Shell en energiebedrijf Eni (Italië) kochten samen olieveld OPL 245 in Nigeria

Shell en energiebedrijf Eni (Italië) kochten samen olieveld OPL 245 in Nigeria © Carl Court, Marco Bertorello / AFP

Moet Shell alsnog voor de rechter komen voor misschien wel de grootste corruptiezaak ooit? Die vraag staat centraal in een nieuwe procedure die anti-corruptieorganisaties hebben aangespannen. Ze willen dat het concern verantwoording aflegt voor de aankoop van een olieveld in Nigeria.

Dit stuk in 1 minuut
  • Drie internationale organisaties tegen corruptie eisen dat het Nederlandse Openbaar Ministerie het olieconcern Shell alsnog vervolgt wegens vermeende corruptie in Nigeria. 
  • In 2011 betalen Shell en de Italiaanse oliemaatschappij Eni 1,3 miljard dollar voor een Nigeriaans olieveld. Hiervan verdwijnt het grootste deel naar lokale zakenlieden, ambtenaren en politici. Een van hen is Dan Etete, de voormalige minister voor Oliezaken. 
  • Wanneer Etete enkele jaren daarna verwikkeld raakt in een rechtszaak komen allerlei details naar buiten over mogelijk corrupte praktijken rond de transactie met het olieveld. In reactie daarop beginnen opsporingsdiensten in Italië en Nederland strafrechtelijke onderzoeken, waarvoor de Fiod op het hoofdkantoor van Shell computers meeneemt en justitie telefoongesprekken afluistert van onder anderen Shell-topman Ben van Beurden. 
  • In Milaan staan dertien topmensen van Shell en ENI terecht op verdenking van corruptie, maar in maart 2021 besluit de rechter tot vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. Het Openbaar Ministerie in Nederland meldt in juli van dit jaar de zaak tegen Shell te seponeren en af te zien van verder onderzoek. 
  • Drie anti-corruptieorganisaties vragen nu het gerechtshof in Den Haag het Openbaar Ministerie opdracht te geven toch tot vervolging over te gaan.
Lees verder

De geschiedenis van het Nigeriaanse olieveld OPL 245 leest als een thriller. Een corrupte olieminister, oud-agenten van de Britse inlichtingendienst MI6 die in opdracht van olie- en gasgigant Shell lijntjes uitgooien naar lokale politici en bestuurders, sporttassen vol geld waarmee mannen rondsjouwen in de hoofdstad Abuja, en koortsachtige mailwisselingen om een miljardendeal. 

Wat vaststaat is dat het merendeel van de 1,3 miljard dollar die Shell en het Italiaanse oliebedrijf Eni in 2011 betaalden voor het bewuste olieveld, zijn weg vond naar tientallen corrupte Nigeriaanse ambtenaren en politici, onder wie waarschijnlijk de voormalige president Goodluck Jonathan. 

De huidige Nigeriaanse overheid – die schoon schip wil maken – en anti-corruptieorganisaties vinden dat beide oliebedrijven hiervoor (mede) verantwoordelijk zijn en verantwoording moeten afleggen voor de strafrechter. 

‘Er zijn overweldigende aanwijzingen voor criminele handelingen’

Shell stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is voor een strafrechtelijk onderzoek naar zijn medewerkers. ‘Shell is een integer bedrijf en wij werken er elke dag hard aan om ervoor te zorgen dat onze acties niet alleen naar de letter en de geest van de wet zijn, maar ook voldoen aan de bredere verwachtingen die de samenleving van ons heeft,’ aldus een persverklaring in 2021. 

Het Nederlandse Openbaar Ministerie zag aanvankelijk voldoende aanleiding voor een strafzaak, maar maakte in juli bekend daarvan af te zien. 

Drie internationale anti-corruptieorganisaties – ReCommon, The Corner House en Heda – startten daarom in oktober een procedure bij het gerechtshof in Den Haag. Ze willen dat het OM wordt gedwongen Shell alsnog strafrechtelijk te vervolgen.

