Minister Sigrid Kaag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (D66) tijdens het debat in de Tweede Kamer over het vrijhandelsverdrag van de Europese Unie met Canada (CETA).
© ANP / Bart Maat

Internationale vrijhandelsverdragen

Tegen vrije handel tussen burgers, landen en continenten valt weinig in te brengen. Grote internationale vrijhandelsverdragen als CETA, TTIP en TiSA worden daarom uitonderhandeld. Maar ís bijvoorbeeld de Transatlantic Trade & Investment Partnership (TTIP) wel zo'n 'no brainer' als de voorstanders beweren? Het handels- en investeringsverdrag dat de EU en de VS nu onderhandelen levert, zeggen ze, nieuwe banen op. En het zou het mkb een impuls geven.

Klopt dat? Met vrijhandel heeft TTIP vooralsnog weinig te maken. Achter de gesloten deuren waar de onderhandelingen plaatsvinden, zijn nu lobbygroepen bezig hun belangen veilig te stellen. Er bestaan dan ook grote zorgen dat TTIP niet de belangen van de EU-burgers dient, maar vooral die van grote ondernemingen aan deze en gene zijde van de Atlantische Oceaan.

Die zorgen zijn terecht. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de kwaliteit van ons voedsel? Ons energiebeleid? Gaat de belastingbetaler straks opdraaien voor claims van Amerikaanse multinationals als we chloorkippen en -eieren uit onze schappen weren? Of als we kerncentrales sluiten?

Internationale vrijhandelsverdragen als TTIP, CETA en TiSA zijn complexe ondoorzichtige dossiers met mogelijk grote gevolgen. We Follow The Money – ook in Brussel.

77 Artikelen

Hoe Canada de Europese voedselveiligheid verwatert

Volgens minister Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking profiteert iedereen van CETA, het handelsverdrag tussen de EU en Canada. Maar uit interne documenten blijkt dat Canada het verdrag gebruikt om Europese regels voor voedselveiligheid ter discussie te stellen. En daar lijkt de EU nu gehoor aan te hebben geven — mét steun van Nederland.

Dit stuk in 1 minuut

Waar gaat dit artikel over?

  • CETA is het vrijhandelsverdrag tussen de EU en Canada. Het doel van het verdrag is om handel te bevorderen door wederzijds invoertarieven te schrappen, maar ook om regels voor consumentenbescherming op één lijn te krijgen.
  • Wat betreft voedselveiligheid hanteert de EU strengere regels voor sporen van bestrijdingsmiddelen dan Canada. Uit openbaar gemaakte documenten blijkt dat Canada het CETA-verdrag gebruikt om de EU onder druk te zetten deze wetgeving af te zwakken.
  • Minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) heeft de Tweede Kamer laten weten dat de EU hier niet aan heeft toegegeven.
  • Uit documenten van de Europese Commissie blijkt echter dat de EU wel degelijk mogelijkheden heeft gecreëerd om import van landbouwproducten uit Canada, met daarop residuen van in de EU verboden bestrijdingsmiddelen, toe te laten.
  • Deze beleidswijziging, die op verzoek van Canada tot stand kwam en ingaat tegen het advies van juristen van de Europese Commissie, werd in Brussel gesteund door Nederland. De Tweede Kamer werd hier niet over geïnformeerd.

Waarom moet je dit lezen?

  • Het CETA-verdrag werd in februari goedgekeurd door de Tweede Kamer. Momenteel wordt het besproken in de Eerste Kamer. Wanneer deze ook instemt, is het verdrag definitief door Nederland geratificeerd.

Hoe heeft FTM dit onderzoek gedaan?

  • Follow the Money las interne documenten van de Canadese overheid en de Europese Commissie en notulen van vergaderingen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en EU-comités. Ook sprak FTM met betrokkenen en deskundigen op het gebied van handel- en milieubeleid.
Lees verder

Minister Sigrid Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (D66) kan de Tweede Kamer geruststellen. Het voorzorgsbeginsel – dat wil zeggen, de EU-afspraak dat overheden bij dreiging van serieuze of onomkeerbare schade aan milieu of gezondheid beschermende maatregelen nemen – is ‘niet in gevaar’.

Het is 13 februari 2020. De Kamer debatteert over CETA, een vrijhandelsverdrag tussen de Europese Unie en Canada. Oppositiepartijen SP, Partij voor de Dieren, GroenLinks en eenmansfractie Van Kooten-Arissen melden zich bij de interruptiemicrofoon. De Kamerleden maken zich zorgen over de inhoud van vertrouwelijke memo’s die in de afgelopen dagen, kort voordat in de Kamer over het vrijhandelsverdrag zal worden gestemd, openbaar zijn geworden.

