© ANP Foto

Conformistisch tot op het bot: Nederland volgens politicoloog Hans Daalder

    In april overleed politicoloog Hans Daalder, wiens werk permanent actueel is. Daalders typering van de 19e en 20e-eeuwse Nederlandse politiek sluit naadloos aan bij de stand van zaken in Den Haag anno 2016. Een analyse.

    In zijn twee essaybundels Van Oude en nieuwe Regenten en Politiek en Historie schetst Daalder (1928-2016) de historische constante in de Nederlandse politiek. Deze kristalliseert zich uit in vijf samenhangende evenwel onderscheidenlijke punten: Partijen, parlement, bestuurders, staat, media en elite. De typering gaat als volgt:

    [1] Tussen Nederlandse politieke partijen waren er volgens Daalder in de vorige eeuw al weinig concrete politieke strijdpunten. Partijen waren 'kennelijk voornamelijk affectieverschijnselen'. Leden waren passief (of, zo men wil, werden passief gehouden). De functie daarvan  was – en is, want dit verschijnsel vigeert onverkort – manoeuvreerbaarheid voor de top die onderling schikt, plooit, accommodeert, overlegt, modereert, onderhandelt en schuift. Het politieke spel wordt niet gespeeld tussen kiezers maar tussen partijen, 'zonder dat de verkiezingen hierin veel verandering teweeg kunnen brengen'. 

    Het politieke spel wordt niet gespeeld tussen kiezers maar tussen partijen

    Het gevolg is een 'lauw conformisme', althans aan de top, want partijen combineren zakelijkheid in het topoverleg met ideologisering aan de basis. Deze karakterisering van de partijen is ook in de post-verzuilingtijd treffend. De koers van de partijtop wordt niet beïnvloed door het partijkader. De PvdA was lange tijd de enige Nederlandse partij waar leden formeel en zelfs feitelijk enige macht hadden. 

    Thans wordt er echter tegen slachtingen in de zorg, het knevelen van Griekenland, het bombarderen van Syrië en de introductie van tegenprestatie gedoopte proto-dwangarbeid al niet eens meer een rituele stem verheven. Ook lokaal hield Amsterdams VVD-wethouder Van der Burg het bij de onderhandelingen afhakende GroenLinks het advies voor: 'als je iets wilt bereiken, moet je ook rotdingen kunnen slijten aan je achterban.' Een partij bestaat uit enerzijds een achterban en anderzijds mensen die iets bereiken, dat althans willen en die hun ambitie najagen door zaken te slijten – aan de achterban.

    Passieve politici

    [2] De rol van het parlement sluit hierbij aan. Het parlement deelt weliswaar de wetgevende macht met het kabinet, maar interpreteert 'zijn rol zo passief (..) dat het wetgevend initiatief voor bijkans 100 procent bij de regering berust.' Passiviteit is hier geen psychologische predispositie, maar een politieke strategie. Daalder stelde in de vorige eeuw reeds dat parlementsleden niet langer meer een maatschappelijke carrière achter zich hebben, maar een politieke carrière ambiëren. Dat verschijnsel is alleen maar toegenomen. 

    Het Tweede Kamerlidmaatschap is een springplank om de eigen bestuurlijke loopbaan te lanceren. Het is de hoogste ambitie van menig volksvertegenwoordiger zich aan de politieke passiviteit te ontworstelen en Kroon of staat te representeren. Daalder schrijft daarover: 'Politiek en bestuur vertonen op tal van plaatsen een zo vloeiende overgang dat geen duidelijke scheiding bestaat tussen politieke leiding en bestuurlijke uitvoerders.' Nederlandse politici zijn ófwel bestuurders ófwel willen dat worden. En ministers gedragen zich als hoogste ambtenaar, oftewel als vertegenwoordiger van de staat. 

    [3] En daarmee wordt het staatsbegrip relevant, waarover Daalder noteert: 'Long tenure has made certain parties almost indistinguishable from the formal state apparatus.' Partijen zijn niet langer een vehikel voor de samenleving om de staat te beïnvloeden, maar een verlengstuk van de staat om de samenleving naar haar eigen beeld te scheppen. Dit werd eerder dit jaar manifest bij het Oekraïne-referendum. Ministers en Kamerleden droegen het standpunt uit van de staat en representeerden de staat vis-à-vis kiezers – en contesteerden dus niet namens de kiezers de staat. 

    De staat boven de politiek

    Hieruit spreekt een opvatting van de staat die boven de partijen staat – en daarmee losgemaakt is van de samenleving. Uiteraard weerhoudt dit politici er niet van lippendienst te bewijzen aan de kiezer die immers altijd gelijk heet te hebben. Daalder trapte daar niet in: 'Populaire stijl is meer hypocriete buiging naar het soevereine volk, die met werkelijke eenvoud van regeren of met een democratische ethos weinig van doen heeft'. Tussen verkiezingen maken politici zich dan ook minder druk om de kiezer. Dan nemen politici zogezegd hun verantwoordelijkheid. 

    Hieruit spreekt een opvatting van de staat die boven de partijen staat – en daarmee losgemaakt is van de samenleving

    Daarover stelt Daalder dan weer: 'Verantwoord en verantwoordelijk handelen is eerder de norm dan het afleggen van verantwoording aan anderen.' En inderdaad wordt in Nederland geen enkele uitvoerende functie direct gekozen. Dit sluit aan bij de historische omstandigheid dat reeds in de Republiek politiek conflict vooral factiestrijd was en de democratiseringsbeweging van de Bataafse Revolutie op niets uitliep want geaborteerd werd door de heroligarchiserende restauratie die in 1814 in Nederlands enige absoluut monarch uitmondde. Het 19e eeuwse parlement kwam er door pressie van burgerlijke elites en niet door volksagitatie. ‘Gezonde’ volksinvloed werd volgens Daalder weliswaar aanvaard, maar 'in essentie bleef regeren iets dat geschiedde voor het volk, en ten overstaan van het parlement'. 

    "Het 19e eeuwse parlement kwam er door pressie van burgerlijke elites en niet door volksagitatie"

    [4] Wie over politiek en staat spreken wil, kan er dus over de elite niet het zwijgen toedoen. Daalders elite-conceptie lijkt op Ewald Engelens figuur van een schaduwelite. Bij Daalder wordt het dat Nederland 'wel een eigen establishment [heeft], maar dat dit zich niet als zodanig laat zien, of althans wil laten zien, en dat het zich niet met overtuiging in de publieke politieke strijd begeeft, maar zich bewust-conformerend in afgeslotenheid isoleert.' De terughoudendheid van de elite past bij de permanente (noodzakelijke) onderlinge adaptatie tussen partijen, staat en bedrijfsleven. In Nederland vinden grootbedrijven, politici en ambtenaren elkaar bij het polderen, zoals conformisme in Nederland genoemd wordt.

    De rol van de pers

    [5] Uiteraard zou de media dit alles de burger onder het oog moeten brengen. Dat gebeurt evenwel enkel in de periferie van de journalistiek, als het al gebeurt. Over de media noteerde Daalder reeds: 'Veel journalisten, hoe geneigd ook tot oppositie en kritiek, zijn steeds meer gebiologeerd door de macht.' Thans is dit niet anders. Persberichten van staat, politie en ministeries worden letterlijk overgenomen – dikwijls met weglating van de bron, waarmee de rol van de staat als souffleur vervolmaakt is. 

    Kamerleden worden nog bejegend met een toon die een kritische houding moet suggereren, maar ministers wordt immer de kans geboden zich van hun beste kant te laten zien, al is het maar omdat de persvoorlichter er altijd bij is. De persvoorlichter die het interview kan stoppen en de journalist op de zwarte lijst van het ministerie kan doen belanden. Die persvoorlichter overigens is dikwijls een oud-journalist en mogelijk een oud-collega, wiens lucratieve nieuwe baan die de vele interviewers kennelijk niet onaantrekkelijk toeschijnt. Zij zullen later ook persvoorlichter blijken te zijn geworden. Dit laatste is overigens een in Daalders tijd nog ongekend fenomeen. Er verandert dus toch soms iets.

    De Nederlander is altijd een Batavus Droogstoppel, maar droomt er soms nog van een Max Havelaar te zijn

    Overigens verandert er evenwel maar weinig. Ook thans valt de politieke cultuur te karakteriseren met de steekwoorden passieve achterban, over bestuurdersbanen fantaserende parlementariërs, conformistische bestuurders, een schaduwelite, een als losgemaakte entiteit gedachte staat en een slappe media. Uiteraard is sinds 1992 (invoering euro) en de daarop volgende fiscale pacts Nederland monetair-fiscaal een Duitse buitenprovincie geworden. Daalder heeft daarover weinig kunnen noteren. Wat hij genoteerd zou hebben, zou mogelijk niet veel afwijken van wat hij stelde over het naoorlogse Nederlands buitenlandse beleid: 'Wat Nederland als ‘actieve buitenlandse politiek’ zag, moet een staat als Amerika dan ook veelal onverschillig gelaten hebben'. Ook de invloed die Nederland meent te hebben in de EMU, blijft in de rest van Europa onopgemerkt. Toch zijn de debatten over buitenlandse en Europese zaken nog het felst, niet ondanks dat het geen enkel gevolg heeft, maar deswege. De Nederlander houdt niet van idealen, behalve als ze niets kosten, dan kan hij er geen genoeg van krijgen.

    Conformisme zat en zit de Nederlander in het bloed, heroïek bewaart hij voor die aangelegenheden dat het zonder consequenties blijven zal. De Nederlander is altijd een Batavus Droogstoppel, droomt er soms nog van een Max Havelaar te zijn, maar zal hooguit in staat blijken dat verlangen zelf te ontleden. Dat Daalder tot de zeldzame laatste categorie behoorde, daaraan past geen twijfel. 

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    David Hollanders

    Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.

    Volg David Hollanders
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren