© ANP Lex van Lieshout

Hoe het geld op Curaçao uit de lucht kwam vallen

  • Hier een aantekening

Rond 1975 is de opbouw van de Curaçaose offshore voltooid en gaan de remmen los. Steeds meer bedrijven en particulieren ontdekken hoe ze via het eiland belasting kunnen vermijden. Medio jaren ’80 komt de helft van alle overheidsinkomsten uit offshore-activiteiten.

Curaçao moet geen vergaarbak worden voor allerlei duistere internationale praktijken: zo bekritiseerde Koninklijke Shell in 1954 een regeling voor octrooi-holdingmaatschappijen, speciaal ontworpen op aandrang van Philips. Twee jaar later waarschuwde Statenlid Ch. E. W. Voges tegen al te soepele vrijstellingen, die belastingontduiking elders stimuleerden en zo de goede naam van het eiland teniet deden.

Deze aanvankelijke schroom slonk toen het aantal brievenbusbedrijven begon te groeien, niet alleen in aantal, maar ook in omvang. In 1969 telde Curaçao 1350 offshorebedrijven, met een afgedragen winstbelasting van 8 miljoen Antilliaanse gulden, 16 procent van het overheidsinkomen. Filialen en trustkantoren van Nederlandse banken als als ABN, AMRO, NMB, Hollandsche Bank Unie, F. van Lanschot Bankiers, Mees & Hope, de Nationale Handelsbank, Pierson, Heldring & Pierson en Slavenburg’s Bank voerden het merendeel van de werkzaamheden voor deze brievenbusmaatschappijen uit.

Daarnaast telde het eiland bijkantoren van accountantsfirma’s en fiscalisten als Van Dien, Van Uden, Besançon, Koppenberg & Co., Klynveld, Kraayenhof & Co., Moret en Oudheusden, en Loyens en Volkmaars. De Antilliaanse overheid breidde stelselmatig faciliteiten uit om cliënten van over de hele wereld te trekken. Belangrijke stappen in dat proces waren een aangepaste regeling voor octrooimaatschappijen (1957), speciale beschikkingen van de belastingdienst over ‘tax rulings’ (voorgestelde constructies door offshore-bedrijven, 1967) en een soepel toelatingsbeleid plus vrijstelling van toezicht voor offshore banken (1970).

Wat vooraf ging
  • Omdat de Nederlandsche Handel-Maatschappij Nederlandse beleggers in de Verenigde Staten wil behoeden voor ‘fiscale moeilijkheden’, moest er een trust of holding in een derde land komen om het verband tussen belegging en eigenaar te verbreken. Liefst niet te ver weg, en klein genoeg om alles makkelijk te kunnen regelen. Enter: Curaçao.

  • Na een verkenningsmissie van haar onderdirecteur richtte de Nederlandsche Handel-Maatschappij in oktober 1950 een trustkantoor op in Willemstad. Dat gebeurde ten kantore van notaris Anton Smeets, die zich sinds zijn aankomst op het eiland in 1938 rap had ontwikkeld tot een invloedrijk societyfiguur.

  • Pas na toetreding van de Antillen tot het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag in 1955 gingen de offshorezaken goed lopen.

Lees verder Inklappen

Uiterste discretie

Tax rulings en bancair beleid pasten naadloos in een beleid van uiterste discretie. Anders dan Zwitserland kenden de Antillen geen wettelijk, maar een zelfopgelegd bankgeheim. De bankengemeenschap en trustkantoren gaven geen informatie, tenzij een Antilliaanse rechter daartoe opdracht gaf. Een eenvoudige meldingsplicht voor offshore-banken stuitte al op bezwaren. Nederlandse verzoeken om fiscale inlichtingen werden door de Antillen zo lang mogelijk getraineerd. Verzoeken uit andere landen werden niet in behandeling genomen, tenzij de klant instemde. Meestal was het ook onmogelijk om inlichtingen te krijgen over wie de eigenaar dan wel uiteindelijke begunstigde was van het in een brievenbusmaatschappij ondergebrachte vermogen. Dat gegeven kon namelijk door het stapelen van brievenbusondernemingen met aandelen aan toonder eenvoudig aan het zicht onttrokken worden.

Houders van Curaçaose toondercertificaten deelden volledig in de winst, maar waren niet te traceren

In 1969 lanceerde Pierson, Heldring & Pierson (PHP) een beleggingsinstrument dat de camouflage-opties vergrootte. De bank arrangeerde een aandelenemissie voor Koninklijke Olie in de vorm van zogenaamde Curaçao Depository Receipts (CDRs), toondercertificaten uitgegeven op door PHP verworven en bewaarde aandelen Koninklijke. Dit soort certificaten, in Nederland al gebruikelijk sinds het einde van de achttiende eeuw, vertegenwoordigden eigenlijk het afgesplitste dividendrecht van de onderliggende aandelen. Houders ervan deelden volledig in de winst, maar waren niet te traceren via aandelenregisters van bedrijven.