Olieveld in zee

De heilige graal in dit verhaal is een stuk zeebodem voor de kust van Nigeria, ter hoogte van de Nigerdelta in de Golf van Guinee. Het is een zogeheten ‘blok’ ter grootte van ruim 1900 vierkante kilometer, zo’n beetje de omvang van de provincie Noord-Holland. Hier bevindt zich een oliemeer van zo'n 460 miljoen vaten. Die zouden tegen de huidige prijs van een vat bonny light zo’n 38 miljard dollar opleveren. 

In 1998 kwam het blok – ‘OPL 245’ – voor 2 miljoen dollar in handen van Dan Etete, de toenmalige minister voor Oliezaken in de regering van de corrupte dictator Sani Abacha. 

Etete verkocht zichzelf simpelweg een vergunning voor ontginning van het veld. Daarvoor startte hij vijf dagen voor de aankoop van het blok het bedrijf Malabu Oil & Gas, met hemzelf – onder een schuilnaam – als grootste aandeelhouder. Een andere aandeelhouder was Mohammed Abacha, zoon van de toenmalige dictator.

Shell kreeg in maart 2001 40 procent van de aandelen in het olieveld in handen, als mede-eigenaar naast Malabu Oil & Gas. Maar al een paar maanden daarna trok een nieuwe, democratisch gekozen regering Etetes vergunning in – het startpunt voor een jarenlange juridische strijd tussen Etete, Shell en de Nigeriaanse staat. 

De partijen begonnen in 2009 nieuwe gesprekken over ontginning van OPL 245, nu ook met Eni, een Italiaans oliebedrijf waaraan Shell zich inmiddels had verbonden. 

‘Business principles’

Maar rechtstreeks contact probeerde Shell te vermijden. Etete was in 2007 in Frankrijk bij verstek veroordeeld voor het witwassen van geld, en Malabu Oil & Gas was voorwerp van internationale onderzoeken naar ‘witwasserij en andere illegale activiteiten’. 

Zakendoen met een bedrijf als Malabu zou ertoe kunnen leiden ‘dat we serieuze kwesties krijgen met onze eigen business principles’, schreef een Shell-medewerker aan zijn hoofdkantoor in Den Haag. 

Om schone handen te houden, huurde Shell twee Britse voormalige MI6-agenten in, die jarenlang in Nigeria hadden gewerkt. Zij moesten de contacten onderhouden met Etete en andere Nigerianen.

Om op papier afstand te houden verzonnen juristen een constructie met een derdenrekening

Shell-juristen verzonnen een constructie om ook op papier zo veel mogelijk afstand te houden: de koopsom voor exploitatie van het olieveld zouden Shell en Eni niet rechtstreeks aan Etete betalen, maar overschrijven naar een zogeheten derdenrekening bij JP Morgan. Die bank zou dan, op aanwijzing van vertegenwoordigers van de Nigeriaanse staat, het geld overmaken aan Etete. Met een zogenoemde ‘resolutie-overeenkomst’ tussen Shell, Eni, Malabu en de Nigeriaanse staat werden alle juridische procedures stopgezet.

Op 20 mei 2011 maakten Shell en Eni 1,3 miljard dollar over naar de derdenrekening bij JP Morgan. Daarvan stroomde 875 miljoen dollar naar verschillende rekeningen op naam van Dan Etete. Slechts 210 miljoen dollar ging naar de Nigeriaanse overheid. 

Uit later gelekte documenten bleek dat de 875 miljoen van Etete zijn gebruikt voor het afkopen van politici, ambtenaren en privépersonen. Een deel werd omgezet in lokale naira en letterlijk met sporttassen tegelijk uit wisselkantoortjes naar buiten gedragen. 

