Minister Dekker (Rechtsbescherming) ontvangt het rapport uit handen van Peter Oskam, voorzitter van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Beeld door Robert Huiberts (Ministerie van Veiligheid en Justitie).
© CC0 (Publiek domein)

    Marktwerking voor gerechtsdeurwaarders is doorgeslagen, zeggen de deurwaarders zelf. Dat gaat ten koste van schuldenaren, die daardoor verder in de knel raken. Op aandringen van de Kamer onderzocht de commissie Oskam drie jaar lang of deze signalen uit het werkveld structureel zijn. Conclusie: niks aan het handje, vooral zo doorgaan. Eén probleem: dit onderzoek kent grote gebreken.

    Weleens gehoord van het rapport Tussen ambt en markt van de commissie Oskam? Nee? Het werd 15 juli aangeboden aan Sander Dekker (VVD), minister van Rechtsbescherming, toen iedereen zijn koffer aan het inpakken was. Aandacht in de media: nul.

    Of ze nu bekend zijn of niet, dit soort adviezen zijn invloedrijk. Ze bepalen voor vele jaren het Haagse beleid. Dit rapport gaat over de manier waarop de gerechtsdeurwaarder zijn werk doet onder invloed van marktwerking. Daarover bestaan al langer de nodige zorgen, wat voor SP en PvdA in 2016 de reden was te vragen om onderzoek door onafhankelijke deskundigen. 

    Het rapport van de Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders onder leiding van Peter Oskam (burgemeester van Capelle aan den IJssel) is klip en klaar: met marktwerking is niks aan het handje, vooral zo doorgaan. Maar critici, onder wie veel deurwaarders, stellen dat de marktwerking die in 2001 is ingevoerd, heeft gezorgd voor uitwassen die ten koste gaan van de schuldenaar. Bulkopdrachtgevers (zoals overheden, zorgverzekeraars en telecombedrijven) spelen deurwaarders effectief tegen elkaar uit, met als gevolg dat veel deurwaarders onder de kostprijs werken. 

    Typisch een geval van doorgeslagen marktwerking, zei de voorzitter van de beroepsorganisatie Wilbert van de Donk in een interview met Follow the Money: ‘De enige die voordeel heeft, is de schuldeiser van enige omvang, die vanuit zijn inkoopmacht no cure, no pay of no cure, less pay kan bedingen. Er moet evenwicht komen tussen de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar.’  

    Wat doet een deurwaarder bij het innen van schulden?

    Een gerechtsdeurwaarder is een ambtenaar in openbare dienst, benoemd door de Kroon. De deurwaarder heeft bijzondere wettelijke bevoegdheden om namens de schuldeiser schulden te innen na een vonnis van de rechter of een dwangbevel. Zo mag een deurwaarder beslag leggen op bijvoorbeeld bankrekening, loon, uitkering, huis of inboedel. Ook mag een deurwaarder overgaan tot executoriale verkoop van bijvoorbeeld huisraad. Dit zijn ‘ambtshandelingen’. De kosten voor deze ambtshandelingen brengt de deurwaarder in rekening bij de schuldenaar; de hoogte daarvan is wettelijk vastgesteld. In 2001 is marktwerking geïntroduceerd, waardoor vrije tariefafspraken tussen opdrachtgever en deurwaarder mogelijk zijn.

    Een deurwaarder dient vanwege zijn bijzondere positie onafhankelijk te zijn. Hij moet niet alleen de belangen dienen van zijn opdrachtgever, maar ook die van de schuldenaar. Een deurwaarder die zijn werk op een maatschappelijk verantwoorde manier wil uitvoeren, past waar mogelijk maatwerk toe. Dat betekent bijvoorbeeld een betalingsregeling treffen, in plaats van loonbeslag leggen.

    Lees verder Inklappen

    Als de opdrachtgever niet (of te weinig) betaalt, moet de deurwaarder ergens anders de buit binnen halen. Daarom is hij geneigd een verlies in het ene (oninbare) dossier te compenseren met bijvoorbeeld een extra bankbeslag in het andere. Dat levert namelijk omzet op: voor ieder beslag mag de deurwaarder kosten rekenen. Door deze prikkel om schulden op te drijven, kan een huurachterstand van 100 euro oplopen tot een veelvoud daarvan.        

    Bovendien kan een onderbetaalde deurwaarder nauwelijks tijd besteden aan een dossier. Zeker bij de grote, sterk geautomatiseerde kantoren is er weinig ruimte voor maatwerk, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de schuldenaar. Zo laat zorgverzekeraar Menzis zijn deurwaarder GGN veelvuldig dreigen met beslag op de huisraad van verzekerden, in de wetenschap dat zo’n beslag in de regel niets oplevert. Ook deinst GGN er niet voor terug om beslagen te leggen voor kleine bedragen, waardoor schuldenaren verder in de knel komen.     

    De prikkel in het systeem is: laat ik dat beslag maar leggen

    Boosdoeners zijn allerlei ‘prestatiecontracten’, zoals no cure, no pay. Daarbij geldt dat als de deurwaarder niks int, de opdrachtgever ook niets betaalt. Het risico van schuldinning is zo helemaal verplaatst naar de deurwaarder, wat zijn onafhankelijkheid ondergraaft. ‘Elke afweging die een deurwaarder moet maken aan de deur waarbij hij aan zijn portemonnee moet denken, schaadt zijn onafhankelijkheid,’ zei opperdeurwaarder Van de Donk daarover. ‘Als je echt onafhankelijk bent, kun je beoordelen dat beslag leggen geen zin heeft. De prikkel in het systeem is: laat ik dat beslag maar leggen, ook al levert het niet veel op, dan krijg ik nog iets betaald.’

    ‘Natuurlijke prikkel’ voor ‘scherpe tarieven’

    Minister Sander Dekker ziet het probleem niet: marktwerking is een ‘natuurlijke prikkel’ om ‘scherpe tarieven’ vast te stellen, stelde hij in antwoord op Kamervragen. ‘Het is niet de bedoeling dat gerechtsdeurwaarders zich bij de uitvoering van hun publieke taak laten leiden door hun eigen verdiensten.’ Het advies van de commissie Oskam zei hij af te wachten.

    Met dat advies blijft alles blijft grotendeels bij het oude. De centrale conclusie luidt dat er ‘geen aanknopingspunten’ zijn om de huidige marktwerking af te schaffen. Er zijn ‘geen grootschalige problemen’ vastgesteld bij de benadering door gerechtsdeurwaarders van mensen met schulden. Dit is overigens niet opgetekend door de ‘onafhankelijke’ commissie zelf – het rapport is opgesteld door een team van ambtenaren van het ministerie van Justitie, bevestigt de verantwoordelijke ambtenaar.    

    De vraag is hoe de commissie tot dit oordeel is gekomen. Het onderzoek van bestuurskundig adviesbureau Pro Facto, dat aan het rapport ten grondslag ligt, is helemaal niet geschikt is om tot een oordeel te komen, zo schrijven de onderzoekers zelf. Ook de Commissie onderkent dit, maar trekt desondanks verregaande conclusies die mooi aansluiten op de opvattingen van minister Dekker. Hoe is dat mogelijk?

    Onderzoekers liepen tegen een muur op

    Hoewel de onrust over tarieven die deurwaarders mogen rekenenen al jaren speelt, is goed onderzoek naar de effecten van marktwerking schaars. Zo kon het meest recente onderzoek naar de tarieven, van Cebeon uit 2016, om meerdere redenen niet als basis dienen voor beleid, zei de minister van Justitie destijds. Daarom kreeg Pro Facto de opdracht nieuw onderzoek uit te voeren voor de commissie Oskam. 

    Deze onderzoekers liepen tegen een muur op: de deurwaarders werkten niet goed mee. Ze vulden de formulieren niet goed in, gaven niet allemaal de juiste gegevens en reageerden slecht op de enquête, zo merken de onderzoekers op. Slechts één van de grote kantoren was geselecteerd voor een casestudy, terwijl juist die relevant zijn voor de effecten van prestatiecontracten met bulkopdrachtgevers. De commissie bestempelt de uitkomsten van dit deel van het Pro Facto-onderzoek dan ook als onbetrouwbaar.

    In plaats van de opdracht terug te geven, koos de commissie ervoor terug te vallen op de studie van Cebeon die eerder ongeschikt werd geacht voor tariefaanpassing. Reden? ‘Uiteindelijk bleken die cijfers nog het meest bruikbaar,’ laat de commissie aan Follow the Money weten. Nog een onderzoek instellen is wel besproken, ‘maar een nieuw onderzoek zou de instellingstermijn van de commissie ruim gaan overschrijden. [...] Dat was geen optie.’ Op basis van een gedateerd en weinig bruikbaar onderzoek, adviseert Oskam dat de meeste tarieven voor ambtshandelingen omhoog moeten om kostendekkend te zijn, tot blijdschap van de deurwaarders. Schuldenaren gaan dat betalen.      

    Wij van WC-eend

    Dan de marktwerking. In een enquête vroeg Pro Facto aan deurwaarders of prestatiecontracten hebben geleid tot ‘onheuse bejegening van schuldenaren’ of ‘onwenselijk gedrag in algemene zin’. Dat leidde tot het antwoord: wij deurwaarders doen niets verkeerd. Pro Facto onderkent het wij-van-WC-eend-probleem en noteert dat het resultaat veroorzaakt kan zijn door ‘strategisch antwoordgedrag’.

    De commissie moffelt het euvel niet weg, maar neemt de kanttekening van Pro Facto niet op in het rapport: ‘Het beeld [dat de deurwaarder niets onoorbaars doet, red.] wijkt sterk af van signalen uit het debat dat breed maatschappelijk wordt gevoerd [...]. Die signalen wijzen op een zorgelijke situatie, waarin deurwaarderskantoren zich, gevangen tussen toenemende aandacht voor maatschappelijk verantwoord incasseren en bijbehorende eisen en opdrachtgevers die door grote marktmacht zeer strakke prijsafspraken bedingen, gedwongen voelen om meer dan strikt noodzakelijk omzet te behalen uit ambtshandelingen en de rekening bij de schuldenaar te leggen.’ 

    Dit weglaten is geen omissie, vindt de commissie. ‘De commissie heeft moeten vaststellen dat de signalen uit het maatschappelijk debat en waarvan de commissie op de hoogte was, niet konden worden bevestigd in de uitkomst van het wetenschappelijk onderzoek door Pro Facto. Op die uitkomsten moet de commissie zich baseren.’ 

    ‘Op incidenten kun je geen beleid maken’

    Oskam zegt in het rapport zich er wel van bewust te zijn ‘dat er in incidentele gevallen sprake is van onnodige ambtshandelingen die schuldenaren op hoge(re) kosten jagen [...], maar kan bij gebrek aan kwantitatieve gegevens niet bepalen of er sprake is van meer dan incidentele gevallen. Op incidenten kan geen beleid gemaakt worden. Daarom concludeert de commissie dat er geen dwingende argumenten zijn gevonden die nopen tot aanpassing van de marktwerking [...].’

    Kortom, er is een onbruikbaar onderzoek over de effecten van prestatiecontracten (waarbij een cruciale passage uit het onderliggende onderzoek is weggelaten) maar juist die onbruikbaarheid is een argument om de marktwerking niet aan te passen. De commissie slaagt er niet in om vast te stellen of de incidenten wijzen op structurele misstanden en adviseert vervolgens het huidige stelsel grotendeels intact te laten. Daarmee lijkt Oskam te miskennen dat hij wel degelijk mogelijk ingrijpend beleid maakt: schuldenaren blijven voorlopig geconfronteerd met deurwaarders wier onafhankelijkheid onder druk staat dankzij prestatiecontracten. 

    De regel is: in dubio abstine, bij twijfel niet inhalen

    Als voor een drastische aanpassing ‘dwingende argumenten’ nodig zijn, waarom geldt datzelfde dan niet voor het in stand houden van marktwerking? Het antwoord: ‘Het onderzoek van Pro Facto heeft geen structurele misstanden aan het licht gebracht. De regel is: in dubio abstine, bij twijfel niet inhalen.’ 

    Omdat het Pro Facto-rapport onbruikbaar is, deed de commissie ook eigen onderzoek. Een van haar centrale waarnemingen staat haaks op de eigen conclusies: deurwaarders die werken met prestatiecontracten blijken meer (derden-)beslagen te leggen dan deurwaarders zonder zulke contracten. ‘Dat kan wijzen op ongewenste druk vanuit gerechtsdeurwaarders op schuldenaren, die wordt veroorzaakt door prestatiedruk vanuit de schuldeisers,’ schrijft Oskam. Hiermee raakt de Commissie de kern van het probleem voor schuldenaren. Toch stelt Oskam ‘geen evident negatieve effecten’ te kunnen vinden van prestatiecontracten. 

    Ook niet voor de grotere deurwaarderskantoren zelf. Prestatiecontracten leveren die kantoren zowaar meer omzet op en zijn dus ‘niet nadelig’ voor die kantoren – weer een reden om marktwerking toe te juichen. Maar wat de commissie weglaat, is dat de cijfers die deurwaarders hebben aangeleverd bij Pro Facto om deze bewering te stutten, van ‘onvoldoende kwaliteit’ waren. De kantoren hebben namelijk hun omzet uit incassowerkzaamheden en de omzet in verband met die prestatiecontracten op één hoop gegooid.  

    Omzet is nog geen winst

    Wat zegt het dan dat grote kantoren met prestatiecontracten meer omzet hebben dan kantoren zonder die contracten? Niet veel. Het is mogelijkheid dat die kantoren als gevolg van no cure, no pay verlies lijden op de ambtelijke praktijk, maar winst maken op incasso om redenen die niets met die contracten te maken hebben. Zo hebben de grotere kantoren de incassotrajecten vaak sterk geautomatiseerd en werken ze daarom efficiënter dan de kleintjes.      

    Ook al is er een hogere omzet bij de grote kantoren, dan zegt dat niets over hun winstgevendheid, erkent ook de commissie. Pas als je de winstgevendheid in beeld hebt, kun je iets zeggen over het voordeel of het nadeel van de contracten voor het bedrijfsresultaat. Dat de contracten ‘niet nadelig’ zijn, kan de commissie niet concluderen op basis van haar sterk gemankeerde onderzoek.  

    Geconfronteerd met deze incoherentie volhardt de Commissie in haar standpunt: ‘De commissie heeft geconcludeerd dat er geen bewijs kan worden gevonden dat prestatiecontracten structureel nadelig uitpakken voor gerechtsdeurwaarders. Met andere woorden: het zijn niet de prestatiecontracten als zodanig die per definitie nadelig uitpakken.’    

    Ogenschijnlijk vindt de commissie het tijd om no cure, no pay af te schaffen

    GGN, ’s Neerlands grootste deurwaarderskantoor, ziet die prestatiecontracten wel degelijk als een winstkiller: ‘Grote organisaties kopen op grote schaal deurwaardersdiensten in en bedingen hiervoor grote kortingen. Deze kortingen zijn zo hoog dat deurwaarders vaak verlies lijden op hun dienstverlening. Helaas zien veel deurwaarderskantoren zich toch genoodzaakt dit soort contracten te accepteren om zo deze belangrijke klanten te behouden en voldoende werkvoorraad te houden.’ De voorzitter van Deurwaardersbelangen Nu, Hans Groenewegen, zei tegen Follow the Money: ‘Met de huidige marktwerking graaft het deurwaarderskorps zijn eigen graf. De grote volume-opdrachtgevers hebben het stelsel zodanig beïnvloed dat het kantoren financieel niet goed gaat. Het moet veranderen.’ 

    Ook al ziet de commissie geen reden het systeem overhoop te gooien, toch vindt zij het tijd ogenschijnlijk no cure, no pay af te schaffen. Bij een oninbare schuld mag het volgens Oskam niet zo zijn dat de gerechtsdeurwaarder zelf met de kosten blijft zitten. Daarom adviseert de Commissie dat de opdrachtgever in dat geval de kosten draagt van de verrichte ambtshandeling(en) – een belangrijke stap om critici tevreden te stellen.   

    Winnaars en verliezers

    Maar let op: no cure, no pay blijft gewoon mogelijk, leert navraag bij de commissie. Als de deurwaarder genoeg verdient aan het pakket schulden dat hij wel int voor één opdrachtgever, is er niets mis met deze contractvorm. Dit voorstel komt rechtstreeks uit de koker van beroepsorganisatie KbvG, waarvan de voorzitter deel uitmaakte van de commissie.  

    Oplossing na vonnis moet ook vergoed

    Als de deurwaarder de schuldenaar maant om tijdig te betalen of een betalingsregeling treft met de schuldenaar (een ‘minnelijke oplossing’), staat daar geen vergoeding tegenover. Er is immers alleen een tarief voor de ambtshandeling (zoals beslag leggen), niet voor het niet (volledig) uitvoeren of voorkomen van een ambtshandeling. De gerechtsdeurwaarder kan daarom na een vonnis alleen kosten in rekening brengen door beslag te leggen. 

    Een onafhankelijke en onpartijdige beoordeling van de situatie kan tot de conclusie leiden dat het leggen van beslag niet zinvol is, of dat de schuldenaar alsnog bereid blijkt mee te werken aan een oplossing. In zulke gevallen is het niet nodig een beslaglegging, die al in gang is gezet, door te zetten. Theoretisch kan de gerechtsdeurwaarder in zo’n situatie de kosten bij zijn opdrachtgever in rekening brengen, maar in de praktijk lijken dergelijke afspraken onder druk van de marktwerking zelden of nooit tot stand te komen, stelt de commissie.

    Daarom adviseert de commissie een aparte vergoeding in te stellen voor de werkzaamheden om na een vonnis alsnog tot een minnelijke oplossing te komen, dan wel volledige uitvoering van ambtshandelingen te voorkomen. De commissie acht het redelijk dat de gerechtsdeurwaarder in dat geval ten laste van de schuldenaar de helft ontvangt van het tarief van de ambtshandeling die niet geheel tot uitvoering komt. Daarmee is voor de schuldenaar na een vonnis niet alles verloren: tot aan het moment dat beslag wordt gelegd behoudt hij de mogelijkheid om een deel van de kosten van beslag af te wenden.

    Lees verder Inklappen

    Al met al zijn er drie winnaars aan te wijzen: de deurwaarder die meer geld ontvangt voor de verrichte ambtshandelingen en no cure, no pay enigszins begrensd ziet; de grote opdrachtgevers waaronder de overheid, die het kostenrisico van schuldinning nog steeds grotendeels bij de deurwaarders kunnen parkeren; en tot slot minister Dekker, die geen ingrijpende veranderingen hoeft door te voeren – hij kan vasthouden aan de ‘natuurlijke prikkel’ om tot ‘scherpe tarieven’ te komen. Verliezer van deze exercitie is de schuldenaar: die betaalt meer aan de deurwaarder en compenseert zo de door marktwerking succesvol uitgeholde tarieven.   

    ‘Zo gaat het helaas vaker,’ reageert Michiel van Nispen, Kamerlid voor de SP. ‘In een bepaalde sector wordt marktwerking ingevoerd. Er ontstaan problemen. Vervolgens moet die marktwerking ‘beteugeld’ worden, met allerlei nieuwe regels en maatregelen. Over afschaffen of fors terugdringen valt haast niet meer serieus te praten, want ‘concurrentie is goed’ en ‘mededingingsrecht’.’ Hij kondigt nieuwe Kamervragen aan: ‘Er is nader onderzoek nodig om vast te kunnen stellen met welk stelsel de belangen, zoals de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder en de positie van mensen met schulden, het beste gediend zijn. Ik wil dat de minister dat erkent.’

    Antwoorden van de commissie Oskam op vragen van Follow The Money

    Het Pro Facto-onderzoek is onvoldoende onderbouwd om conclusies aan te verbinden, zo lezen we in uw rapport. Daarom valt de Commissie terug op een rapport van Cebeon. Maar dat rapport is niet geschikt om een aanpassing van de tarieven op te baseren, zo zei de minister al destijds. Wat is de reden dat de Commissie is teruggevallen op een rapport dat ongeschikt werd geacht voor de tariefaanpassing die de Commissie thans voorstelt?

    ‘De kanttekeningen die destijds werden gemaakt bij het Cebeon-rapport waren terecht. Cebeon onderzocht bovendien slechts enkele van de meer dan 20 ambtshandelingen. Uiteindelijk bleken in het voorjaar van 2019 die cijfers echter nog het meest bruikbaar.

    De commissie heeft vervolgens besloten door middel van een herijking van de indexeringssystematiek – waarvan de noodzaak destijds door de minister ook expliciet is onderkend – in combinatie met de gegevens van 2001 en aangevuld met de meer actuele gegevens van Cebeon, een voorstel te formuleren voor aanpassing van de tarieven. De voltallige commissie heeft deze alternatieve benaderingswijze onderschreven.’

    Heeft de afweging plaatsgevonden om op basis van de beschikbare onderzoeken geen voorstel te doen en om nieuw onderzoek te gelasten? Zo nee, waarom niet?

    ‘Uiteraard is dit besproken, maar een nieuw onderzoek zou de instellingstermijn van de commissie ruim gaan overschrijden. Gegeven de instellingstermijn van de commissie was dat geen optie. Het is eventueel aan het kabinet te bepalen of het opportuun is een nader onderzoek te verrichten naar de kostprijs van ambtshandelingen van gerechtsdeurwaarders.’

    Pro Facto heeft in een enquête aan deurwaarders gevraagd of prestatiecontracten hebben geleid tot ‘onheuse bejegening van schuldenaren’ of ‘onwenselijk gedrag in algemene zin’. Niet verrassend hebben de deurwaarders geantwoord dat zulks niet het geval is. Pro Facto noteert dat dit resultaat veroorzaakt kan zijn door ‘strategisch antwoordgedrag’. Bij ‘gebrek aan kwantitatieve gegevens’ zegt de Commissie niet te kunnen bepalen of er sprake is van meer dan incidentele gevallen van onheuse bejegening. Vervolgens stelt de Commissie dat je op incidenten geen beleid kan maken. Maar door aan te bevelen om het huidige stelsel van marktwerking grotendeels intact te laten, lijkt de Commissie te miskennen dat er daarmee wel degelijk beleid gemaakt wordt. Concludeert de Commissie nu wel of niet dat er slechts sprake is van incidenten?

    ‘De commissie heeft onderkend dat er incidenten zijn in de praktijk van een onheuse of onredelijke bejegening van schuldenaren. Dat blijkt bijv ook uit de praktijk van het tuchtrecht. Er zijn enkele uitspraken van (tucht)rechters die wijzen op incidenten. Bovendien zijn er klachten van schuldenaars cq. organisaties die hen vertegenwoordigen, maar die moeilijk te controleren of te kwantificeren zijn. Er valt daarbij dus ook niet vast te stellen of er sprake is van inherente gebreken van het systeem. Er waren voor de commissie dus geen argumenten voor meer ingrijpende voorstellen dan de voorstellen die de commissie heeft geformuleerd.’

    De Commissie erkent zelf dat het Pro Facto-onderzoek onbruikbaar is en noemt het risico dat de deurwaarders in de enquête hun straatje hebben schoongeveegd. Wat gaf de doorslag om desondanks beleid te maken door aan te bevelen het stelsel grotendeels in tact te laten?

    ‘De uitkomst van het het onderzoek van PF biedt onvoldoende onderbouwing voor de commissie om ingrijpende maatregelen te treffen ten aanzien van de marktwerking.

    Om incidenten te voorkomen adviseert de commissie wel om een grotere verantwoordelijkheid bij de schuldeisers neer te leggen. Daarom adviseert de commissie om de schuldeiser op te laten draaien voor de kosten als de schuldenaar geen verhaal biedt. Overigens is er ook nog de corrigerende werking van het tuchtrecht.

    Het onderzoeksrapport van PF biedt zoals hiervoor aangegeven echter onvoldoende aanknopingspunten om de marktwerking als zodanig ter discussie te stellen.’

    Pro Facto stelt weliswaar geen grote problemen te hebben vastgesteld bij de benadering van schuldenaren door deurwaarders, maar stelt ook dat ‘het beeld sterk afwijkt van signalen uit het debat dat breed maatschappelijk wordt gevoerd, binnen de sector, maar ook door organisaties die zich bezighouden met het schuldenarenperspectief. Die signalen wijzen op een zorgelijke situatie waarin deurwaarderskantoren zich, gevangen tussen toenemende aandacht voor maatschappelijk verantwoord incasseren en bijbehorende eisen en opdrachtgevers die door grote marktmacht zeer strakke prijsafspraken bedingen, gedwongen voelen om meer dan strikt noodzakelijk omzet te behalen uit ambtshandelingen en de rekening bij de schuldenaar te leggen.’ Deze passage heeft het rapport niet gehaald. Beschouwt u dat als een omissie? Zo nee, kunt u dat toelichten?

    ‘Dat is geen omissie, maar illustreert wel het dilemma van de commissie.

    De commissie heeft moeten vaststellen dat de signalen uit het maatschappelijk debat, en waarvan de commissie op de hoogte was, niet konden worden bevestigd in de uitkomst van het wetenschappelijk onderzoek door Pro Facto. Op die uitkomsten moet de commissie zich baseren.’ 

    De Commissie heeft ook eigen onderzoek verricht naar prestatiecontracten. Er blijkt een positief verband te bestaan tussen prestatiedruk en ambtelijk omzet en derdenbeslagen – precies hetgeen gesprekspartners zoals de LOSR hebben aangekaart en de kern vormt van het probleem van marktwerking voor schuldenaren. Toenemende schulden ontstaan immers niet door beslag op roerende zaken of ontruimingen, maar door de kosten van derdenbeslagen. Toch concludeert de Commissie dat er ‘geen evident negatieve effecten’ kunnen worden gevonden van prestatiecontracten. Een prikkel tot het leggen van meer beslagen om de omzet te verhogen is kennelijk geen negatief effect. Kunt u daarvoor de beweegredenen geven?

    ‘Het onderzoek van de commissie heeft aangetoond dat er een positief verband is tussen prestatiecontracten en ambtelijke omzet, verdiensten, het aantal exploten, derdenbeslagen onder bank en derdenbeslagen periodieken. Er is geen verband gevonden met het aantal dagvaardingen, beslagen roerende en onroerende zaken en ontruimingen.

    Dit geeft derhalve een gemengd beeld. Een groter aandeel prestatiecontracten op totale ontvangsten van deurwaarders lijkt samen te hangen met meer ambtelijke omzet, maar ook met meer verdiensten. Juist deze verdiensten bestaan onder andere uit dienstverlening in de minnelijke sfeer. Het lijkt erop dat prestatiecontracten gerechtsdeurwaarders aanzetten tot meer actief handelen, zowel in de ambtelijke als in de niet-ambtelijke fase. Het geeft daarmee geen verstoord beeld in één van deze richtingen, en ook niet in de richting van de diep ingrijpende maatregelen als beslagen (on)roerende zaken en ontruimingen.’

    De Commissie citeert uit het onbruikbaar geachte Pro Facto-rapport dat de deurwaarderskantoren die gebruik maken van prestatiecontracten eerder winst maken, en dat die contracten dus niet nadelig zijn voor die kantoren. Pro Facto schrijft evenwel dat het ‘denkbaar is dat een verliesgevende ambtelijke praktijk bij deurwaarderskantoren in stand wordt gehouden door niet-ambtelijke activiteiten waar wel winst uit wordt gehaald. De door de casestudy-kantoren aangeleverde gegevens waren van onvoldoende kwaliteit om hier uitspraken over te doen.’ Ook schrijft Pro Facto: ‘Men erkent wel dat de bedrijfsvoering door deze prijsafspraken en verhoogde eisen aan dienstverlening onder druk is komen te staan.’ Ergo: het is niet vast te stellen of er een positief verband is tussen prestatiecontracten en winstgevendheid; een aantal kantoren zegt zelf dat de contracten de bedrijfsvoering onder druk hebben gezet. Deze passages staan niet in het rapport. 1. Ligt daar een afweging aan ten grondslag? Zo ja, welke? 2. Kan de Commissie op basis van het Pro Facto-rapport concluderen dat er een positief verband is tussen tussen prestatiecontracten en winstgevendheid?


    1. ‘De afweging van de commissie was hierbij dat deze passages uit het PF-rapport aannames betreffen. Het doel van het onderzoek was een betrouwbaar beeld te verkrijgen op basis van voldoende betrouwbare kwantitatieve gegevens. Aannames van de onderzoekers – hoe plausibel deze ook zijn – bieden geen grondslag voor aanbevelingen van de commissie. Het is de Commissie opgevallen dat kantoren die vooral of uitsluitend de BTAG-tarieven hanteren minder rendeerden dan kantoren die met andersoortige contracten werkten, m.a.w. dat vaste tarieven niet noodzakelijkerwijs de oplossing vormen. Het hanteren van BTAG-tarieven is bovendien geen garantie tegen onnodig inzetten van ambtshandelingen.’
    2. ‘Uit het eigen onderzoek is gebleken dat er geen verband bestaat tussen het aandeel prestatiecontracten in de totale ontvangsten en het bedrijfsresultaat van kantoren.’

    De Commissie schrijft dat bijzondere contractvormen ‘niet nadelig’ voor de kantoren zelf zijn. Maar op basis van het onderzoek weten we niet welk verband bestaat tussen prestatiecontracten en de omzet uit enerzijds de ambtelijke en anderzijds de niet-ambtelijke praktijk, zoals de Commissie erkent. We weten alleen dat er een positief verband is tussen prestatiecontracten en de globale omzet. Wat zegt dat nou precies? Het laat heel goed de mogelijkheid open dat (grote) kantoren als gevolg van prestatiecontracten verlies lijden op de ambtelijke praktijk, maar winst maken op de niet-ambtelijke praktijk om redenen die niets met die prestatiecontracten te maken hebben. En ook al is er een hogere omzet dan zegt dat niets over winstgevendheid, erkent ook de Commissie. Meer omzet kan immers gepaard gaan met grotere verliezen. Waarom dan toch benadrukken dat de prestatiecontracten 'niet nadelig' zijn?

    ‘De commissie heeft geconcludeerd dat er geen bewijs kan worden gevonden dat prestatiecontracten structureel nadelig uitpakken voor gerechtsdeurwaarders. M.a.w. het zijn niet de prestatiecontracten als zodanig die per definitie nadelig uitpakken. Het laat inderdaad heel goed de mogelijkheid open dat (grote) kantoren als gevolg van prestatiecontracten verlies lijden op de ambtelijke praktijk, maar winst maken op de niet-ambtelijke praktijk om redenen die niets met die prestatiecontracten te maken hebben. Het omgekeerde is evengoed mogelijk, zo wijzen de gegevens uit. Met andere woorden: het zijn in de praktijk ook bijkomende factoren die die medebepalend zijn in hoeverre bepaalde contractvormen nadelig (of voordelig) uitpakken. Dat laat onverlet dat bepaalde contractvormen in combinatie met de overige omstandigheden nadelig kunnen uitpakken voor zowel gerechtsdeurwaarders als voor mensen met schulden. De Commissie is zich daarbij ook zeer wel bewust geweest van signalen, zoals die van GGN, over dilemma’s binnen de markt van gerechtsdeurwaarders als het gaat om het aangaan van (vormen van) prestatiecontracten. In haar rapport doet de commissie daarom voorstellen die beogen de meest scherpe kanten van prestatiecontracten weg te halen (paragraaf 4.3), minnelijke oplossingen te stimuleren (par. 5.2) en minvermogende schuldenaren te beschermen (par. 5.3). Tegen die achtergrond oordeelde de commissie dan ook dat een zekere correctie op de marktwerking op zijn plaats is en adviseerde dat bij of krachtens de wet de mogelijkheid moet worden uitgesloten dat gerechtsdeurwaarders en opdrachtgevers overeenkomsten sluiten die erop zijn gericht dat een opdrachtgever kan verdienen aan het laten verrichten van ambtshandelingen. In verband daarmee heeft de commissie in het belang van mensen met schulden en van gerechtsdeurwaarders ook geadviseerd om het treffen van minnelijke regelingen beter te belonen.’

    De Commissie stelt dat een ingrijpende verandering van het systeem alleen voorgesteld kan worden als daar zwaarwegende argumenten voor zijn gebaseerd op aantoonbare feiten. Het Pro Facto-onderzoek biedt die feiten niet, omdat het onderzoek is gedwarsboomd door de ondervraagde deurwaarders, althans er zijn te weinig gegevens aangeleverd. 1. Is de Commissie van mening dat voor niet-ingrijpen in het systeem - dat op zichzelf ingrijpend beleid kan zijn - ook zwaarwegende argumenten nodig? Zo nee, waarom niet? 2. Zo ja, wat zijn de zwaarwegende argumenten voor de Commissie om niet in te grijpen in de marktwerking? 3. Vormt het Pro Facto-onderzoek dat ook volgens de Commissie tot niets kan concluderen, een zwaarwegend argument om niet tot ingrijpende verandering te komen?

    ‘Nee. Er zijn zwaarwegended argumenten nodig om wél in te grijpen. Het onderzoek van PF heeft geen structurele misstanden aan het licht gebracht. De regel is: in dubio abstine, bij twijfel niet inhalen.’

    Lees verder Inklappen

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jan-Hein Strop

    Gevolgd door 555 leden

    Freelance financieel-economisch journalist met grote belangstelling voor de werking, macht en gedrag van bank & verzekeraar.

    Volg Jan-Hein Strop
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    De Schuldenindustrie

    Gevolgd door 589 leden

    Honderdduizenden Nederlanders zitten in de schulden. Ze begonnen vaak met een kleine schuld, maar lopen vast in een systeem d...

    Volg dossier