Coke & Co.

Hoe de cocaïne-business een onstuitbare vijand werd. Lees meer

Cocaïne is van een legaal medicijn uitgegroeid tot een illegaal succesproduct waarmee heel veel geld wordt verdiend. Waarom is de handel in cocaïne zo gegroeid? En waarin schuilt het gevaar voor de samenleving? Heeft bestrijding op nationaal niveau wel zin? FTM verdiept zich in de internationale cocaïnehandel.

8 Artikelen

Beeld © Lisa van Casand & Rinus Bot

Follow the Money duikt in de internationale wereld van de cocaïne-business. Het dossier schetst in zes afleveringen het probleem van een onstuitbare vijand. De geschiedenis van de drug verklaart hoe cocaïne wereldwijd kon uitgroeien tot een legaal en later illegaal succesproduct waarmee heel veel geld wordt verdiend. Een analyse van de business erachter toont dat onderschatting van dat systeem voor Nederland risico’s met zich meebrengt. Vandaag deel twee: ‘De uitvinding van cocaïne was geen toeval.’

De Jirón de la Unión is de Kalverstraat van de Peruaanse hoofdstad Lima. Het is, net als de Kalverstaat in Amsterdam, een grote steeg, die begint op de Plaza de Armas, de evenknie van de Dam. Er zijn ijs- en fastfoodzaken en een schier eindeloze rij aan schoenen- en kledingwinkels. Slenterend publiek zoekt naar dezelfde merken en ketens als in de Kalverstraat.

Lima is nu volledig aangesloten op het economisch wereldsysteem. Maar toen cocaïne in 1860 in Duitsland werd uitgevonden, was het land nog een uithoek  – een wingewest voor suiker- en mijnbouwbedrijven. In 1880 was in de Jirón de la Unión apotheek Droguería y Botica Francesa gevestigd. Apotheker Alfredo Bignon zat daar in de avonduren onder het licht van een olielampje te studeren op zijn droom. De uitvinding van cocaïne in Europa als veelbelovend middel voor lokale verdoving was hem niet ontgaan. Met het nederige Peruaanse cocablaadje wilde Bignon de Peruaanse economie opstoten in de vaart der volkeren. In 1884 publiceerde hij een methode voor de productie van ‘ruwe cocaïne’ oftewel het halffabrikaat cocaïne-sulfaat, met een zuiverheid van 60 procent cocaïne. Met de coca-traditie en perfecte klimaatomstandigheden voor de cocateelt was Peru ideaal gesitueerd voor de productie en export van ruwe cocaïne.

De droom van Bignon kwam uit. De grootschalige export van cocaïne zou inderdaad een grote sprong voorwaarts maken. De cocaïne-fabriekjes schoten binnen enkele jaren als paddenstoelen uit de grond. Vooral Duitse firma’s zoals het van apotheek tot farmaceutisch bedrijf uitgegroeide Merck uit Darmstadt kochten het op.

Hoe maak je cocaïne?

In de chemische technologie geldt het maken van cocaïne als een fluitje van een cent. Zorgvuldigheid en toevoegingen van de juiste chemicaliën zijn vereist. De bereiding is ook anders dan die van synthetische drugs als amfetamine of xtc. Cocaïne valt met veel verschillende stoffen en op meerdere wijzen te produceren. Alleen de cocablaadjes zijn onontbeerlijk. 

De klassieke methode voor maken van cocaïne verloopt in drie fases. Eerst de extractie van de werkzame stof uit de blaadjes in cocapasta – pasta básica, of cocaïne-sulfaat. Vervolgens de zuivering tot cocaïnepasta. En ten slotte de conversie van de cocaïnepasta tot cocaïne-hydrochloride, het (snuifbare) witte poeder. 

Extractie

Het maken van pasta básica is relatief simpel. Het gebeurt in een soort geïmproviseerde ‘keukentjes’ waarvan er in Zuid-Amerika heel veel zijn. Dit soort pasta wordt vaak gemaakt door de boeren die de cocablaadjes hebben geteeld en geoogst. Van de fabriekjes waar het kostbare witte eindproduct wordt gemaakt, zijn er veel minder. 

Blaadjes worden eerst versneden en vermalen, vaak in een soort betonmolen, en in een grote ton of een put in de grond bekleed met zwaar plastic gestort en gemengd met een basische stof zoals kalk en wat water (als het blad niet vochtig is). Des te fijner de blaadjes gesneden zijn, des te beter de extractie. Vervolgens gaat er een oplosmiddel zoals (meestal) kerosine, diesel of benzine overheen. De brei die dan ontstaat, moet tot drie etmalen weken of gedurende enige uren hevig worden geroerd. Zo komen de cocaïne-moleculen vrij in het oplosmiddel. Op verschillende manieren kan de brei dan worden uitgeperst en gefilterd. Aan de vloeistof die overblijft, voegt men wat met water aangelengd zwavelzuur toe en er wordt andermaal flink geroerd.

Na een tijdje wachten ontstaan twee lagen die niet mengen: in water opgelost cocaïne-sulfaat en het oplosmiddel. Het oplosmiddel wordt gescheiden en dan blijft een bruin-gele vloeistof over: de guarapo of agua rica. Om cocaïne-sulfaat te laten binden en neerslaan, gaat er langzaam kalk, carbonaat of soda in. Resultaat is dan een rubberachtige, gelige stof. De zuiverheid varieert van 30 tot 80 procent.

Zuivering

Het voornaamste doel bij de tweede stap is het verwijderen van stoffen die sterk op cocaïne lijken. Eerst wordt de cocapasta opnieuw opgelost in een oplossing van zwavelzuur waardoor de vloeistof gaat lijken op geel-bruin bier. Dan komt een cruciale stap: heel langzaam voegt de laborant in water opgelost potassium permanganate toe. Een klein straaltje diep paarse vloeistof druppelt in de gele cocaïne-oplossing die eerst donkerpaars kleurt en bij roeren steeds lichter wordt. Geleidelijk wordt de oplossing kleurloos, terwijl zich onderin een zwart-bruine drab vormt. Dat zijn de onzuivere cocaïne-achtige stoffen die worden gebonden en neerslaan (tot mangaandioxide).

Als de oplossing maximaal kleurloos is, gaat er een basische oplossing bij. Meestal is dat ammonia. Zo slaat opnieuw cocaïne-sulfaat neer, maar nu is het veel zuiverder: cocaïne-pasta. Het is een drogere stof en stabieler dan coca-pasta, nog steeds geelachtig en soms bijna wit. De zuiverheid is dan 80 tot 95 procent cocaïne.

Poeder

In de klassieke methode is de derde stap het maken van de snuifbare cocaïne. Allereerst checken de laboranten de zuiverheid van de aangeleverde pasta. Als de kwaliteit van de pasta goed is, wordt er eerst diethyl-ether aan de pasta toegevoegd en vervolgens aceton met een zoutzuuroplossing. Als uitkomst slaat er een vaste witte stof neer: de cocaïnehydrochloride waar het allemaal om te doen is.

Deze laatste fase in het illegale productieproces is een kwetsbare omdat er doorgaans veel cocaïne aanwezig is. Cocaïnelabs zijn dus diep verborgen, vaak in afgelegen gebieden in Zuid-Amerika. Vaak worden ze bevoorraad door meerdere verkopers van pasta.

De beste ‘koks’ in Zuid-Amerika kunnen vrijwel perfecte cocaïne produceren. Toch is die net niet zo zuiver als de legale cocaïne die voor Coca-Cola wordt gemaakt, de frisdrank die zonder cocaïne niet zou bestaan. Stepan Company in New Jersey produceert bij het maken van het coca-extract voor Coca-Cola de allerbeste cocaïne ter wereld. De zuiverheid is groter dan 99,5 procent. Hoe ze dat precies doen, is geheim. Het enige dat over dit proces naar buiten is gebracht, is dat er meervoudige zuivering en kristallisatie bij komt kijken, aldus de chemici van de Drugs Enforcement Administration (DEA) in hun rapport.

Lees verder Inklappen

De sensatie

De uitvinding van cocaïne was geen toeval. Voor de oorspronkelijke bewoners van het Andesgebergte was – en is – coca een heilig product. In 1653 beschreef de Jezuïet Bernabé Cobo als eerste Europeaan in Zuid-Amerika de effecten van het kauwen van coca. Kiespijn verminderde er bijvoorbeeld door en vermoeidheid nam af.

