Het Centraal Planbureau in Den Haag (2014).
© ANP/Lex van Lieshout

CPB maakt politieke partij tot knecht van de overheid

Het Centraal Planbureau (CPB) biedt politieke partijen sinds 1986 de mogelijkheid om de economische gevolgen van hun verkiezingsprogramma’s door te rekenen. Inmiddels is die doorrekening een vanzelfsprekend onderdeel van de verkiezingscampagne. Vanzelfsprekend, maar ook ongepast.

Het Centraal Planbureau in Den Haag is een economisch onderzoeksinstituut van de overheid. Zijn ramingen vormen de ‘officiële grondslag’ voor de Rijksbegroting en op verzoek van de kabinetsformateur analyseert het Planbureau ook coalitieakkoorden. Politieke partijen die daar prijs op stellen, krijgen van het CPB een doorrekening van hun verkiezingsprogramma. Morgen presenteert het Planbureau zijn doorrekeningen voor de Tweede Kamerverkiezingen op 17 maart. Want dat is ‘nuttig’ vanwege ‘de onderlinge vergelijking tussen partijen en het concretiseren van verkiezingsbeloften’, aldus het CPB.

Het is begrijpelijk dat de overheid een eigen economische divisie heeft, maar deze keuring van politieke partijen is een Umwertung aller Werte. Politieke partijen zijn bedoeld om de demos te vertegenwoordigen tegenover de staat. Zeker in verkiezingstijd dienen zij de staat te evalueren – niet andersom. 

De CPB-keuring van politieke partijen is een Umwertung aller Werte want daardoor valt er niks meer te kiezen

Doorrekenen is daarom principieel ongepast maar blijkt ook in de praktijk onbevredigend vanwege de eenzijdige wetenschapsopvatting van het CPB. Het Planbureau steunt op arbeidsaanbodeconomie en steriliseert daarmee de verkiezingen. De doorrekening reduceert politiek tot wat redelijk is – of lijkt – of wat van staatswege als zodanig wordt gepresenteerd. 

Als het aan het Planbureau ligt, valt er bij verkiezingen namelijk niets te kiezen. Althans, de CPB-keurmeesters verwerpen bijvoorbeeld voorstellen voor hogere minimumlonen en hogere onderwijsuitgaven, en voorstellen voor bestrijding van belastingontduiking en aardopwarming.

Puberaal

Dat partijen de CPB-uitkomsten vervolgens bekritiseren, maakt dat niet anders. Zo sparen zij feitelijk de kool en de geit. Ze leggen kiezers een gedurfd programma voor, maar geven tegelijkertijd het signaal dat zelf niet al te serieus te nemen door het voor te leggen aan een instituut dat hun programma zal afkeuren. 

Zo combineren met name GroenLinks en de SP al jaren kritiek op de rekendans met hun (betaalde) deelname eraan. De SP organiseerde in 2016 het debat CPB: objectieve scheidsrechter of neoliberale thuisfluiter? Jesse Klaver schreef in de Mythe van het economisme (2015) dat de ‘economische aannames en modellen van het CPB’ de politieke speelruimte bepalen waardoor ‘de marges waarin je politiek bedrijft smal’ zijn. De partijen laten onbenoemd dat zij vrijwillig aan de doorrekening deelnemen. Je laten jureren door de staat is eigenlijk al onvolwassen, maar daar dan weer tegen ageren is puberaal.

De PvdD en BIJ1 onderwerpen zich dan ook niet aan jurering door het CPB en houden dat hopelijk vol als regeringsdeelname ooit mocht lonken. Het doorrekenen van verkiezingsprogramma's door het CPB is namelijk per definitie niet democratisch omdat de doorrekenende partij niet los kan worden gezien van haar positie. Het CPB valt onder (de begroting van) het ministerie van Economisch Zaken en is daarmee niet neutraal. Zelfs als het CPB andere perspectieven (bijvoorbeeld het keynesiaanse) meer ruimte zou geven, is doorrekenen principieel onwijs.

Maar eerst de eenzijdige wetenschapsopvatting. Het CPB bedient zich van eenzijdige theorieën en hoewel menig econoom daar de afgelopen decennia op wees, is er niets mee gedaan. Het CPB verlaat zich al lang op de aanbodeconomie – ook in de vier nota’s Kansrijk arbeidsmarktbeleid, die de basis vormen van de doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s. Belangrijke aanname daarin is dat werkloosheid wordt opgelost door het prijsmechanisme, oftewel door het loonmechanisme, oftewel door loonmatiging

Productiviteitstijgingen komen dus de bedrijven ten goede, niet de werknemers. Journaliste Mirjam de Rijk schreef in 2018 in De Groene Amsterdammer: ‘Wie voor zijn inkomen afhankelijk is van arbeid ging er de afgelopen 25 jaar nauwelijks op vooruit, terwijl kapitaalbezitters het geld binnen zien stromen.’ Daarnaast gaat het CPB ervan uit dat werkloosheid wordt bestreden door vergroting van het zogenoemde menselijk kapitaal. Het is dus een staatstaak om mensen zonder vermogen of zonder betaald werk ‘werknemersvaardigheden’ aan te kweken en te ‘prikkelen’. Daarom moeten in 2021 bijstandsgerechtigden de geldwaarde van door ouders geschonken boodschappen overmaken aan de staat, vermeerderd met een boete omwille van ‘de prikkel’. 

Aanbodeconomie maakte opgang in de jaren tachtig. Het was de schijnbaar wetenschappelijke onderbouwing van het ‘neoliberaal’ genoemde project om prioriteit te verlenen aan de belangen van (exporterende) grootbedrijven. Vakbonden sloten zich daar in 1982 bij aan in het Akkoord van Wassenaar. Ze accepteerden lagere lonen (loonmatiging) in ruil voor arbeidstijdverkorting, waarbij dat laatste overigens niet geheel doorgevoerd is. Onbetaald overwerk nam toe.

Exotisch fenomeen

Aanbodeconomie sloot destijds ook goed aan bij de mathematisering van de economische wetenschap. Wiskundige modellen zijn alleen bruikbaar als veel zaken buiten beschouwing worden gelaten. Aanbodeconomie negeert (geo)politiek, belastingontduiking, vraaguitval, huizenbubbels, de schuldencrises. Het prijsmechanisme is de alfa en de omega, loonsverlaging het eeuwige recept. Een (krediet)crisis wordt ‘gemodelleerd’ als een exotisch fenomeen dat het economische systeem tijdelijk van de stabiele normaaltoestand (zijn vermeende evenwicht) doet afwijken. 

Geïnformeerd door aanbodeconomie bood het CPB in 1986 politieke partijen aan te worden ‘doorgerekend’ en de grote waren meteen akkoord. Sindsdien moeten de CPB-analyses van verkiezingsprogramma’s de demos – kiezers, journalisten – overtuigen van de noodzaak van ‘loonmatiging’, ‘hervormingen’ en ‘ombuigingen’. En wie niet overtuigd is, is in elk geval in het defensief gedrongen, die moet uitleggen waarom hij het beter denkt te weten dan de ‘rekenmeesters’ van het CPB. 

Econoom Sweder van Wijnbergen stelde al in 1996 in het boek Telgen van Tinbergen dat het CPB ‘de discussie de nek omdraait. Volkomen ten onrechte hebben ze het aura van “wij geven het antwoord”. Ze doen dat op basis van modellen waarvan niemand meer goed begrijpt hoe ze werken. We weten alleen dat ze voor grote veranderingen het verkeerde antwoord geven en voor kleine veranderingen zijn ze niet relevant.’

"CPB-modellen zijn gebaseerd op een benaderingswijze die achterhaald is maar die het debat wel doodslaat"

Inderdaad voorspelt het CPB omslagen immer slecht. Zo kwam de groeiprognose voor 2008 (+1,25 procent) niet uit; het werd -3,8 procent. Die misser stond niet op zichzelf. Politicoloog Henk-Jan van Alphen schreef in NRC Handelsblad: ‘Het CPB zat er de afgelopen dertig jaar vrijwel altijd naast. Van de 37 voorspellingen waren er slechts 3 correct. 22 keer voorspelde het CPB de groei te laag en 14 keer te hoog. Vooral bij omslagen in de conjunctuur laat het CPB het afweten. Zo voorspelde het CPB 7 keer een toename van de groei, terwijl deze in werkelijkheid afnam. Omgekeerd voorspelde het CPB 4 keer een afname van de groei, terwijl deze juist toenam.’ 

Hoe het ook zij, nog altijd relevant is deze overweging van Van Wijnbergen: Dat de CPB-modellen ‘zijn gebaseerd op een benaderingswijze die achterhaald is maar die het debat wel doodslaat’. Hij geeft ook een overtuigend voorbeeld: ‘Je ziet dat bij het debat over de arbeidsmarkt, waar we al vijftien jaar lang volkomen vastgelopen zijn door de gedachte dat lonen genivelleerd en laag gehouden moeten worden. De werkloosheidscijfers maken duidelijk dat die strategie niet gewerkt heeft, maar dat is de benadering die uit het CPB-model rolt. De dictatuur van het Planbureau heeft dus veel te maken met dat aanhoudende probleem. Politici troeven elkaar af met de vijf banen meer die hun programma creëert volgens het Planbureau. Het is absurd. Iedere econoom die enigszins afstand kan nemen, zegt dat dit onzin is.’

Economische schoonheidswedstrijd

Afstand nemen? Dat is lastig in het kleine Nederland. Van Wijnbergen zei het toen al: ‘Je loopt het risico dat je gecoöpteerd wordt, dat je je kritische houding laat varen uit angst uit de “inner circle” te vallen. Als je nu een kritisch stuk schrijft, wordt men kwaad op je.’ 

Er waren en zijn wel kritische economen (Wiemer Salverda, Harrie Verbon, Eduard Bomhoff, Arjo Klamer, Alfred Kleinknecht, Dirk Bezemer – Sweder van Wijnbergen zelf) maar hun waarschuwingen verleidden politieke partijen nimmer tot de slotsom dat het ongepast is deel te nemen aan de economische schoonheidswedstrijd van het CPB.

Coöptatie is niet het enige probleem. Econoom Arnold Heertje stelde ook in 1996 dat veel jonge economen goed zijn op een beperkt gebied ‘maar (ze) hebben absoluut geen overzicht van het vak’. De economie wordt nog steeds voorgesteld als permanent tenderend naar evenwicht, waarbij de econometrische wetenschap die evenwichtstendensen zichtbaar dient te maken. De economieopleiding is daarmee een goede leerschool voor het ministerie van Financiën of het CPB, wat evenwel niet gelijk staat aan begrip van politieke economie. Zoals Hayek zei: ‘He who is only an economist cannot be a good economist.’

CPB negeert ook vraaguitval

De wetenschappelijke kritiek is nog altijd relevant. Zo volhardt het CPB ook in het negeren van vraaguitval. De werkloosheid na 2010 in Nederland, en in andere eurolanden, werd niet veroorzaakt door verminderd arbeidsaanbod of door prikkelafname. Ze werd veroorzaakt door vraaguitval, die weer het directe gevolg was van imploderende banken, teruggeschroefde consumptie en investeringen, gevolgd door bezuinigingen.

Het CPB ondersteunde evenwel de bezuinigingsmaatregelen in Nederland (en daarbuiten). Dat laatste gold uiteraard ook voor de constructief genoemde oppositie. Ook de door de covid-maatregelen geïnduceerde werkloosheid heeft niets uit te staan met de aanbodkant van de arbeidsmarkt. Ze is een direct gevolg van (de uiteraard beoogde) vraaguitval door winkelsluitingen en verminderende (economische) activiteit.

Lees verder Inklappen

Toch continueert het CPB de in de jaren tachtig en negentig ingezette neoklassieke koers. Daarvan getuigt zijn recente reeks Kansrijk arbeidsmarktbeleid, die ‘als input [kan] dienen voor politieke partijen bij het opstellen van hun verkiezingsprogramma, uiteraard staat het partijen vrij om ook beleidsopties in te dienen die niet in Kansrijk besproken zijn’. 

Verhoging van de AOW-leeftijd en een ‘arbeidsafhankelijke’ AOW zijn ‘kansrijk’. Dat laatste zou dan een ‘prikkel met zich mee kunnen brengen tot arbeidsparticipatie en het verwerven van inkomen tijdens de loopbaan en leidt dus [..] tot extra arbeidsaanbod en daarmee op lange termijn tot een hogere werkgelegenheid.’ Minimumloonverhoging zou daarentegen voeren tot werkloosheid, waarbij ‘het effect op de werkgelegenheid [...] duidelijk af [neemt] als de uitkeringen niet mee verhoogd worden’. Deze aanbevelingen waren altijd al betwistbaar, maar in deze crisis zijn ze bespottelijk. 

Op een ander terrein toont het CPB wel voortschrijdend inzicht. Actief arbeidsmarktbeleid (‘prikkelen’ van mensen zonder werk en vermogen) heeft volgens het CPB geen noemenswaardig werkgelegenheidseffect. De verplichte ‘tegenprestatie’ in de bijstand kan dus worden afgeschaft, althans als het doel daarvan werkgelegenheid is en niet disciplinering. Dit lichtpunt biedt evenwel geen compensatie voor het negeren van vraaguitval.

Verlengstuk van Financiën

Nu, het is niet ondenkbaar dat het CPB de modellen ooit minder eenzijdig maakt. Maar zelfs als dat zou gebeuren, zijn de doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s ongewenst. Als eerder gezegd: Het CPB is principieel niet onafhankelijk en het werd de laatste twee decennia nog meer een verlengstuk van ministeries. 

De twee directeuren in de periode van 1994 tot 2013 (Henk Don en Coen Teulings) waren hoogleraren economie. Teulings werd in 2013 opgevolgd door Laura van Geest, ambtenaar van het ministerie van Financiën. Haar opvolger, Pieter Hasekamp, was eveneens ambtenaar van eveneens het ministerie van Financiën, bij uitstek het ministerie dat door het CPB wordt geadviseerd. Econoom Bas Jacobs zei bij de benoeming van Van Geest: ‘De regering verkiest ambtelijke loyaliteit boven de onafhankelijkheid van het CPB.’

Het ministerie van Financiën hoeft inderdaad niet meer te vrezen voor verrassende pleidooien zoals die van Teulings in 2012 op Bruegel.org. Hij schreef: ‘Onmiddellijke bezuinigingen zouden de recessie verergeren. Recent onderzoek suggereert dat de negatieve effecten op de korte termijn erger neigen te zijn dan we aanvankelijk dachten.’ Naar verluidt was het ministerie onaangenaam getroffen door wat het als een keynesiaanse oprisping moet hebben gezien. Toenmalig minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem was in elk geval verheugd met de aanstelling van Van Geest. Hij noemde haar ‘buitengewoon onafhankelijk’ en een ‘eigenzinnige econome’. Zij was daarmee ‘een hele goede keuze’ van zijn collega’s en hemzelf.

Verdienmodel

Na 2013 is er van keynesiaanse noties, laat staan radicalere, niet vernomen. Soms voert dat tot in het belachelijke. Zo wees het CPB in 2015 op de voordelen van aardopwarming: ‘Door het smelten van het Noordpoolijs wordt de noordelijke zeeroute tussen Noordoost-Azië en Noordwest-Europa commercieel levensvatbaar.’ 

De ‘milieudruk op de Noordpool’ zou wel toenemen, schreef het CPB, maar ‘Voor Nederland is de opening van de noordelijke zeeroute van bijzonder belang, gezien de strategische ligging van de Rotterdamse haven. Naar verwachting nemen haar handelsvolumes met Noordoost Aziatische landen significant toe en ze kan mogelijk dienen als een knooppunt van nieuwe wereldwijde waardeketens.’ 

Aardopwarming als verdienmodel. Je kan ook te opzichtig de belangen dienen van het ministerie van Economische Zaken en werkgeversorganisatie VNO-NCW. 

Het is eigenlijk gênant dat partijen die opwarming van de aarde beweren te bekampen zich laten doorlichten door dit instituut. Hetzelfde geldt voor partijen die beweren het minimumloon te willen verhogen. En eigenlijk voor elke partij die na de verkiezingen de burger beweert te willen vertegenwoordigen tegenover de nieuwe regering, die als vanouds het CPB financiert voor – ook in de coronacrisis – ‘onafhankelijk’ economisch advies.