CDRs vielen ook niet onder het Nederlandse zegelrecht, zodat het emitteren van deze effecten goedkoper was. Na Koninklijke verkocht PHP de CDR-formule aan allerlei internationale concerns, waaronder Investors Overseas Services van de bekende zwendelaar Bernie Cornfeld, Leasco en het Duitse chemiebedrijf BASF.

Rond 1970 wekte de Curaçaose offshore in de Nederlandse pers nog niet veel meer dan verwondering. Een artikel over de Antillen in het Utrechts Nieuwsblad van 7 april 1970 beschreef de eilanden als ‘een economie vol onnatuurlijkheden’ en de offshore-sector als een belastingspel dat via gunstige regelgeving ‘een heel merkwaardige bron van inkomsten’ vormde. Dat zou vrij snel veranderen.

Vergadering van twee

Hoe ging het er in die trustkantoren aan toe? Dat laat ons de volgende, naar het leven getekende scène zien uit De laatste kolonie, een boek van Rudie Kagie. Twee personeelsleden zitten om tafel. De één opent de jaarvergadering van een brievenbusmaatschappij, neemt het voorzitterschap op zich en benoemt de ander tot secretaris. Ze tekenen de presentielijst, waarna de voorzitter vaststelt dat het hele aandelenkapitaal van de vennootschap vertegenwoordigd is. Vervolgens vinken de twee functionarissen een reeks besluiten af, waarna de voorzitter de vergadering weer sluit. Het geheel duurt hoogstens tien minuten.

Deze schijnvertoning speelde zich af op 8 maart 1979 en kenmerkt het werk in de financiële offshore: eindeloze reeksen formele, administratieve handelingen om geldstromen te beheren en te verantwoorden. De sector was niet erg arbeidsintensief. Medio jaren 1980, toen de offshore piekte, bood die een directe werkgelegenheid aan zo’n 1500 personen, hoogstens 3 procent van de totale beroepsbevolking.

De geboden werkgelegenheid was vrij specifiek, voor geschoold personeel

Tegelijkertijd worstelde Curaçao met een hardnekkige werkloosheid van tussen de 15 en 20 procent. De door de offshore geboden werkgelegenheid was vrij specifiek voor geschoold bankpersoneel en juridisch onderlegd middenkader met voldoende financieel-economisch inzicht. Het hoger kader, gespecialiseerde advocaten en accountants, bestond voornamelijk uit expats, zo’n 14 procent van het totaal. De offshore bleef een eiland op het eiland met weinig effect op de lokale economie.

Toch was iedereen het er over eens dat de financiële offshore verder moest groeien, net als het toerisme. Zo plaatste de Moviemento Electoral di Pueblo (MEP), een grote Arubaanse politieke partij, tijdens een verkiezingscampagne in 1979 een grote advertentie in de Amigoe. Daarin gaf de MEP aan dat ze werkte aan een solide economische basis, die moest steunen op onder meer offshore-ondernemingen. Net als op Curaçao wilde de MEP op Aruba een bloeiend belastingparadijs. Nederland was het daarmee eens. Medio jaren ’70 boog een Gemengde Commissie, ingesteld door de regeringen van de Antillen en Nederland, zich over de economische toekomst van de eilanden. Die commissie concludeerde dat de eilanden moesten streven naar uitbreiding van de commerciële dienstverlening, waaronder de offshore-activiteiten.

De reden voor die eensgezindheid lag voor de hand. Ondanks de lage belastingtarieven genereerde de financiële offshore namelijk een flinke stroom inkomsten voor Curaçao. Tijdens de jaren ’70 was dat al rond de 20 procent van alle overheidsinkomsten. Dat liep medio jaren ’80 op tot meer dan de helft. Geld uit de hemel, het manna van de Antillenroute. Dat moest vooral toenemen.

Profeet in eigen land

Rijdend op de golf van de Curaçaose offshore maakte notaris Ton Smeets een glanzende carrière. Door zijn praktijk beschikte hij zowel over een grote deskundigheid als over een internationaal netwerk van zakenrelaties. Als ex-Statenlid en plaatsvervangend gouverneur (1963-1966) bezat Smeets bovendien de politieke connecties om dingen makkelijk gedaan te krijgen. Vanaf het begin was hij betrokken bij het opstellen van offshore-wetsontwerpen. In zijn functie als plaatsvervangend gouverneur tekende hij ook meerdere ontwerp-landsverordeningen (wetsontwerpen) die betrekking hadden op offshore-zaken. Daarbij ging het ook om zaken waarbij zijn notariskantoor was betrokken, zoals onder meer het verlenen van een vergunning aan een offshore-bank waarvan de oprichtingsakte in zijn kantoor was gepasseerd.

