteraard nog gebeuren. De analyse van de ervaringen uit Lansingerland vormt een belangrijke bouwsteen voor toekomstige beleidsbeslissingen.’

Opmerkelijk is dat directeur GGD Rotterdam-Rijnmond Saskia Baas in het persbericht als volgt wordt geciteerd: ‘De resultaten die we tot nu toe hebben, laten zien dat de Britse variant, met name op de Willibrordschool, flink is verspreid onder leerkrachten en leerlingen van deze basisschool en onder de gezinnen/huishoudens van deze mensen. Dit maakt de aanname dat deze variant besmettelijker is dan de ‘gewone’ variant waarschijnlijker.’

Schellekens en Fouchier vinden die conclusie vreemd. Ze benadrukken dat zij niet over de volledige data beschikken, maar de cijfers die openbaar zijn wijzen volgens hen juist in tegenovergestelde richting.

Fouchier: ‘Als ik de beschikbare data bekijk, zie ik dat de Engelse variant proportioneel sneller afneemt dan de gewone variant. Dan kun je natuurlijk zeggen: dat komt doordat we de school hebben gesloten. Maar dan zeg je eigenlijk dat er überhaupt geen conclusies te verbinden zijn aan het Lansingerland-onderzoek.’

Schellekens: ‘Voor mij is de conclusie dat de Britse variant niet besmettelijker is. Je hebt op één school een heleboel gevallen, vindt nog enkele gevallen onder de leraren en ouders, maar niet op andere scholen of in de wijdere omgeving. Dat past niet in het beeld van een besmettelijker variant.’ Hij vindt het opmerkelijk dat die data pas een dag na het Kamerdebat officieel werd bekendgemaakt en niet is meegenomen in de beslissing over de avondklok: ‘Dit lijkt me relevante informatie wanneer je beslist over een ingrijpende nieuwe maatregel. Dit is het beste Nederlandse onderzoek dat we tot nu toe hebben.’

Politiek speelt een rol

Volgens Snijder ligt de Britse variant maatschappelijk onder het vergrootglas. ‘Deze variant werd al in september gevonden, maar pas in december vonden onderzoekers aanwijzingen dat hij in Groot-Brittannië snel terrein won. De media schrijven meteen over 30 tot 70 procent hogere besmettelijkheid. Onderzoeken die erop wijzen dat de besmettelijkheid toch lager lijkt uit te vallen, krijgen vervolgens minder aandacht.’

Snijder wijst erop dat voorlopige cijfers momenteel allerminst betrouwbaar zijn. ‘Dit is niet louter virologie en epidemiologie. Er zit een gedragskant aan en er wordt een politiek sausje overheen gegooid om de mensen op het hart te drukken zich aan de regels te houden. De aandacht voor dit soort cijfers helpt daarbij. Johnsons eigen wetenschappelijke adviseurs floten hem een dag na zijn uitspraken over de dodelijkheid van de variant al weer terug. Dat toont hoe de dynamiek is.’

‘Iedereen buitelt over elkaar om als eerste iets te claimen’

Haastige wetenschap speelt volgens Snijder ook een rol. ‘Iedereen buitelt over elkaar om als eerste iets te claimen. Het kan geen kwaad om data eerst wat nauwkeuriger te analyseren en voor te leggen aan collega's. Dat proces van peer review staat al een jaar onder druk in deze crisissituatie. Dat heeft risico's: voor niet-ingevoerden is het erg lastig om het kaf van het koren te scheiden.’ 

Spreken over een ‘tweede pandemie’, zoals bijvoorbeeld de NOS en NRC Handelsblad doen, is volgens Snijder echt overdreven zolang de virussen 99,85 procent genetisch identiek zijn en door dezelfde immuunrespons worden uitgeschakeld. Het is ook niet vol te houden voor onderzoekers of journalisten: ‘Gezien het aantal varianten aan de horizon is het uiteindelijk onmogelijk om die allemaal op dit niveau te blijven volgen, bestuderen en bediscussiëren.’

Pouwels vindt dat we waakzaam moeten blijven: ‘Als verschillende onderzoeken uit meerdere landen erop duiden dat een variant een stuk besmettelijker is, is het niet meer dan logisch om op zijn minst te bespreken of extra maatregelen nodig zijn.’

Fouchier wijst op een ander fenomeen: ‘Het is vrijwel onmogelijk om te bewijzen dat iets er niet is. Maar als het bewijs dat iets er wel is eigenlijk zwak is en steeds zwakker wordt, moeten we er misschien minder aandacht aan besteden. De escalatie gaat snel. Dat is belangrijk, want je wilt het virus voorblijven. Maar terugschakelen duurt een stuk langer en dat heeft gevolgen. De Kamer besliste over de avondklok op basis van een rapportage van het RIVM waarin de nieuwste data en laatste wetenschappelijke inzichten ontbraken.’

Schellekens: ‘Niet alleen het virus muteert, maar ook de manier waarop zo’n variant in de media en politiek wordt beschreven. In de hoofden van mensen wordt deze mutatie steeds gevaarlijker, terwijl de data in de andere richting wijst.’