Van wie is ons geld?

Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunnen we ons monetaire systeem op een eerlijkere manier organiseren? Lees meer

Het zijn vragen waar menig econoom zijn tanden op stuk gebeten heeft. Toneelgroep De Verleiders zette een brede discussie in gang door op te roepen tot een burgerinitiatief. Met 120.000 handtekeningen moest de politiek wel reageren en nadenken over de aard en wezen van ons geld en de manier waarop het wordt gecreëerd. Dat leidde tot een opdracht voor Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om onderzoek naar geldschepping te doen.

Op Follow The Money begon in 2015 het debat toen voormalig bankenlobbyist en auteur Robin Fransman reageerde met een open brief aan het toneelgezelschap, die werd beantwoord door Martijn Jeroen van der Linden, bestuurder van de Stichting Ons Geld. Daarnaast gaven tientallen lezers in het discussieforum hun visie op wat misschien wel dé vraag van het moment is: van wie is ons geld eigenlijk?

De WRR is inmiddels al enige tijd bezig met een onderzoek naar geldcreatie. We wachten met spanning af naar de verschijning van het rapport. Ondertussen gaat op FTM de fundamentele discussie over geld verder.

62 Artikelen

Centrale-bankreserves zijn geen reserves: tijd voor een nieuwe naam

2 Connecties

Onderwerpen

reserves

Werkvelden

Centrale banken
61 Reacties

In onze discussies over het financiële stelsel ontstaat vaak verwarring wanneer we het hebben over centrale banken en de ‘reserves’ die commerciële banken daar aanhouden, stelt Richard van der Linde. Een voorstel voor twee kleine aanpassingen om de toekomst van ons geld beter bespreekbaar te maken.

De eerste keer dat ik de term ‘reserve’ hoorde was geloof ik in de tweede klas van de middelbare school, bij het vak Handelswetenschappen. Als een bedrijf winst had gemaakt, kon het deze winst uitkeren, herinvesteren of toevoegen aan de reserve — een soort potje waar in mindere tijden uit geput kon worden. Later kwam daar nog de agioreserve bij, die ontstaat als een bedrijf aandelen uitgeeft boven de nominale waarde. Daarna duurde het toch zeker tot mijn zestiende voordat ik weer met een reserve te maken kreeg. Meer dan eens stopte mijn brommer er onderweg mee doordat de ‘gewone’ tank op was. Gelukkig was er dan nog de reservetank, in werkelijkheid niet meer dan een slangetje dat net iets korter was en daardoor nog net genoeg benzine uit het onderste deel van de tank kon slurpen om toch nog de benzinepomp te halen.

Blinde vlek

Het werd verwarrend toen het jaren later over reserves van banken en de centrale bank ging. Hoewel ik dacht een vrij goed beeld te hebben van het geldsysteem, er meerdere boeken over had gelezen en met enige regelmaat debatten en evenementen over de toekomst van geld bezocht, was het eerlijk gezegd pas op het moment dat ik me enkele weken stortte op het idee van een 100% reservebank — een depositobank — dat ik écht goed het onderscheid kon maken tussen bankkrediet en centrale-bankreserves. Toen ik na vier weken onderzoek boven water kwam, zat ook het two-tier banking system er goed in.

Nadat ik enkele columns had geschreven voor FTM waarin ik de elementaire zaken van het geldstelsel en de rol van banken had toegelicht, ontving ik de eerste uitnodigingen om deel te nemen aan discussies of om een presentatie te geven. Wat mij daarbij opviel was dat zelfs bankiers uit de commerciële sector vaak de aard van centrale-bankreserves niet scherp op het netvlies hebben. Ze zijn er intelligent genoeg voor, maar door de manier waarop we in andere situaties het woord ‘reserve’ gebruiken, lijkt er in het geval van de centrale-bankvariant een blinde vlek te ontstaan. Dat komt het debat over de toekomst van geld niet ten goede.

Door de manier waarop we in andere situaties het woord ‘reserve’ gebruiken, lijkt er in het geval van de centrale-bankvariant een blinde vlek te ontstaan

Gouden standaard

Dat we spreken over centrale-bankreserves is historisch gezien niet heel gek. In het begin van de twintigste eeuw ging in de Verenigde Staten met enige regelmaat een bank failliet. Als remedie richtte een aantal commerciële banken in 1913 een centrale bank op die voorraden goud en cash beheerde en die desgewenst kon transporteren naar een bank waar de vraag onder deposanten hoog was. Toen men daar eenmaal vertrouwen in kreeg, bleek het steeds minder vaak nodig om met het goud rond te rijden; de centrale banken zorgden voor stabiliteit. Alle banken hielden een deel van hun bezittingen bij de centrale bank aan. Dit waren hun ‘reserves’, die — net als bij mijn brommer — beschikbaar waren als de bank niet meer voldoende in de eigen kluis had.

Uiteindelijk sneuvelde de gouden standaard tijdens de crisis van de jaren ’30. Vanaf 1971 hoefden de banken zelfs geen goud meer in de kluis te hebben om krediet te mogen verstrekken. Centrale banken bleven echter nog wel bestaan, want daar werden alle bij- en afschrijvingen tussen klanten van banken met elkaar verrekend. Dat gebeurde, veelal via cheques, tussen de rekeningen van banken bij de centrale bank. Met reserves, derhalve, alleen leken die nu meer op de olie in de motor van de brommer — het smeermiddel — dan op de brandstof voor noodgevallen.

Die reserves zijn een apart goedje. Het geld dat wij op onze bankrekening hebben is geen reserve, maar is ooit ontstaan als krediet. Het is dus een tegoedbon waarmee reserves namens ons kunnen worden gebruikt voor een betaling. Alleen banken die een rekening hebben bij de centrale bank — en daarvoor is een bankvergunning nodig — kunnen centrale-bankreserves hebben. We geven met onze bankpas de opdracht om, namens ons, centrale-bankreserves naar een andere bank over te maken. De rekeninghouder waar wij aan betalen krijgt van zijn of haar bank weer de mogelijkheid om die reserves te gebruiken.

Je kunt de OV-fiets vergelijken met de centrale-bankreserves

OV-fietsen

Ik heb vele manieren geprobeerd, maar een uitleg aan de hand van een analogie met de OV-fiets werkt tot nu toe het beste. Hierbij laat ik contant geld even buiten beschouwing. Op stations kan je tegenwoordig met een geactiveerde OV-chipkaart een fiets huren. De NS heeft een bepaald aantal fietsen, verspreid over het land, maar het aantal geactiveerde OV-chipkaarten is vele malen hoger. Dat is geen probleem, omdat niet iedereen tegelijkertijd een OV-fiets wil gebruiken. Je kunt de OV-fiets vergelijken met de centrale-bankreserves. U kunt vandaag nog een OV-chipkaart kopen en activeren. Op dat moment wordt er geen extra fiets in het rek gezet. Evenmin hoeft er een probleem te ontstaan. Er zijn namelijk pas extra fietsen nodig als meerdere nieuwe klanten zich aanmelden en daadwerkelijk fietsen gaan gebruiken. De NS weet inmiddels aardig in welke verhouding ze fietsen ten opzichte van chipkaarten moet hebben, dus bij iedere zoveel nieuwe passen, wordt het aantal fietsen uitgebreid. Bij de bank werkt het ook zo. Bij iedere lening ontstaat er nieuw bankkrediet waarmee centrale-bankreserves gebruikt kunnen worden. Op het moment dat de lening wordt verstrekt zijn er nog geen extra reserves nodig, maar pas op het moment dat mensen met het krediet betalingen willen verrichten. Net als de NS met haar fietsen, weet de bank inmiddels aardig in welke verhouding klanten geld overboeken (en er geld van andere banken terugvloeit door betalingen). Daarom kunnen ze met weinig centrale-bankreserves toch alle transacties laten plaatsvinden.

 

Om die reden worden economen vaak heel boos als ergens wordt geschreven dat banken spaargeld uitlenen. Dat zou net zo logisch zijn als iemand die een OV-chipkaart activeert en een fiets mee naar huis krijgt. Bij de bank wordt geen geld van iemand anders uitgeleend. Er zijn reserves (OV-fietsen) en als er leningen worden verstrekt, dan zijn er slechts meer mensen die betalingen kunnen verrichten (mensen met OV-chipkaarten).

Voor velen wordt het helemaal lastig als contant geld in de discussie betrokken wordt. Cash is namelijk een fysieke vorm van een centrale-bankreserve, maar we zien al sinds we als kind een bankrekening hebben dat ons saldo van bankkrediet afneemt als we geld opnemen. In werkelijkheid heeft de bank ooit bij de centrale bank reserves ingewisseld voor briefjes en munten, die jij op jouw beurt weer meekrijgt uit de automaat of als wisselgeld bij de supermarkt. Cash is dus een papieren of metalen drager van een centrale-bankreserve, terwijl geld op je bankrekening een claim op een centrale-bankreserve is. Stel dat we ooit bij de centrale bank een rekening kunnen openen, iets waar veel over gesproken wordt, dan houden we daar zelf centrale-bank reserves aan. Er zouden vanaf dat moment twee girale betaalmiddelen zijn: het girale bankkrediet, waarmee een betaling met reserves kan worden aangevraagd bij de commerciële bank, en de girale reserves zelf, die je vanaf je rekening bij de centrale bank dan direct zou kunnen overboeken naar een ander. De enige reden dat je dan nog voor een commerciële bank zou kiezen, is de vergoeding die je krijgt voor het risico dat je ooit een betaling of overboeking verzoekt en de bank niet meer voldoende reserves heeft.

Betere terminologie

Na deze uitleg begrijpen de meeste mensen wel het verschil. Hier moet de analogie overigens ook stoppen, want de meer complexe zaken van het monetair stelsel zijn zeker niet met OV-fietsen en -chipkaarten uit te leggen. Waar het om gaat is dat het helder is wat reserves zijn. Het volgende probleem komt echter al snel om de hoek kijken wanneer thema’s als QE, de geldvoorraad en negatieve rente bij banken ter sprake komen. Omdat zowel centrale-bankreserves als bankkrediet worden uitgedrukt in euro’s lukt het in de praktijk maar weinigen deze twee volledig los van elkaar te zien. Ook kranten hebben er moeite mee, net als eigenlijk iedereen die niet dagelijks met het geldstelsel bezig is. Dat bij de meeste definities van de geldhoeveelheid de reserves en bankkredieten bij elkaar worden opgeteld helpt ook niet. Daardoor blijft de neiging groot om centrale-bankreserves te zien als eigen vermogen van de bank, zoals reserves in de boekhouding van een normaal bedrijf, en niet als activa, zoals bij banken eigenlijk het geval is. Zelfs in het boek Breken met Banken, over de oprichting van Bunq, is te lezen dat het bedrijf haar klanten een eigen geld-database op de smartphone wilde geven, wat aantoont dat zelfs deze ontzettend slimme mensen het onderscheid tussen reserves en bankkrediet niet scherp hebben. Daarom pleit ik er voor om afscheid te nemen van de term ‘centrale-bankreserve’ en er ook niet meer het euroteken voor te gebruiken.

Mijn voorstel is dat we voor dat speciale goedje dat banken bij de centrale bank aanhouden voortaan een term zonder het woord ‘reserve’ gaan gebruiken. Bijvoorbeeld ‘Centrale Bank-token’ of ‘Overheidsgeld’ — al is er vast nog een betere term te bedenken. Verder stel ik voor dat we als symbool het euroteken ingesloten door blokhaken ‘[€]’ gebruiken; het heeft betrekking op euro’s, maar het zijn geen euro’s. Met een goed onderscheidende notatie en nomenclatuur kan de discussie over geld in de toekomst beter gevoerd worden. En als we er dan toch mee bezig zijn, laten we dan ook meteen een iets minder ontmoedigend woord bedenken voor de ‘overtollige reserves/tokens’ wanneer een bank ook maar één euro meer dan het minimum aanhoudt. Al zal de negatieve rente alles boven het minimum voorlopig nog ongewenst maken.

Ik ben benieuwd naar uw suggesties.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Richard van der Linde

Dit artikel zit in het dossier

Van wie is ons geld?

Gevolgd door 2457 leden

Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunne...

Volg dossier