In het strafdossier zit een ‘stroomschema’ waarop is te zien wat er ervan is gekocht: kantoorgebouwen in Abuja, een winkelcentrum in Dubai, vijf Mercedessen in de c-klasse, twee Range Rovers en drie Chevrolet-busjes, een gepantserde Cadillac en een vliegtuig (Bombardier Global 6000) van 56,7 miljoen dollar.

‘Kickbacks’

De zaak kwam aan het rollen toen twee door Etete ingehuurde tussenpersonen hun beloofde betalingen niet ontvingen: een voormalige Russische ambassadeur, die een arbitragezaak begon in de Verenigde Staten, en de Nigeriaanse zakenman Emeka Obi, die in Londen zijn geld opeiste voor aan Etete verleende diensten. 

Tijdens die rechtszaak praatte Obi honderduit en allerlei details kwamen op straat te liggen. Zo vertelde hij onder meer over zogeheten kickbacks, smeergeldbetalingen van Eni aan Etete die via een omweg naar individuele Eni-directeuren waren teruggevloeid. De rechter wees hem uiteindelijk 120 miljoen dollar toe. 

Duizenden interne mails van Shell lekten uit naar de pers 

Obi’s beweringen waren voor het Openbaar Ministerie in Italië aanleiding voor een onderzoek, in nauwe samenwerking met collega’s in Nederland. Dit leidde in februari 2016 tot een inval door de Fiod op het hoofdkantoor van Shell in Den Haag. Daar namen de rechercheurs onder meer computers in beslag. 

Duizenden mails belandden in het Italiaanse strafdossier en lekten later uit naar de pers. Rechercheurs luisterden de telefoon af van ceo Ben van Beurden, en ook die tapgesprekken werden openbaar. In een van de getapte gesprekken heeft Van Beurden het met cfo Simon Henry over ‘niet behulpzame e-mails’ over ‘wie wat betaald zou krijgen’. Hij noemde de verhalen over corruptie ‘cafépraat’. 

De Italiaanse openbare aanklager Fabio de Pasquale ging voortvarend te werk. Na twee jaar onderzoek startte in mei 2018 in Milaan de openbare zittingen. Dertien hooggeplaatste medewerkers van Eni en Shell (maar niet ceo Van Beurden) verschenen voor de rechter. Hun advocaten ontkenden enige betrokkenheid bij corruptie in Nigeria. 

Vrijspraak

Na bijna drie jaar en tientallen zittingen kwam de Italiaanse rechter in maart 2021 tot volledige vrijspraak van alle verdachten. Dit tot ontzetting van de huidige Nigeriaanse regering en van de anti-corruptieorganisaties die hadden aangedrongen op een strafproces. 

Waarom vrijspraak? De rechters vonden de bewijzen voor corruptie onvoldoende stevig: er waren alternatieve verklaringen mogelijk.

Voor een voorbeeld moeten we diep in de zaak duiken, naar augustus 2010, de eindfase van de onderhandelingen over de concessie van het olieveld.

Op 23 augustus 2010 schreef Peter Robinson, op dat moment een Shell-manager in Nigeria, in een e-mail aan het hoofdkantoor Den Haag: ‘Hier is de opinie dat de president [Goodluck Johnson, red.] gemotiveerd is om de deal rond OPL 245 snel rond te krijgen – gedreven door verwachtingen over de opbrengsten die Malabu zal ontvangen en de politieke bijdragen die hieruit voortvloeien. Dit vereist een snelle oplossing.’ 

‘De rechter legde de lat onmogelijk hoog om internationale corruptie te kunnen bewijzen’

Volgens de Italiaanse openbare aanklagers was deze mail een duidelijke aanwijzing voor het feit dat Shell willens en wetens meedeed aan corruptie.

Maar de rechtbank ging mee in het verweer van Shell. Manager Robinson zou in de mail slechts een plaatselijk gerucht hebben verwoord. En ‘politieke bijdrage’ sloeg volgens de rechtbank op de gunstige invloed die de deal kon hebben op de verkiezingscampagne van de president. Als het olieveld in productie werd genomen, moesten Eni en Shell immers in Nigeria belasting betalen over de inkomsten.

Zo zijn er meer voorbeelden van bewijzen die de Italiaanse rechtbank te mager achtte. Dat Dan Etete in 1998 het olieveld voor een appel en ei in handen kreeg? Niets aan de hand, omdat niemand ten tijde van de overeenkomst bezwaren maakte. Dat ook een voormalige minister van Justitie smeergeld kreeg? Die had nog geld tegoed voor allerlei juridische klussen die hij eerder had gedaan.

‘Vreselijk precedent’

De anti-corruptieorganisaties reageerden verbijsterd. Volgens hen was belangrijk bewijs genegeerd of als onbelangrijk afgedaan zonder duidelijke redenen, en legde de rechter de lat ‘onmogelijk hoog’ om internationale corruptie te kunnen bewijzen. Ze noemden de uitspraak ‘een vreselijk precedent voor de wereldwijde strijd tegen corruptie en de mogelijkheid om oliemaatschappijen verantwoordelijk te houden voor hun daden’.

Steun in hun rug is een rapport uit oktober van dit jaar, van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het samenwerkingsverband van de 38 meest welvarend landen van de wereld. Dat maakt eveneens gehakt van het vonnis van de rechtbank in Milaan. 

De werkgroep tegen corruptie van de OESO wijst in het rapport op interne e-mails, waaruit zonneklaar zou blijken dat Shell zich ervan bewust was dat het geld voor olieveld OPL 245 deels was bedoeld voor omkopen van ambtenaren en politici.

De interpretatie van de rechtbank was volgens de OESO in strijd met het anti-corruptieverdrag 

Shell-medewerkers schreven volgens de werkgroep zonder terughoudendheid over het gegeven dat een deel bij oud-minister Dan Etete zou blijven, en dat de rest werd gebruikt ‘om mensen af te betalen’. 

De interne mailwisselingen van Shell maken volgens de werkgroep duidelijk dat de toenmalige Nigeriaanse regering erop gericht was om ‘veel geld in de richting van de president (Jonathan Goodluck, red.) te krijgen als onderdeel van de transactie’. De werkgroep vindt het dan ook onbegrijpelijk dat de Italiaanse rechter van mening was dat Shell en Eni niets te verwijten valt. 

Die rechter stelde zich op het standpunt dat de oliebedrijven niet verkeerd hadden gehandeld, zelfs niet als ze vooraf wisten wat er met hun geld zou gebeuren. Ze waren immers niet betrokken bij de oorspronkelijke afspraken over het omkopen van ambtenaren. Om aansprakelijk te zijn, hadden ze de deal moeten sluiten in het volle bewustzijn dat er steekpenningen werden betaald.

Deze interpretatie is volgens de OESO-rapporteurs in strijd met artikel 1 van het anti-corruptieverdrag. Daarin staat dat eenieder die direct of via een tussenpersoon voordeel geeft aan een buitenlandse overheidsbeambte zich schuldig maakt aan corruptie. 

Nog meer kritiek van de OESO

In een rapport uit oktober 2020, over de naleving van het anti-corruptieverdrag door Nederland, uit de OESO zijn ‘serieuze zorgen’ over een klokkenluidersaffaire op de Nederlandse ambassade in de vroegere Nigeriaanse hoofdstad Lagos. Die affaire hield ook verband met het OPL 245-olieveld. 

De Brits-Nigeriaanse beleidsadviseur Fidelia Onoghaife luidde in 2018 de noodklok over de nauwe banden tussen Shell en de toenmalige ambassadeur Robert Petri. Eind 2017 had Petri een lokale directeur van Shell geïnformeerd over een naderend bezoek van Fiod-rechercheurs in verband met het onderzoek naar OPL 245. Den Haag riep na Onoghaife’s melding ambassadeur Petri terug voor een bureaufunctie op het ministerie. Zaak gesloten, zou je denken. 

Maar daar bleef het niet bij. Het ministerie schorste Onghaife en ze werd in juli 2019 ontslagen. Volgens Buitenlandse Zaken functioneerde de vrouw al langer niet goed en was er sprake van een arbeidsconflict. 

Onoghaife stapte naar de rechter, volgens haar hield haar ontslag verband met haar melding over Petri. De rechter was het met haar eens, zo luidde het oordeel in september 2020. Ze had juist ‘een realistisch klokkenluidersrapport’ geschreven. De Nederlandse staat moest Onoghaife een schadevergoeding betalen van ongeveer twee jaarsalarissen.

Inmenging Grapperhaus

En er is nóg een kwestie waar de OESO vraagtekens bij zet: de bemoeienis van oud-minister Ferd Grapperhaus met het OPL 245-dossier.

In maart 2020 publiceerde Follow the Money een artikel over via de Wob verkregen documenten die duidelijk maakten dat de toenmalige minister van Justitie zich al in een vroeg stadium en op eigen initiatief bij het Openbaar ministerie ging bemoeien met OPL 245. Dat gebeurde onder meer in gesprekken in het bijzijn van een lid van het college van procureurs-generaal, de toenmalige hoofdofficier van het landelijk parket en de waarnemend hoofdofficier van het functioneel parket.

Op basis van de Wob-stukken – waarvan grote delen zijn zwart gemaakt – is alleen te zien wie er aanwezig waren. De inhoud van de gesprekken bleef vaak onduidelijk. Wel bleek dat er met Grapperhaus was gesproken over een mogelijke schikking met Shell.

Pikant was dat de minister de schijn ophield op grote afstand van het onderzoek te staan

Pikant was dat Grapperhaus daarna tegenover advocaat Barbara van Straaten in een brief de schijn ophield op grote afstand van het onderzoek te staan. ‘Gezien de bovengenoemde scheiding der machten is het niet gewenst dat ik op dit moment enige betrokkenheid heb of enige observatie deel over deze zaak.’ 

Toen duidelijk werd dat Grapperhaus een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven, probeerde hij de kwestie te sussen. Hij noemde OPL 245 ‘een gevoelige zaak’, het OM had hem alleen maar geïnformeerd, dat wat was iets heel anders dan ‘bemoeienis mijnerzijds’. En gesprekken over ‘gevoelige strafzaken’ konden volgens hem plaatsvinden op zowel het initiatief van het OM als van hemzelf. 

Advocaat Van Straaten nam geen genoegen met deze antwoorden en de beperkte openbaarmaking van de stukken en procedeerde door om alsnog volledige inzage te krijgen. De rechtbank komt in deze zaak waarschijnlijk begin volgend jaar tot een uitspraak.

Lees verder Inklappen

De Pasquale, de Italiaanse openbaar aanklager, liet het er niet bij zitten. In juni 2021 kondigde hij aan tegen de vrijspraak in beroep te gaan – maar zover komt het niet. Hij en zijn collega-aanklager Sergio Spadoro werden zelf gedaagd bij de rechtbank in Brescia omdat ze ontlastend bewijs zouden hebben achtergehouden. Ze moesten hun werk aan de OPL 245-zaak in Milaan neerleggen. 

Daar zakte de zaak snel in, zonder De Pasquale, toch de motor achter het Italiaanse onderzoek. In juli van dit jaar besloten zijn collega’s van het Openbaar Ministerie af te zien van het doorzetten van een hoger beroep. 

De nieuwe openbare aanklager, Celestina Gravina, kon het niet nalaten sneren uit te delen. Zij verklaarde dat De Pasquale met zijn kruistocht ‘de neokoloniaal’ had uitgehangen, die Nigerianen het recht wil ontzeggen met hun geld te doen wat ze willen. Ook stelde ze dat oliemaatschappijen als Shell en Eni mede aan de basis stonden van ‘de nieuwe rijkdom’ in een land als Nigeria.

Verschoningsrecht

In Nederland verliep het onderzoek een stuk trager. Pas in 2019 kwam het Openbaar ministerie tot de conclusie dat er sprake was van ‘vervolgbare strafbare feiten’. Het liet op dat moment in het midden of het daadwerkelijk tot vervolging overging, of dat er een schikking werd getroffen. 

Maar daarna liep de zaak vast. Belangrijkste reden: een procedure van Shell tegen een strafrechtelijk onderzoek dat gebruikmaakt van de e-mails die bij de inval door de Fiod in beslag zijn genomen. 

Want, zo betoogde Shell bij de rechter, veel van die mails zijn geschreven door zogeheten in house-juristen, die net als advocaten hun werk in vertrouwelijkheid moeten kunnen doen. Ze mogen daarom, volgens Shell, gebruikmaken van hun verschoningsrecht.

Shells beroep op vertrouwensfunctie van zijn advocaten zorgde voor jarenlange vertraging

De procedure zorgde voor jarenlange vertraging en diende tot aan de Hoge Raad. Die verklaarde de zaak in mei van dit jaar niet-ontvankelijk, maar verschafte wel algemene regels over het verschoningsrecht voor bedrijfsjuristen. Wat de consequenties daarvan zijn voor Shell is onduidelijk. 

Het zou ook niet veel uitmaken: in juli 2022 besloot het Openbaar Ministerie af te zien van verdere vervolging van Shell. Het verwees daarbij naar het zogenaamde ne bis in idem-beginsel, dat inhoudt dat een verdachte nooit twee keer kan worden vervolgd voor hetzelfde feit. 

En in Italië was Shell immers al vrijgesproken van corruptie. Ceo Ben van Beurden reageerde opgetogen met een persbericht: ‘We zijn blij met de beslissing van de rechtbank in Milaan vandaag. We hebben altijd gesteld dat de schikking van 2011, die bedoeld was om een tien jaar durend juridisch geschil op te lossen en de ontwikkeling van het OPL 245-blok mogelijk te maken, wettig was.’

Laatste kans tegen Shell

Toch is voor Shell de zaak in Nederland nog niet voorbij. ReCommon, The Corner House en Heda – de anti-corruptieorganisaties met een sleutelrol in de OPL 245-zaak – laten het hoofd niet hangen.

Op 19 oktober zijn de drie organisaties een zogeheten ‘artikel 12-procedure’ gestart: ze vragen het Hof in Den Haag het OM-besluit om het strafonderzoek naar Shell te seponeren ongedaan te maken. Dat Shell zijn hoofdkantoor inmiddels naar Londen heeft verhuisd, is volgens strafrechtadvocaat Barbara van Straaten geen beletsel om het concern in Nederland te vervolgen. 

Van Straaten vindt dat het OM zich er met zijn sepot te gemakkelijk vanaf heeft gemaakt. Op grond van het ne bis in idem-beginsel is Shell niet meer te vervolgen voor corruptie bij het verkrijgen van het olieveld. Dat klopt, zegt ze. Maar in de oorspronkelijke aangifte van de anti-corruptieorganisaties, in 2017, ging het óók om bedrog, deelneming aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan witwassen. Daarnaast was die aangifte gericht tegen andere Shell-medewerkers dan die terechtstonden in Italië, zoals de voormalige ceo Peter Voser, topman German Burmeister, de voormalige cfo Simon Henry en Ben van Beurden. 

Antonio Tricarico van ReCommon hoopt dat de artikel 12-procedure ertoe leidt dat het gerechtshof het OM opdraagt alsnog tot vervolging over te gaan. ‘Er zijn overweldigende aanwijzingen dat er wel degelijk criminele handelingen zijn verricht,’ zegt hij. ‘De rechtsstaat vereist dat vervolgbare misdaden worden vervolgd. We dringen er bij het Nederlandse Openbaar Ministerie op aan zich in te zetten voor gerechtigheid.’