Uit de memo’s blijkt dat Canada de EU in maart 2018 onder druk heeft gezet om het voorzorgsbeginsel niet toe te passen op landbouwproducten die het land naar Europa verscheept. Het gaat dan om agrarische export met daarop residuen van gifstoffen die in de EU verboden zijn vanwege gezondheidsredenen, bijvoorbeeld omdat ze bewezen kankerverwekkend zijn of een negatief effect hebben op de hormoonhuishouding.

‘Dit is een discussie die mijns inziens niet plaats had mogen vinden,’ erkent minister Kaag. Maar, zo verzekert zij de Kamer, tijdens het gesprek hebben EU-ambtenaren het verzoek van Canada resoluut geweigerd. ‘Onze regelgeving staat vast. Canada probeert het misschien, maar de EU [..] is gewoon niet [van positie] gewijzigd. Daar gaat het om.’ 

Vijf dagen later, op 18 februari 2020, stemt de Tweede Kamer met een nipte meerderheid in met CETA. Het handelsverdrag ligt nu ter goedkeuring bij de Eerste Kamer. Wanneer ook die instemt kan het handelsverdrag, waarvan delen al sinds september 2017 in werking zijn gesteld, volledig van kracht worden.

CETA is onderdeel van een ingrijpende ‘transitie’ in de internationale handel

In Nederland blijven consumentenorganisaties, milieugroepen, vakbonden en boerenorganisaties zich echter verzetten. Zij roepen de Eerste Kamer op tegen CETA te stemmen. Zij vrezen een race to the bottom, aangezien een groot aantal sectoren in Canada met minder regeldruk te maken heeft. Zo mogen boeren in Canada genetisch gemodificeerde zaden en bestrijdingsmiddelen gebruiken die in de EU verboden zijn, waaronder middelen als atrazine en neonicotinoïden. Ook wetgeving voor dierenwelzijn is in Canada – althans op federaal niveau – grotendeels afwezig.

Het gevolg: Canadese boeren kunnen vaak goedkoper produceren dan Europese. De vrees in Nederland is dat deze oneerlijke concurrentie de EU ertoe zal verleiden om ook haar eigen milieu- en gezondheidsregels af te zwakken.

Een ‘nieuwe wereld van handel’

Even een stapje terug: wat is CETA eigenlijk?

Het vrijhandelsverdrag tussen de EU en Canada schrapt 98 procent van alle invoertarieven. Daardoor worden Duitse auto’s, Franse wijn en Nederlands fietsen bij de grens met Canada niet meer belast. Omgekeerd kunnen Canadese bedrijven zonder invoertarief machines en kreeften naar de EU exporteren. CETA opent ook wederzijds de markten voor diensten, bijvoorbeeld in de financiële sector en de advocatuur. Het zijn allemaal voordelen die minister Kaag graag benoemt.

Dossier: de #Lobbycratie

Beschrijvingen van de lobbywereld komen doorgaans niet verder dan het woord ‘schimmig’. Follow the Money wil daar verandering in brengen en duikt in de achterkamertjes om te zien hoe de worst écht wordt gedraaid.

Lees verder Inklappen
Inschrijven

Maar CETA draait om meer. Het verdrag heeft tevens tot doel regels voor consumentenbescherming op één lijn te krijgen, of in CETA-jargon: ‘te harmoniseren’. Pascal Lamy, die tot 2013 leiding gaf aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO), vertelt dat CETA daarmee onderdeel is van een ingrijpende ‘transitie’ die zich momenteel in de internationale handel voltrekt. Lamy: ‘In het verleden gingen handelsverdragen met name over het schrappen van invoertarieven.’ Die tarieven zijn inmiddels grotendeels verdwenen als gevolg van globalisering. Doordat productieketens zich vaak uitstrekken over meerdere landen, is het in niemands belang om import nog te belasten.

Lamy was van 1999 tot 2004 Eurocommissaris voor Handel, voordat hij bij de WTO aan de slag ging. Tijdens zijn Brusselse loopbaan werkte hij met Canada aan harmonisatie van productnormen. ‘Het echte obstakel voor handel en investering tussen Canada en de EU zijn verschillen in regels,’ constateerde Lamy destijds al.

‘In de nieuwe wereld van handel, zoals ik het noem, ligt de focus veel meer op verschillen in voorzorg,’ zegt de Fransman nu in gesprek met Follow the Money. Met ‘voorzorg’ bedoelt Lamy de wijze waarop landen consumenten beschermen tegen gezondheids- en veiligheidsrisico’s. Het kan bijvoorbeeld gaan over residuen van bestrijdingsmiddelen, maar ook om milieubescherming, ‘het formaat van autobumpers’, of ‘diploma’s voor doctors en architecten’.

In de verdragstekst van CETA staat dat één van de doelen is om ‘onnodige handelsbarrières te voorkomen en te elimineren’. Nadat het Europees Parlement CETA in 2017 goedkeurde en het verdrag al grotendeels in werking trad, zijn daarom ook meer dan twintig werkgroepen van start gegaan die de transatlantische handel op lange termijn moeten ‘liberaliseren’. In deze vertrouwelijke CETA-comités, die in Brussel en Ottawa bijeenkomen, praten ambtenaren over gelijkschakeling van wet- en regelgeving tussen Europa en Canada. Zo zijn er specifieke werkgroepen over regels voor auto’s, medicijnen, financiële diensten, landbouw en voedselveiligheid. Deze ‘regulatory cooperation heeft geen einddatum; om die reden wordt CETA ook wel een ‘levend verdrag’ genoemd.

Canada kán zijn productnormen niet zomaar wijzigen

CETA zet daarmee volgens Pascal Lamy de eerste stappen in ‘moeilijke, nieuwe wateren’. Het oplossen van verschillen in regelgeving is zeer complex, zo legt hij uit: ‘Invoertarieven waren ideologisch neutraal. Een auto is een auto en kolen zijn kolen. De oplossing voor invoertarieven is relatief simpel: je verlaagt ze, uiteindelijk tot nul. Maar bij voorzorg kun je het verschil niet oplossen door het niveau te verlagen.’ Burgers zullen dat niet accepteren, zegt Lamy. ‘Opwaartse harmonisatie’, dat wil zeggen, om bij verschillen te kiezen voor de norm die burgers het meest beschermt, is volgens hem de enige manier om democratische steun voor de nieuwe generatie handelsverdragen te verwerven.

Daarvan lijkt ook de Nederlandse handelsminister Kaag doordrongen. ‘Kwaliteit gaat [met CETA] nooit omlaag,’ benadrukte ze op 24 november 2019 in het tv-programma Buitenhof. Sterker nog: in de Tweede Kamer presenteerde Kaag CETA juist als een race to the top. ‘Een land dat [een verdrag] afsluit met de EU moet voldoen aan EU-normen,’ zegt ze. ‘Zij [Canada, red.] moeten omhoog.’ 

Het kabinet benadrukt dat Canada inmiddels al richting de EU beweegt. Zo heeft het, als onderdeel van het CETA-verdrag, internationale afspraken over de rechten van arbeiders ondertekend. Ook heeft Canada wetgeving voor diertransporten aangescherpt, al mag levend vee nog steeds tot wel 36 uur onafgebroken – en zonder voedsel of water – worden getransporteerd.

Maar op het gebied van voedselveiligheid houdt Canada vooralsnog vast aan zijn – naar eigen zeggen – ‘hoge standaarden’. Canada kán zijn productnormen ook niet zomaar wijzigen: het land is sinds het NAFTA-akkoord in 1994 samen met de Verenigde Staten en Mexico deel van een Noord-Amerikaanse vrijhandelszone. De vereisten voor producten en diensten in Canada zijn in hoge mate met de Verenigde Staten geharmoniseerd.

Dat is ook niet vreemd: de VS zijn met afstand Canada’s belangrijkste handelspartner. Lamy noemt Canada dan ook een ‘proxy’ voor de Verenigde Staten. Als de EU met Canada harmoniseert, is de weg vervolgens open voor het integreren van de twee grootste consumentenmarkten ter wereld: de EU en de VS. 

Ruzie over risico

Het is echter nog maar de vraag in hoeverre zo’n harmonisatie betekent dat Canada (met de rest van Noord-Amerika in het kielzog) zich aan de EU aanpast – en niet andersom. Dat is ook terug te zien in de documenten die tijdens het debat over CETA in de Tweede Kamer tot ophef leidden.

Het is juist de EU die onder druk wordt gezet om de Noord-Amerikaanse aanpak voor landbouwgif te kopiëren

De ngo’s Foodwatch en The Council of the Canadians wisten de documenten te verkrijgen via een beroep op de Canadese wet openbaarheid van bestuur. De stukken bevatten de Canadese inbreng bij de eerste vergadering van het CETA-comité voor voedselveiligheid, die op 26 en 27 maart 2018 plaatsvond op het hoofdkwartier van de Canadese diplomatieke buitenlanddienst in Ottawa. Ze laten zien dat het juist de EU is die onder druk wordt gezet om de Noord-Amerikaanse aanpak voor landbouwgif te kopiëren.

Dat zit zo: Canada en de EU hanteren sterk uiteenlopende systemen voor de beoordeling en markttoelating van landbouwgif. De EU gebruikt een systeem dat ‘op gevaren gebaseerd’ (‘hazard-based’) wordt genoemd; in de praktijk houdt dat in dat stoffen met gevaarlijke eigenschappen – specifiek: om chemicaliën die kankerverwekkend, mutageen, reprotoxisch of hormoonverstorend zijn – altijd worden verboden. De EU verbiedt deze gifstoffen op grond van het voorzorgsprincipe, zonder te kijken naar de waarschijnlijkheid van gezondheidsschade bij de consument.

Canada kijkt juist met name naar dit risico op gezondheidsschade – het systeem heet dan ook ‘risk-based’. Op Canadese landbouwproducten mogen dus bijvoorbeeld residuen van gevaarlijke gifstoffen zitten, zolang niet bewezen is dat dit direct een significant gezondheidsrisico voor de consument oplevert. Op termijn zou Canada graag zien ‘dat de [Europese] hazard-based benadering wordt gewijzigd via amendementen op de wetgeving.’

Tijdens de vergadering van het CETA-comité speelt echter een urgenter probleem, zo blijkt uit één van de vrijgegeven documenten: ‘In 2018 kan mogelijk de toelating van vele pesticiden niet worden vernieuwd vanwege de hazard-based cut-offs. Het gaat om bestrijdingsmiddelen die Canada gebruikt bij producten die worden verhandeld met de EU.’ In die categorie vallen alle gevaarlijke stoffen (‘hazard-based’) die tot een verbod (‘cut-off’) leiden. Liefst 2,7 miljard Canadese dollar aan export wordt op jaarbasis bedreigd, zo berekenen de ambtenaren, ‘tenzij Canada de huidige importtoleranties weet te behouden’. Het memo vervolgt: ‘Belangenbehartiging is op dit moment cruciaal om de interne discussies in de EU te beïnvloeden.’ 

Waarom speelt deze kwestie nu?

In 2011 is in de EU een nieuwe wet voor bestrijdingsmiddelen van kracht gegaan: richtlijn 1107/2009. Vanaf dat moment geldt in de EU dat stoffen met zogeheten CMRE-eigenschappen (carcinogeen, mutageen, reprotoxisch, hormoonverstorend) niet meer zijn toegestaan.

Maar voordat de nieuwe criteria zijn toegepast op de ongeveer 500 pesticiden die in de EU worden gebruikt zijn, zal het nog jaren duren. Bestrijdingsmiddelen worden namelijk maar eens in de 10 of 15 jaar getoetst. Ook heeft de nieuwe wet nog een aanlooptijd.

‘Fabrikanten moeten drie jaar voordat de licentie afloopt een aanvraag indienen,’ vertelt Hans Muilerman van Pesticide Action Network. ‘Dan zit je dus al in 2014 [voordat de eerste licenties worden geëvalueerd aan de hand van de nieuwe wet, red.]’.

Daar komt bij dat de toezichthouders, waaronder de European Food Safety Authority, met vertragingen in hun werkzaamheden kampen. Muilerman: ‘Het duurt daarom geen drie jaar, maar soms vijf, zes, zeven of acht jaar totdat de beoordeling plaatsvindt’.

Het gevolg van dit alles: het zal nog wel even duren voor de volledige impact van deze negen jaar oude wet merkbaar wordt.

Lees verder Inklappen

De Canadezen denken hun zin te kunnen krijgen. Op het moment van de memo – maart 2018 – vindt in Brussel een beleidsdiscussie plaats, waarvan het land tot in detail op de hoogte blijkt. De Europese Commissie worstelt met een juridisch probleem, melden de Canadese ambtenaren: in richtlijn 1107/2009, de EU-wet voor de toelating van pesticiden (zie kader), staat dat stoffen met gevaarlijke eigenschappen per definitie worden verboden – ook in de kleinste hoeveelheden. Maar voor residuen op import is nog een andere wet van kracht: richtlijn 396/2005.

Deze oudere richtlijn noemt het voorzorgsbeginsel niet, maar gaat uit van risicobeoordeling. ‘Als het om import gaat die onder de hazard-based cut-off criteria valt,’ vragen de Canadese ambtenaren zich dus af, ‘hoe brengt de EU die dan in lijn met wet 396/2005, die een risicobeoordeling voorschrijft?’

In het overleg van de CETA-werkgroep voor voedselveiligheid ziet Canada een kans om ‘beraadslagingen in de EU’ over deze kwestie te beïnvloeden. Met die inzet belobbyen de aanwezige ambtenaren van de Canadian Food Inspection en het Canadese ministerie van Buitenlandse Zaken de werkgroep. 

Ook oefenen vertegenwoordigers van het land druk uit binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in het Zwitserse Genève. ‘De Canadese vertegenwoordiger sprak bezorgdheid uit over de op gevaren gebaseerde benadering voor regulering van bestrijdingsmiddelen,’ staat bijvoorbeeld in het verslag van een WTO-meeting over ‘technische handelsbarrières’ op 21 en 22 juni 2018. Canada wil van de EU, zo is te lezen, ‘concrete toezeggingen’ dat beslissingen over importtoleranties in de toekomst uitsluitend zullen worden gemaakt ‘op basis van een volledige risicobeoordeling’.  

Het land verwijst daarbij naar het zogeheten SPS-verdrag van de WTO, dat de EU mede heeft ondertekend. In dat verdrag staat dat maatregelen inzake voedselveiligheid op ‘voldoende wetenschappelijk bewijs’ moeten zijn gebaseerd. Die WTO-afspraak moet voorkomen dat landen hun productstandaarden onrechtmatig inzetten om buitenlandse concurrentie te weren.

De afspraak staat echter ook regelmatig op gespannen voet met het voorzorgsprincipe. In 1997 kreeg de EU binnen de WTO bijvoorbeeld handelssancties opgelegd, omdat zij weigerde de import van ‘hormoonvlees’ toe te laten. De WTO verwees bij haar uitspraak in die zaak naar het SPS-akkoord: een gezondheidsrisico voor de consument zou niet overtuigend zijn aangetoond.

Canada heeft een juridisch drukmiddel in handen

In de verdragstekst van CETA wordt het SPS-akkoord opnieuw bekrachtigd: beide partijen committeren zich aan de ‘verdere implementatie van het SPS-akkoord’. Daarmee heeft Canada een juridisch drukmiddel in handen.

‘Canada erkent dat leden het recht hebben maatregelen te nemen om legitieme doelen te bereiken, zoals de bescherming van menselijke gezondheid,’ zegt de Canadese diplomaat tijdens een WTO-vergadering in maart 2019 tegen de EU-vertegenwoordiger, ‘maar zulke maatregelen mogen niet meer handelsbelemmerend zijn dan noodzakelijk’. 

Met die opvatting staat het land binnen de WTO niet alleen. Ook andere handelspartners, waaronder Australië, Brazilië en de Verenigde Staten, zijn kritisch jegens Europa. ‘De Amerikaanse inbreng was een frontale aanval op het pesticide-beleid van de EU,’ noteert EU-ambassadeur in Genève Marc Vanheukelen bijvoorbeeld in 2017 in een intern EU-verslag. Net als Canada vinden de VS dat Europa de ‘risico-gebaseerde benadering’ moet omarmen. Toepassing van het voorzorgsbeginsel is volgens de VS een ‘onnodig handelsobstakel’, dat op geen enkele manier bijdraagt aan een betere bescherming van de volksgezondheid.

De Europese Commissie wil niet buigen

David Gee, visiting fellow aan het Institute of Environment, Health and Societies van de Brunel-universiteit in Londen, is vertrouwd met de kritiek van Europa’s handelspartners. Volgens hem gaat die echter voorbij aan de geschiedenis van de stoffen in kwestie.

De kern van voorzorg, legt Gee uit, is dat je handelt wanneer er wetenschappelijk gezien nog onzekerheid bestaat: ‘Als je wacht totdat je sluitend bewijs hebt, heeft de gezondheidsschade per definitie al plaatsgevonden.’ Bovendien blijken stoffen waarbij gevaarlijke eigenschappen worden ontdekt op termijn bijna altijd riskanter dan gedacht. Gee: ‘Vaak eindigt dat bij de constatering dat er überhaupt geen veilig niveau van blootstelling bestaat, zoals bijvoorbeeld ook met lood en kankerverwekkende stoffen het geval is.’

Gee werkte 16 jaar bij het Europees Milieuagentschap (EMA), waar hij meeschreef aan meerdere rapporten over het voorzorgsprincipe. Hij karakteriseert de ‘risk-based’-aanpak die in Noord-Amerika wordt toegepast als ‘gokken’ en ‘hopen dat je het bij het rechte eind hebt’. De aanpak is vaak gebaseerd op gebrekkige data of te simplistische aannames, zegt Gee, wat ook de reden is dat het in het verleden vaak mis ging. 

‘Als je niet wilt dat mensen nog lang blijven sterven, moet je tijdig handelen’

Als voorbeelden noemt Gee PCB’s, tabak en asbest: ‘We zien in het Verenigd Koninkrijk momenteel een piek in het aantal gevallen van mesothelioom [een door asbest veroorzaakte longkanker, red.] – veertig jaar nadat we the bloody stuff hebben verboden.’ Gee legt uit dat dit wordt veroorzaakt door wijdverbreide blootstelling aan asbest, en het gegeven dat het decennia kan duren voordat mensen ziek worden. ‘Als je niet wilt dat mensen nog lang nadat je een stof hebt verboden blijven sterven,’ zegt hij, ‘moet je tijdig handelen. Op basis van voorzorg dus.’

Maar volgens Canada – waar asbest overigens pas sinds eind 2018 is verboden, zo’n 25 jaar later dan in Nederland – is deze voorzichtige aanpak dus ‘wetenschappelijk incompleet’ en niet ‘robuust, voorspelbaar en verdedigbaar’ genoeg.

Het land vindt daarmee de agrochemische industrie aan zijn zijde, blijkt uit documenten die het Corporate Europe Observatory via een beroep op de Europese wet openbaarheid van bestuur in handen kreeg. Zo hadden vertegenwoordigers van deze sector een gesprek met Vytenis Andriukaitis, de Europese commissaris voor Gezondheid en voedselveiligheid. Het gesprek, gevoerd ‘op verzoek van Bayer en Syngenta’, vindt plaats op 10 juli 2017. Het verslag van de Commissie meldt dat de industrie zich inzet voor de ‘noodzaak van een risicobeoordeling’, ook voor stoffen ‘die in de EU niet zijn toegestaan vanwege de cut-off criteria’.

Het verslag onthult een ander belangrijk feit: de Europese Commissie is – in ieder geval in juli 2017 – niet van plan te buigen voor de druk van handelspartners en de chemiebedrijven. ‘De commissaris legde uit dat als stoffen onder de cut-off criteria vallen, het toestaan van [residuen] hoger dan de detectiegrens een onacceptabel gezondheidsrisico vormt.’ De eurocommissaris weigert uitzonderingen te maken voor residuen op importvoeding, want dat zou een ‘onacceptabel gezondheidsrisico’ met zich meebrengen.

De positie van de Commissie is degelijk onderbouwd. In een advies heeft de Juridische dienst, het interne adviesorgaan van de Europese Commissie dat er op toe moet zien dat besluiten voldoen aan EU-wetgeving, geconcludeerd dat er — ondanks tegenstrijdigheden in de richtlijnen — geen import mag worden toegestaan met gif dat vanwege gezondheidsredenen in de EU verboden is. 

Dit advies is tot heden niet openbaar gemaakt. Het bestaan ervan is bekend omdat de inhoud onder meer wordt samengevat in een verslag van het Brusselse comité voor ‘fytofarmacie’, waarin de lidstaten maandelijks met de Commissie overleggen over het pesticide-beleid. ‘De Commissie informeerde het comité dat de Juridische dienst advies heeft gegeven, dat de voorkeur geeft aan [..] weigering van nieuwe importtoleranties,’ staat er bij het agendapunt ‘stoffen die onder hazard-based criteria vallen’.

Bij die vergadering, die op 12 en 13 juni 2017 plaatsvindt, zijn ook Nederlandse ambtenaren aanwezig, onder meer van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het advies van de Juridische dienst is ook terug te vinden in een verslag van VWS: ‘Als uit een wetgevingsstuk blijkt dat een stof voldoet aan de cut off criteria, moet een lidstaat een aanvraag voor een dergelijke importtolerantie weigeren.’

Ook de pesticide-industrie is op de hoogte van het advies van de Juridische dienst. Op 10 juli 2017 stuurt de European Crop Protection Association (ECPA), de koepelorganisatie van multinationals Bayer, Syngenta en BASF, een brief aan de afdeling pesticiden binnen DG SANTE. ‘De Juridische dienst lijkt de voorkeur te geven aan de interpretatie [..] dat importtoleranties [..] niet kunnen worden vastgesteld [..] voor deze [cut-off] stoffen,’ schrijft de ECPA. ‘Deze interpretatie is verrassend en wij zijn er stellig van overtuigd dat ze niet in lijn is met de wetgeving en internationale verplichtingen van de EU.’

Bij de volgende vergadering van het comité, op 21 en 22 september, wordt duidelijk dat niet alle lidstaten het uitgangspunt van de Juridische dienst steunen. Sommige lidstaten spreken hun steun uit voor het beleid van de Commissie, zo staat in het verslag, maar ‘andere waren van mening dat nieuwe importtoleranties kunnen worden vastgesteld als een risicobeoordeling gunstig uitvalt.’

Nederland was instrumenteel bij de ommekeer

Tijdens de bijeenkomst herhaalt de Commissie dat dit tegen het advies van de Juridische dienst indruist: ‘De Commissie bracht in herinnering dat de geest van de Europese wet is om te vermijden dat consumenten [..] aan deze stoffen worden blootgesteld.’

De industrie richt haar pijlen vervolgens op de lidstaten. Op 29 september 2017 ontvangen die een brandbrief van de chemiebedrijven: ‘ECPA is extreem bezorgd over de conclusie van de [..] bijeenkomst over residuen op 12 en 13 juni,’ staat daarin. De chemiebedrijven waarschuwen dat ‘restricties op importtoleranties’ een ‘grote impact op de internationale handel’ zullen hebben.   

Dat argument wordt op 17 november herhaald in een brief aan de vertegenwoordigers van de EU-lidstaten. In de bijlage zit een impactstudie, uitgevoerd door consultancybedrijf BryantChristie. Door de hazard-based cut-offs zullen volgens deze studie op termijn ’58 actieve stoffen’ worden verboden, waarvan residuen op ingevoerde granen, koolzaad en bewerkte levensmiddelen zitten. ‘Dit vertegenwoordigt [..] meer dan 60 procent van de totaal geschatte waarde van landbouwimport naar de Europese Unie,’ aldus het rapport. Met andere woorden: als de EU dergelijke stoffen uit voorzorg verbiedt, wordt handel met de rest van de wereld ernstig verstoord.

De Europese Commissie buigt tóch

Bij de volgende vergadering van het comité voor fytofarmacie, in februari 2018, laat de Europese Commissie weten ‘dat zij, na gesprekken met de lidstaten, haar standpunt over importtoleranties heroverweegt.’

Weer een maand later, op 26 en 27 maart 2018, vindt in Ottawa de eerste bijeenkomst van het CETA-comité over voedselveiligheid plaats. Op de agenda: de importtoleranties. Canada bepleit dat de EU voor import uitzonderingen maakt op het voorzorgsbeginsel. Naast ambtenaren van de Europese Commissie zijn ook vertegenwoordigers uit de lidstaten aanwezig, waaronder een medewerker van het Nederlandse ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.  

In de volgende vergadering van het fytofarmacie-comité, in juni 2018, is de Europese Commissie van standpunt veranderd. De benadering voor importtoleranties die onder de cut-off criteria vallen is ‘herzien’, zo staat te lezen in het verslag. De Commissie wil voortaan per individueel geval ‘een risicobeoordeling’ toestaan. De notulen vermelden dat de lidstaten de benadering ‘in meerderheid’ steunen en ‘de Commissie danken voor haar flexibiliteit.’ 

Welke lidstaten hun steun uitspreken, wordt niet vermeld. In de notulen van het ministerie van VWS doet Nederland het voorkomen alsof die koerswijziging buiten ons land omging: ‘Het is gebleken dat het voor lidstaten niet goed mogelijk was om aanvragen voor importtoleranties van stoffen die onder de cut-off criteria vallen te weigeren,’ schrijven de ambtenaren.

Wat ze er niet bij vermelden, is dat Nederland instrumenteel was bij die ommekeer. In het voorjaar van 2019 schrijven EU-ambtenaren van DG SANTE in een vertrouwelijk memo: ‘Meerdere lidstaten steunden een volledig risico-gebaseerde benadering.’ Tot die lidstaten behoren Oostenrijk, Duitsland, Litouwen Polen, Portugal, het Verenigd Koninkrijk en... Nederland. In het vertrouwelijke document worden ‘meerdere interventies [..] binnen de WTO’ en ‘bilaterale ontmoetingen’ met handelspartners genoemd waarin de EU is bekritiseerd wegens het mogelijk schrappen van importtoleranties.  

Op 26 september 2018 arriveert Cecilia Malmström, eurocommissaris voor Handel, in Montreal voor een topontmoeting met de Canadese minister van Internationale Handelsdiversiteit. Samen zullen zij bij de inaugurele vergadering van het CETA Joint Committee aanwezig zijn, het politieke orgaan dat het werk van de gespecialiseerde CETA-werkgroepen overziet.

De boodschap is helder: CETA heeft op dit beleid geen enkele invloed

Hoewel het onderwerp niet op de officiële agenda staat, informeert Malmström haar Canadese collega dat de EU concessies zal doen op het vlak van bestrijdingsmiddelen en de toepassing van het voorzorgsprincipe. ‘Importtoleranties kunnen worden aangevraagd [..], ook voor stoffen die onder de hazard-based cut-off criteria [..] vallen,’ staat in de vertrouwelijke ‘gesprekspunten’ van Malmström, die haar ambtenaren hebben opgesteld. ‘Het verstrekken van een importtolerantie [..] zal worden overwogen op basis van een risicobeoordeling.’

Hoewel de Canadese regering in september 2018 over de beleidswijziging op de hoogte is gesteld, wordt de Tweede Kamer hierover niet geïnformeerd. Dat bevestigt een woordvoerder van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in antwoord op vragen van Follow the Money.

Het onderwerp importtoleranties komt in de Kamer wel ter sprake op 6 november 2019, in aanloop naar de stemming over CETA. Op die dag is Hiddo Houben, hoofd van de afdeling Noord-Amerika van het  EU-departement Handel, op uitnodiging van de Kamer aanwezig bij een rondetafelgesprek over CETA. Esther Ouwehand (Partij voor de Dieren) vraagt wat er in de CETA-comités over importtoleranties wordt besproken, iets dat zij als Kamerlid zegt ‘niet [te kunnen] controleren’.

‘Ik denk dat ik expliciet vast kan stellen dat CETA niet leidt tot een verlaging van onze gezondheids- of andere normen,’ zegt Houben. ‘De procedure om [..] een minimum importtolerantie goed te keuren [..] wordt door de Europese wetgeving vastgesteld. Dat is onze interne rechtsorde en die wordt door CETA niet veranderd.’ 

Op 18 september 2020 benadrukt Kaag tegenover de Eerste Kamer opnieuw dat dit is hoe de procedure werkt. ‘EU-wetgeving [kan] enkel worden gewijzigd door de EU-wetgever.’ De boodschap is helder: CETA heeft op dit beleid geen enkele invloed. Dat de EU-wetgeving onder druk van Canada is geherinterpreteerd, blijft achterwege. Dat heeft volgens de betrokken ministeries niets met CETA te maken.

Wederhoor

Waarom zei Kaag op 13 februari 2020 dat de EU ‘niet [van positie] is gewijzigd’ over residuen op import, terwijl dat wel zo was? Volgens een woordvoerder van minister Kaag komt dit omdat er nooit een officiële wijziging van beleid plaatsvond; de uitspraken van de minister zijn technisch gezien dus correct.

‘De Europese Commissie adviseerde in juni 2017 dat lidstaten [..] een aanvraag van een [importtolerantie] voor een stof die onder de hazard-based-cut-off criteria valt, zouden moeten weigeren,’ erkent de woordvoerder. Maar ‘in de discussie met de lidstaten werd geconstateerd dat er onvoldoende (juridische) onderbouwing is voor deze aanpak’. Volgens de woordvoerder schrijft richtlijn 396/2005 een risicobeoordeling voor.

Het ministerie van VWS laat in een reactie weten dat het niet ging om een ‘relevante beleidswijziging’, en dat daarom ook de Kamer niet door bewindspersonen van dit ministerie werd geïnformeerd. ‘De Tweede Kamer wordt niet structureel geïnformeerd over iedere discussie die in het SCoPAFF plaatsvindt. [..] Ook in het geval dat er een discussie plaatsvond over de interpretatie van wetgeving, is dat niet gebeurd. De Kamer wordt geïnformeerd zodra er zich relevante beleidswijzigingen gaan voordoen. In dit geval was dit niet aan de orde.’

Lees verder Inklappen
Vincent Harmsen
Vincent Harmsen
Schreef over dieselgate en de Monsanto Papers; onderzoekt voor FTM de lobby achter vervuilende en ongezonde industrieën.
Gevolgd door 1419 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren