Burgemeesters in oorlogstijd

2 Connecties

Onderwerpen

Universiteit Sponsoring
0 Bijdragen

FTM columnist Ewald Engelen vraagt zich af of hij nog wel thuishoort in de Nederlandse academia die het 'nuttigheidsvirus' hebben gevat.

Ik snap er niets meer van. Laat ik tweeënhalf jaar lang gedacht hebben dat onze universiteitsbestuurders ‘burgemeesters in oorlogstijd’ waren, zaakwaarnemers die zo goed en zo kwaad als het ging hun zaakjes draaiende probeerden te houden onder het bewind van Halbe de Dwaas die zij verfoeiden. Maar als dat het geval zou zijn geweest, had de val van het kabinet tot een orgie van bevrijding moeten leiden. En dan bedoel ik niet neuken in de bosjes zoals mijn grootmoeder mei 1945 naar verluidt deed, maar wel vreugdevuren op de academische pleinen en universitaire binnenplaatsen, ontbrand aan die vermaledijde innovatiecontracten, zelfstudies, valorisatieplannen, instituutprofielen en al dat andere gefröbel waarmee bestuurders zichzelf en elkaar de laatste jaren bezig hebben gehouden.

 

Geen vreugdevuur
Ik heb geen rookpluim gezien, geen vuurwalm opgesnoven. Integendeel, de UvA is doodgewoon op het ingeslagen pad verdergegaan. Sterker nog, op 4 mei heeft mijn alma mater – en dat op Dodenherdenking – geheel volgens afspraak haar Profielschets en de ondertekende prestatieafspraken naar Halbe de Grote gestuurd. En niet een mottige haringkop. Of een geweekte hondendrol. En dat zet je toch aan het denken. Ging het dan niet met tegenzin? Had men het discours dan toch geïnternaliseerd? Dacht men serieus dat horigheid aan het bedrijfsleven het beste was voor onderzoek en onderwijs? Had men Halbe dan niet met weerzin, louter om strategische redenen, naar de bek gepraat? Was men het – o onuitspreekbare vloek – al die tijd dan met Halbe eens geweest?

 

Criticasters
En toen kwamen daar de afgelopen twee weken nog twee publieke interventies van twee gerenommeerde academici annex bestuurders – in die volgorde – bij. Eerst was daar op 23 mei het interview met Piet Borst in TU Delta, emeritus hoogleraar moleculaire biologie en KNAW-lid, die de vloer aanveegde met de valorisatiewaanzin die zich sinds kort over universiteitsbestuurders en hun coterie vaardig heeft gemaakt. Wat citaten:
 
‘Economische Zaken woont in de jaren zeventig en denkt: die ellendige universitaire onderzoekers en andere academische onderzoekers die alsmaar met hun eigen klunzige hobby’s bezig zijn, die moeten wij dwingen om nuttig werk te gaan doen en dat kan alleen als we ze afhankelijk maken van industriële financiering. Dan krijgen ze leiding van onze wakkere industriëlen over wat ze moeten doen. Het is een waandenkbeeld. Het is echt een recept voor hoe het niet moet.’
 
En:
 
‘De wijze waarop NWO horig is gemaakt aan industriële belangen is gewoon totaal absurd. Heel slecht voor het Nederlandse onderzoek.’
 
En:
 
‘We zijn al twee stappen te ver gegaan. Bijvoorbeeld dat nu in de Veni-, Vidi- en Vici-aanvragen van NWO een hele valorisatieparagraaf staat. Absurd! Dat zijn jonge onderzoekers, die moeten grenzen verleggen en dan ga je beoordelen of er een valorisatiepotentieel zit in hun onderzoek. Dat is toch absurd? Als ik in zo’n commissie zou zitten, zou ik daar niet aan mee doen. Dat is immoreel.’
 
Ik heb het zelf net moeten doen: het invullen van zo’n valorisatieparagraaf, bij mijn Vici-aanvraag. 1200 woorden heb je dan voor het voorstel zelf, en 500 voor de valorisatieparagraaf. Maar 700 woorden meer voor waar het eigenlijk om gaat, het onderzoeksvoorstel. Buiten proportie!
 
En dinsdag was er de lezing van Robbert Dijkgraaf ter gelegenheid van zijn vertrek als president van de KNAW, waarin hij een warm pleidooi hield voor het nut van nutteloze (lees: fundamentele) wetenschap en zich daarmee van de weeromstuit een criticaster betoonde van dezelfde horigheid van academia aan het bedrijfsleven als Piet Borst bekritiseerde.
 
Nuttigheidsvirus
En toen overviel me het begin van een depressie. Want als zelf deze twee wijze heren er niet in slagen onze bestuurderen tot bezinning te brengen, hoe diep moet dat vervloekte nuttigheidsvirus zich wel niet in hun gitzwarte ziel hebben ingevreten? Zonder valse bescheidenheid durf ik te stellen dat ik goed ben in wat ik doe: schrijven, spreken, doceren, onderzoeken – en dat ik heb what it takes om een voortreffelijk academicus te zijn. Maar de toon van de hedendaagse universiteit verdraagt zich steeds slechter met mijn opvatting van academische excellentie.
 
En dan komt er een moment dat je je de vraag moet stellen of je er nog wel thuishoort. Of zoals de Britse Marxist Terry Eagleton zich in een recent interview met de Oxonian Review zich liet ontvallen:
 
‘Most people I know in academia want to get out. Which is a pretty new situation. I’ve never encountered that before… [Neo-managerialism] is absolutely hideous. I mean, it has effectively brought to an end hundreds of years—at least a two hundred-year-old tradition—of the university as a centre of critique, in a society where critique otherwise is pretty hard to come by. That is a momentous and historic development…’

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Ewald Engelen

Gevolgd door 2191 leden

FTM-columnist van het eerste uur, financieel geograaf aan de UvA en actief voor de Partij voor de Dieren.