Sommige planten bevatten werkzame chemische stoffen, alkaloïden genoemd. Aan het begin van de negentiende eeuw waren er al verschillende beroemde alkaloïden uitgevonden, zoals kinine uit de bast van een tropische boom, cafeïne uit koffie en morfine uit papaver. Vergelijkbare producten uit die tijd waren nicotine (oorspronkelijk gebruikt als insecticide) en strychnine (rattengif). Cocaïne beantwoordde helemaal aan het signalement van een nieuw veelbelovend product uit het plantenrijk. 

Dat begon ook op te vallen in Europa. Albert Niemann (1834-1861), een jonge assistent aan de Universiteit van Göttingen, kreeg op een dag van zijn hoogleraar scheikunde een zak met blaadjes op zijn bureau. Niemann wist daaruit een poeder te produceren dat de tong verdoofde. Hij noemde het cocaïne en publiceerde erover in 1860. De apotheek Merck uit Darmstadt, dat eerder met groot succes de pijnstiller morfine op de markt had gezet, wist in 1862 een kleine hoeveelheid cocaïne te produceren. Het bedrijf zag dat de tijd rijp was voor cocaïne. Sigmund Freud, de latere Weense psychoanalyticus, gebruikte in die periode zelf cocaïne. Zijn vriend Karl Köller, een oogarts uit Wenen, ontdekte dat het middel uitstekend werkte als lokale verdoving. Köllers publicatie hierover in 1884 ontketende een sensatie.

Sigmund Freud, de latere Weense psychoanalyticus, gebruikte in die periode zelf cocaïne

Zijn bevindingen waren groot nieuws in de VS omdat de verdovende werking van cocaïne een oplossing was voor een algemeen probleem in de chirurgie. Er bestond destijds voor operaties alleen algehele verdoving, middels morfine, ether of chloroform. Zo’n verdoving is echter ongeschikt voor operaties aan ogen, neus, gebit en keel. Cocaïne bracht de oplossing. Er ontstond direct een grote vraag waaraan niet kon worden voldaan. 

In Europa en de VS hadden gretige farmaceutische bedrijven als Merck en Parke, Davis & Co. (later overgenomen door Pfizer) echter een probleem. Cocablaadjes verloren hun cocaïnegehalte tijdens de lange reis uit de binnenlanden van Peru naar New York of Hamburg. De Peruaanse methode-Bignon bracht uitkomst. Zijn product was chemisch stabiel en daarom prima geschikt voor de export. Bignon had eveneens vastgesteld dat van de vele soorten coca-struiken één variant de meeste alkaloïden bevatte: die uit de tropische regio rond het afgelegen plaatsje Huánuco, op de oostelijke bergrug van de Andes. Een bloeiende bedrijfstak van kleine cocaïne producerende ondernemers begon zich in rap tempo te ontwikkelen, zowel in Huánuco als in Lima.

Zonnige toekomst

Peru was eind negentiende eeuw het enige land ter wereld dat ruwe cocaïne produceerde. De apotheek Merck (waaruit inmiddels een farmaceutisch bedrijf was ontstaan) kocht het daar als eerste op grote schaal op. Op de piek in 1901 ging er 10,7 ton ruwe cocaïne naar de VS en Duitsland.

Ruwe cocaïne behoorde vanaf 1890 tot de meest winstgevende handelsproducten ter wereld. Die lucratieve handel verleidde ook Nederlandse ondernemers cocaïne te gaan produceren. Met een financiering van de Koloniale Bank begon in 1900 de exploitatie van de Nederlandse Cocaïnefabriek (NCF; zie ook het kader) dat later een groot gebouw kreeg aan de Weespertrekvaart (nu in Amsterdam-Oost). De NCF liet cocablad op Java produceren. Het bedrijf werd al snel één van de grote cocaïne-producenten in de wereld. 

‘De toekomst voor de cocaïne is zonnig,’ riep Jay Schieffelin uit op een congres in 1902. Hij was directeur van farmaciebedrijf Schieffelin & Co., een grote speler uit New York. De toekomst voor de cocaïne-business in de VS lag niet in de vraag naar zuivere cocaïne als lokaal verdovingsmiddel in de chirurgie; die markt was stabiel en na een aanvankelijke schaarste was er rond de eeuwwisseling voldoende beschikbaar tegen een lage prijs. De zakelijke prikkel voor de chemische en farmaceutische bedrijven lag juist in de mogelijkheid van uitbreiding van de vraag. De uitdaging werd om tegen een lage prijs veel consumenten van goedkope producten met cocaïne te voorzien.

Ruwe cocaïne behoorde vanaf 1890 tot de meest winstgevende handelsproducten ter wereld

En zo geschiedde: binnen een paar jaar lagen overal in de VS de schappen vol met atomizers, spuitjes of poeder dat gesnoven kon worden. In de VS werd gebruik van cocaïne onvergelijkbaar veel groter dan in Europa. Op de vrije markt hadden de farmaceuten volledig vrij spel. Regulering was er niet, controle op voedsel en medicijnen evenmin. Firma’s zoals Eli Lilly, Upjohn en Parke, Davis & Co. (thans Pfizer) zetten massaal cocaïne-producten af. Daarnaast opereerden er meer dan 5.000 kleinere producenten van wat ‘patent medicines’ heetten. Deze producenten verkochten geheel eigen producten met cocaïne, kauwgom, snoepjes en geneesmiddelen.

Coca-Cola was aanvankelijk maar één van de vele brouwsels (met een cocaïne-gehalte tussen 1 en 2 procent) op de markt. In 1905 zou de omzet op die markt van cocaïne-middeltjes en drankjes rond de 100 miljoen dollar hebben kunnen liggen, schat economisch-historicus Paul Gootenberg.

De mythe van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek

Over de Nederlandsche Cocaïne Fabriek (NCF) zijn diverse onware verhalen de wereld in gebracht, onder meer door Conny Braam. Zij publiceerde in 2009 het boek De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek – een roman gebaseerd op ware feiten, zo liet ze onder meer weten in een uitzending van Pauw & Witteman. ‘Een smerig stuk Nederlandse geschiedenis,’ zei Braam. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zou de NCF exorbitante winsten hebben gemaakt door onder meer de krijgsmacht van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk massaal te voorzien van cocaïne om ze tot ‘moordmachines’ te maken.

In een dissertatie waarop Hans Bosman (oud-werknemer van de NCF) in 2012 promoveerde aan Maastricht University wordt echter de vloer aangeveegd met deze ‘feiten’. In een appendix bij het proefschrift zijn de beweringen van Braam genadeloos gefileerd. Bosman vond  slechts één bron voor cocaïnegebruik in de Eerste Wereldoorlog (bij Australische en Canadese troepen bij Gallipoli). Recreatief gebruik van soldaten die in Londen op verlof waren kwam wel voor. Maar het Ministerie van Oorlog bestreed dat omdat het de soldaten ‘waardeloos’ zou maken. Duitsland had tijdens WOI overigens meer dan genoeg cocaïne op voorraad van wereldmarktleider Merck uit Darmstadt, na een exportverbod in 1914. Een door Braam aangehaald citaat uit een oudere Duitse studie over hoe cocaïne ‘vechtmachines’ van soldaten zou maken bleek non-existent.

Kortom: er is enkel geen bewijs voor de beschuldigingen van Braam. Zij noemde ook foutieve productiecijfers van de NCF over de jaren na 1914, van 20.000 tot 30.000 kilo per jaar. Volgens Bosman blijkt uit de harde cijfers in de archieven dat de NCF tussen 1915 en 1920 jaarlijks rond de 700 kilo cocaïne produceerde. Dat zou genoeg zijn om dagelijks een jaar lang ongeveer een halve gram uit te delen aan 4.000 soldaten. Braam blijft trouwens voet bij stuk houden, zo liet ze aan een kritische verslaggever van NRC Handelsblad weten.

Lees verder Inklappen

Verslaving

Cocaïne gaf Amerikanen ook mentale bijstand. Na afloop van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) bleken erg veel mensen verslaafd te zijn geraakt aan morfine en drank. Dat werd als een groot probleem voor de volksgezondheid gezien. Artsen schreven cocaïne-middeltjes voor om mensen van hun verslaving  af te helpen. Cocaïne werd ook gezien als oplossing voor Amerikanen die last hadden van ‘de zenuwen’ (neurasthenie) – een veel voorkomend verschijnsel dat samenging met de razendsnelle ontwikkeling van de industrialisatie in de VS. 

De komst van cocaïne viel samen met allerlei technologische uitvindingen en vernieuwingen. Fabrieken werden groter en gemechaniseerd met innovaties zoals de lopende band. Met name in de grote steden nam het levenstempo toe, waren werkdagen lang en arbeidsomstandigheden in de fabrieken abominabel. Er traden klachten op die nu stressgerelateerd, oververmoeidheid of burn-out zouden heten.

Cocaïne was een medisch middel zoals vele andere. Artsen schreven het met mate en terughoudendheid voor. Maar er waren ook mensen die bij de drogist middelen met cocaïne als zelfmedicatie kochten tegen verkoudheden en allergische reacties. Sommige van deze ‘geneesmiddelen’ werden gesnoven en bevatten veel cocaïne.

Cocaïne was een medisch middel zoals vele andere

De eerste berichten over recreatief cocaïnegebruik, in 1898, kwamen uit New Orleans. Havenarbeiders daar, en ook de bemanning van de grote vrachtboten op de Mississippi, begonnen cocaïne te snuiven. Het recreatieve gebruik verspreidde zich snel, via de Mississippi en reizende muzikanten naar de grote steden in de VS. In het begin was het gebruik met name onder criminelen en in het uitgaansleven populair. Omdat cocaïne indertijd legaal was, deed men niet geheimzinnig over het gebruik ervan.

Cijfers over aantallen gebruikers in die eerste decennia van de twintigste eeuw ontbreken, evenals cijfers over verslavingsproblematiek. Maar met name verslavingsproblematiek onder artsen is goed gedocumenteerd. Zo raakte in Chicago rond 1885 de vooraanstaande chirurg Charles Bradley door cocaïne totaal aan lager wal. Kort daarvoor had hij er bij zijn vrouw en opgroeiende kinderen op aangedrongen om, net als hij, dagelijks cocaïne te gaan injecteren. Bradley injecteerde zichzelf op het laatst van zijn leven met een oplossing van meer dan een gram zuivere cocaïne per dag.

Dossier

Coke & Co.

Hoe de cocaïne-business een onstuitbare vijand werd.

Volg dit dossier

Cocaïne verdwijnt

Het cokegebruik in de VS verdween heel plotseling. Vanaf 1910 keerde een breed gedragen en militant protest zich tegen het middel. Het was een merkwaardige coalitie van conservatieve, religieuze én progressieve groepen. Groepen als de Women’s Christian Temperance Union streden lokaal tegen drugs en alcohol. De beleidsmakers binnen de Amerikaanse volksgezondheidszorg maakten plannen om de vrije verkrijgbaarheid van cocaïne, heroïne, morfine en slaapmiddelen aan banden te leggen.

De Coca-Cola Company was in 1903 al stilletjes begonnen cocaïne uit het drankje te verwijderen. Een van de geheime ingrediënten van Coca-Cola is coca-extract. Het bedrijf wilde dat vanaf de eeuwwisseling niet meer bij naam benoemen. Intern werd er aan gerefereerd als ‘Merchandise no. 5’. Om de smaak van Merchandise no. 5 veilig te stellen moest er nog wel cocaïne worden onttrokken aan de cocablaadjes. En dat maakte het drankje kwetsbaar voor de strijdlustige anti-cocaïne-coalitie. De extractie van cocablad besteedde de Coca-Cola Company uit.

De Coca-Cola Company was in 1903 al stilletjes begonnen cocaïne uit het drankje te verwijderen

In 1914 was Coca-Cola bondgenoot met de hoogste politieke niveaus in Washington in de strijd tegen cocaïne. Het bedrijf liet de aanvoer van de cocablaadjes uit Peru volledig onder toezicht van de bevoegde autoriteiten stellen. In ruil kregen het product en het bedrijf een uitzonderingspositie in de narcotica-wetgeving. Vanaf 1914 werden de verkoop en distributie van cocablaadjes verboden, evenals de productie van cocaïne. In Sectie 6 van die nieuwe wet kwam evenwel een aparte clausule voor de cocablaadjes van Coca-Cola. De anti-cocaïne-lobby eiste daarna dat de regering ook de extractie van Merchandise No. 5 onder controle zou brengen – wat ook gebeurde. In 1922 werd ook de import van cocablaadjes verboden in de VS. In die wet kwam eveneens een uitzondering voor de cocablaadjes van Coca-Cola.

Cocaïne verdween vanaf 1910 snel uit de Amerikaanse straten en het uitgaansleven. In de VS was het gebruik tegen 1940 zelfs zo goed als nihil. Dit is de enige keer in de geschiedenis van de drug dat cocaïnegebruik massaal afnam. Het is spontaan gegaan – zonder de bemoeienis van strafrecht, zonder repressie, zonder arrestaties. Zelfs compleet onschuldige coca-producten zoals coca-thee waren niet meer te krijgen.

Hoe kon de cocaïnehandel na WOII zo’n verpletterende comeback maken?

Harry Anslinger

Het internationale verbod op cocaïne kwam tot stand in de slipstream van het verbod op opium in de jaren dertig. Maar het duurde tot 1961 voordat alle landen van de Verenigde Naties zowel coca als cocaïne in de ban hadden gedaan. 

Vanaf 1930 was de Amerikaanse federale ambtenaar Harry Anslinger (1892-1975) zijn stempel gaan drukken op de geschiedenis van cocaïne. Onder leiding van de even geslepen als charismatische Anslinger was in 1930 het Federal Bureau of Narcotics (FBN) opgericht – een van de voorlopers van de huidige Drug Enforcement Administration, de DEA. Wat betreft cocaïne kreeg de fanatieke drugsbestrijder Anslinger met een pikante kwestie te maken. Enerzijds wilde de Coca-Cola Company doorgaan met het importeren van vele tonnen aan cocablaadjes per jaar uit Peru en moest in New Jersey voor het bedrijf coca-extract en cocaïne worden gemaakt. Anderzijds wilde de VS de internationale handel in drugs aan banden leggen.

Anslinger koos voor een beleid op basis van vertrouwen in een old boys network. De directies van Coca-Cola en producent van het coca-extract Schaeffer Alkaloid Works hielden nauw informeel contact met Anslinger. Die zorgde ervoor dat alleen Coca-Cola nog een vergunning voor de invoer van cocablad voor frisdrank kon krijgen (en later een reductie van 50 procent over de invoerrechten). Advocaten van Coca-Cola werden toegevoegd aan de Amerikaanse delegatie tijdens internationale drugsconferenties. 

De Coca-Cola Company hielp Anslinger weer aan inlichtingen over de cocaproductie in Peru en zette plaatselijke contacten in om cocaproductie te controleren en de lokale (zieltogende) cocaïne-fabriekjes de nek om te draaien. De Peruaanse regering lag echter dwars. Die stelde voor cocaïne onder een gecontroleerd staatsmonopolie te brengen, en in de Tweede Wereldoorlog cocaïne te verkopen aan de Amerikaanse krijgsmacht, die behoefte had aan verdovingsmiddelen. Maar daar wilde Anslinger niks van weten. Toen de Tweede Wereldoorlog eindigde, was er geen militaire behoefte meer aan cocaïne. Evenmin was er recreatief cocaïnegebruik, in de VS noch in Europa. In Peru en Bolivia overleefde de productie van cocaïne, zij het op microschaal. De cocaïnehandel was evenwel zo goed als dood.

Anslinger was een man with a mission die diepe sporen in de geschiedenis van cocaïne heeft nagelaten. In Peru wist Anslinger na de oorlog cocaïne in het Wetboek van Strafrecht te krijgen en cocaïne-fabriekjes te sluiten. Anslinger bleef direct na de oorlog zeer beducht voor opkomend drugsgebruik in de VS. Er waren namelijk signalen over drugsgebruik door bohemiens in New York en Californië. Leden van motorbendes en oorlogsveteranen, eenmaal thuis, konden hun draai niet meer vinden en zochten hun toevlucht in alcohol en drugs.

Anslinger besefte dat het uitdrijven van de cocateelt in Peru nog een heel ander verhaal was. De mijnwerkers en boerenbevolking in het Peruaanse hoogland kauwden iedere dag hun coca zoals hij zelf zijn koffie dronk. Zijn laatste plan voor Peru was simpel en paste in de tijd van de Koude Oorlog. De VS zagen wereldwijde stimulering van de landbouw in arme landen als een dam tegen het oprukkend communisme. Met veel Amerikaanse dollars en ontwikkelingshulp voor de Peruaanse landbouw zou de cocateelt wel in bedwang blijven.

Lees verder Inklappen

De droom van Tingo Maria 

Na de Tweede Wereldoorlog wilde de VS de laatste restjes van de cocaïneproductie in Peru opruimen. Dat moest deels met zachte hand gebeuren.

Geen politiemannen maar landbouwadviseurs gingen in Peru vanaf die jaren veertig de strijd aan met de cocastruiken. Kort geschoren en met polaroid-zonnebrillen tegen het felle licht op grote hoogte toerden Amerikaanse ambtenaren in hun Jeeps dwars door de Peruaanse Andes. Ze hobbelden langs de laatste bergruggen naar beneden. Onder zich zagen ze in de verte langs uitgestrekte groene terrassen de kronkels van de Huallaga-rivier. Ze draaiden de ramen open en ademden warme lucht in met steeds sterkere aroma’s van tropische planten. Om hen heen veranderden de bergen in heuvels, de bomen werden hoger en de bosschages dichter.

Hun bestemming was een locatie bij de splitsing van twee rivieren. Daar lagen een handvol gebouwtjes, wat hutjes, een modderige weg en brommende generatoren. Die plek heette Tingo Maria, ook wel ‘Bella Durmiente’ (Schone Slaapster) genoemd. Er was niets. Geen vliegstrip, geen asfalt, alleen het groen en de fluitende vogels. De Jeeps hadden 250 kilometer gereden. Westelijk lagen de kust en de hoofdstad Lima. Daar, in Tingo Maria, hield de weg op. Voor hen uit zagen de nieuwkomers niets dan het groen van vele miljoenen vierkante kilometers jungle van het Amazonegebied dat zich desolaat uitstrekte tot aan de Atlantische Oceaan.

Tientallen Amerikaanse ambtenaren, ingenieurs en landbouwdeskundigen kwamen in die jaren veertig en vijftig naar Peru om te werken in het Estación Experimental Agrícola de Tingo María. Het enige wat er langs de rivieren van Tingo Maria te vinden was, was een enorm areaal aan maagdelijke en vruchtbare landbouwgrond. Tussen het hooggebergte en de jungle moesten honderdduizenden arme boeren van de hoogvlakte zich vestigen. De Peruaanse regering droomde van een bloeiende regio met akkerland en veeteelt. Ondertussen bleef de bevolking daar in het Huallaga-gebied op kleine schaal coca telen zoals ze dat altijd hadden gedaan. Handel in cocaïne werd in de jaren veertig weliswaar strafbaar in Peru. Toch kwamen in die jaren kleine cocaïne-handeltjes op. Druppelsgewijs ging er cocaïne vanuit Bolivia en Peru naar de VS.

"Cocaïne beantwoordde helemaal aan het signalement van een nieuw veelbelovend product uit het plantenrijk"

The White Goddess

Eerst waren het alleen Chileense en Peruaanse zeelieden, die op de zeeroutes van Santiago, via Callao en Havana, de drug naar New York brachten. Met name in de jazz-scene in New York was een beperkte markt voor cocaïne. In 1946 en 1947 werd er in de VS nauwelijks meer dan een kilo in beslag genomen. 

Het jaar 1949 is een kantelpunt. In dat jaar begon cocaïne de aandacht te trekken van de massamedia. Time Magazine plaatste een verhaal over cocaïne en betitelde het als ‘The White Goddess’. Aanleiding was de arrestatie in New York van de ‘Balarezo-gang’. Eduardo Balarezo zou met enkele anderen per maand 50 kilo cocaïne naar New York hebben gebracht. Deze hoofdverdachte van Peruaanse komaf leek in niets op een opzichtige drugscrimineel. Balarezo was een eenvoudige, op het oog onberispelijke steward op een lijnboot-verbinding met Zuid-Amerika. Vanaf die tijd raakte een langzaam aanzwellende stroom van Peruanen, Bolivianen, Cubanen, Chilenen, Mexicanen, Brazilianen en Argentijnen betrokken bij cocaïnesmokkel naar New York.

De Coca-Cola Company kon iedere publiciteit rond cocaïnesmokkel gestolen worden. Het bedrijf zag een smetteloos imago van zijn cola als topprioriteit en de relatie met cocaïne bleef een gevoelig punt. Het bedrijf had zijn marktaandeel in de Tweede Wereldoorlog kunnen vergroten doordat overal ter wereld Amerikaanse soldaten zich laafden aan Coca-Cola. Aan het eind van de jaren vijftig moesten de Coca-Cola Company en de VS zich prepareren op internationale kritiek over de Amerikaanse handel in cocablaadjes en productie van cocaïne. In de jaren na de Cubaanse Revolutie van 1959 maakten de Verenigde Naties (VN) plannen voor een grote drugsconferentie in New York die alle drugshandel in de wereld zou moeten verbieden en uitbannen: het ‘Enkelvoudig Verdrag van 1961’. Dat verdrag legde alle VN-leden een verbod op om cocablad te produceren en erin te handelen.

Voor de Coca-Cola Company kwam er andermaal een uitzondering

Maar voor de Coca-Cola Company kwam er andermaal een uitzondering. Later bleek dat drugsbestrijder Harry Anslinger (zie kader) niet gerust was geweest op de goede afloop. Eén van zijn laatste (destijds geheime) projecten was een noodscenario voor Coca-Cola. In alle stilte werd een pilot-project in Hawaii voorbereid waar – mocht de VN-conferentie ongunstig uitpakken – in het geheim toch Merchandise no. 5 en cocaïne konden worden gemaakt.

De mislukking

Toen het grote VN-verdrag tegen drugs uiteindelijk in 1964 door alle landen werd getekend, was het de Amerikaanse hulpverleners en drugsbestrijders in Peru wel duidelijk dat de pogingen de cocateelt in de dalen tussen Huánuco en Tingo Maria helemaal uit te bannen waren mislukt

Toch was er hoop op economische groei in de regio rond de Huallaga-rivier. Vele jonge Peruaanse gezinnen daalden in die jaren zestig en zeventig vol hoop af naar de Alto Huallaga. Ze gingen een eigen stukje land bewerken of kwamen in loondienst bij een coöperatie of plantage. De bevolking van de voorheen vrijwel lege Alto Huallaga groeide in sommige jaren met 10 procent. In Peru zag men deze ‘Reconquista’ van het land als de verwezenlijking van een glorieuze toekomstdroom. Voor veel Peruanen leek het de ontsnapping aan de armoede.

Totdat begin jaren zeventig de mooie beloften vals bleken te zijn. Door economische tegenvallers en bezuinigingen stopte de regering in Lima de lopende kredietprogramma’s. Prijzen van landbouwproducten daalden. Geasfalteerde wegen werden niet aangelegd. De kantoren van het ministerie van Landbouw werden gesloten. De werkloze landarbeiders en worstelende boeren met hun gezinnen hadden één veiligheidsklep: de prijs van cocablad bleef stabiel en begon zelfs te stijgen.

Daar in de heuvels van de Huallaga begonnen de boeren coca-pasta te maken volgens traditioneel Peruaans recept

Vanaf 1970 begonnen tienduizenden boeren daarom de draai naar coca te maken. In Peru, maar ook in Bolivia, stegen de prijzen van coca naar ongekende hoogten. Jungle werd gekapt en de heuvels werden bekleed met coca-struiken. Het ooit zo slaperige Tingo Maria barstte iedere maand opnieuw uit zijn voegen. Het werd een boomtown waar dollars in grote pakketten door de straten werden gereden. Oorzaak? Colombianen kwamen in de Huallaga het halffabrikaat of pasta básica kopen. 

Daar in de heuvels van de Huallaga begonnen de boeren coca-pasta te maken volgens traditioneel Peruaans recept. Precies op de manier die Alfredo Bignon in 1880 in zijn apotheek in de Jirón de la Unión in Lima had bedacht. Er was één verschil met de tijd van Bignon: nu was het allemaal illegaal.