Tijdens de jaren ’50 richtte Smeets naast zijn bloeiende notarispraktijk drie eigen trustkantoren op, die hij in 1966 fuseerde tot Citco (Curaçao International Trust Company), al gauw het grootste trustkantoor van Willemstad. Helemaal smetteloos verliep Smeets’ carrière overigens niet. In 1966 werd een gerechtelijk onderzoek ingesteld naar op zijn kantoor gepleegde vervalsingen. Daarvoor werd uiteindelijk een kantoorgenoot tot gevangenisstraf veroordeeld. Hoewel voor zover bekend niet rechtstreeks bij de affaire betrokken, voelde Smeets zich kennelijk toch genoodzaakt af te treden als plaatsvervangend gouverneur. Zelf voerde hij als reden aan dat hij teveel in het buitenland was om als waarnemer te kunnen fungeren.

Het succes van Curaçao als belastingparadijs was ongetwijfeld voor een groot deel te danken aan Smeets. Officiële erkenning bleef niet uit. Zo ontving hij in 1984 een hoge koninklijke onderscheiding voor zijn verdiensten als promotor van de offshore. Drie jaar later werd het plein voor het Citcokantoor in Willemstad omgedoopt in Plasa Smeets.

Smeets zal daar weinig voldoening van gehad hebben. Hij had inmiddels de wijk genomen naar de Britse Maagdeneilanden, toen een belastingparadijs in opkomst waar geen enkele vorm van belasting werd geheven (zero tax), nota bene vanwege een conflict met de Curaçaose belastingdienst over de betaling van successierechten in verband met een vermogensverdeling naar zijn kinderen. Helaas vond Smeets geen rust in Tortola’s milde belastingklimaat. Hij verhuisde eerst naar New York en overleed uiteindelijk in 1997 in Amsterdam, ver van het financiële paradijs dat hij als geen ander had helpen opbouwen.

Stormloop op het paradijs

De jaren ’70 en ’80 vormden het absolute hoogtepunt van de Curaçaose offshore. Aanvankelijk leverden de belastingverdragen met de VS en Engeland een gestage groei op. Tegen het einde van de jaren ’60 versnelde die groei merkbaar, mede onder invloed van de in 1965 tot stand gekomen BRK met Nederland. Steeds meer bedrijven ontdekten hoe ze via Curaçao dividendbelasting konden vermijden: in slechts drie jaar tijd vertienvoudigde de dividendstroom via Nederland naar de Antillen, van 146 miljoen gulden in 1978 tot 1,8 miljard in 1981.

De Eurodollar- en Eurobond-markten verplaatsten zich van Europa naar de Cariben. Nieuwe wetgeving dwong Amerikaanse bedrijven overzeese winsten buiten de VS te stallen. Dat maakte het voor die bedrijven nog aantrekkelijker om hun concernfinanciering via Curaçao te laten lopen. Veruit de meeste winstbelasting kwam van Amerikaanse financieringsdochters. Beleggingsfondsen, Robeco voorop, ontdekten manieren om hun cliënten te laten profiteren van de door het eiland geboden belastingvoordelen. De oliecrisis van 1973 bracht een golf van Arabische oliedollars, op zoek naar belegging.

De Nederlandse pers begon kritisch te rapporteren over het wegsluizen van dividenden

Als gevolg van al deze oorzaken groeide de Curaçaose offshore spectaculair, van 1250 ondernemingen in 1967 via 2900 in 1975 tot 27.850 in 1984. Bovendien veranderde de bedrijfssamenstelling ingrijpend door de komst van andersoortige bedrijven, vooral veel niet-Nederlandse: beleggingsmaatschappijen, vastgoedmaatschappijen en financieringsbedrijven voor multinationals van over de hele wereld. Het aantal offshore banken steeg sterk, van 2 in 1969 tot 46 in 1985, toen buitenlandse banken veruit in de meerderheid waren.

Die groei liep natuurlijk in de gaten. De Nederlandse pers begon kritisch te rapporteren over het wegsluizen van dividenden en royalties door binnen- en buitenlandse bedrijven naar Curaçao. Het parlement ging zich er ook voor interesseren. De VS ontwikkelden eveneens toenemende belangstelling voor de Curaçaose offshore. De gevolgen lieten niet op zich wachten.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Gastauteur

Gevolgd door 296 leden

FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

Volg Gastauteur
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren