Dankzij AFM blijft huisfonds een black box

    De AFM heeft eindelijk een leidraad geformuleerd voor vermogensbeheerders die huisfondsen aanbieden. Maar die is zeer vrijblijvend, constateert Arne van der Wal. 'Het toezicht over de huisfondsen blijft zwak en dat is de AFM aan te rekenen.'

    Voor de belegger die zich niet kan of wil verdiepen in beleggen in aandelen kunnen de huisfondsen van banken, verzekeraars en vermogensbeheerders een uitkomst zijn. Goedkoop beleggen voor de toekomst in een degelijk of spannend beleggingsfonds van naam, in de deskundige handen van uw eigen vertrouwde, betrouwbare financiële dienstverlener. Honderdduizenden Nederlanders hebben hun spaargeld in dergelijke huisfondsen gestopt, bijvoorbeeld om pensioen op te bouwen, hun huis af te lossen, of de studie van hun kinderen te betalen. 'Met beleggen in een huisfonds koop je een stukje rust', is de kern van de boodschap van de aanbieders.

    Huisfondsen hebben hun bestaan te danken aan het gemak voor de belegger en het imago van de financiële dienstverlener die ze in het leven riep. Het vertrouwen van de beleggers in huisfondsen is echter beschaamd. Juist bij deze fondsen hebben banken, verzekeraars en vermogensbeheerders hun klanten op een ongegeneerde manier weten te plukken. De huisfondsen hebben vaak een ondoorzichtige en hoge kostenstructuur en onttrokken zich ook nog eens aan het zicht van financiële toezichthouders.

    Kosten stapelen

    Hoe ging dat in zijn werk? Sommige huisfondsen belegden bijvoorbeeld in andere huisfondsen van dezelfde instelling, waardoor klanten twee keer kosten in rekening kon worden gebracht voor één simpele handeling. De onderliggende aandelen- of obligatieportefeuille was gelijk, maar voor de aankoop- en verkoopkosten moest een klant dan wel twee keer betalen. Verzekeraars verrijkten zich ten koste van hun klanten door hun eigen, toch al dure en slecht presterende, huisfondsen in verzekeringsproducten te stoppen en nóg eens kosten in rekening te brengen. Zo werden kosten op kosten gestapeld voor de argeloze klant. Die vertrouwde zijn verzekeraar en kon onmogelijk zien hoe hoog die kosten nu eigenlijk waren.

    Follow the Money heeft in het verleden regelmatig over het fenomeen huisfondsen gepubliceerd. De roep om striktere regelgeving rond die fondsen, waarvan de meeste buiten het toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) vallen, klinkt al jaren. Maar afgezien van het algemene provisieverbod voor financiële producten is het rond de huisfondsen lang stil gebleven. Tot de AFM dinsdag haar nieuwe leidraad Aandachtspunten voor vermogensbeheerders met een eigen aanbieder van huisfondsen publiceerde.

    ‘Ongewenste prikkels’

    Met deze nieuwe leidraad voor huisfondsen erkent de AFM dat de perverse prikkels rond huisfondsen nog steeds bestaan: Bij vermogensbeheerders die niet uitsluitend gebruik maken van huisfondsen kan er eerder sprake zijn van mogelijke prikkels waarbij het eigen belang gediend wordt in plaats van het belang van de particuliere belegger. Wanneer het huisfonds bijvoorbeeld doorbelegt in fondsen van externe aanbieders, kan de neiging bestaan alleen goedkope externe fondsen te selecteren, waardoor het huisfonds de meeste marge verdient.’

    Wie verwacht dat de AFM nu eindelijk eens hard ingrijpt, heeft het mis

    Maar wie verwacht dat de AFM nu eindelijk eens hard ingrijpt en korte metten maakt met praktijken die rieken naar ordinaire flessentrekkerij heeft het mis. In een interview met de financiële nieuwsdienst Fondsnieuws roept AFM-toezichthouder Pieter Wind de partijen die huisfondsen aanbieden op ‘zelf beleid op te stellen’. Maar zo vrijblijvend als dat klinkt is het volgens hem niet. De AFM kijkt wel degelijk streng toe, haast Wind zich te zeggen.

    Ondanks het provisieverbod dat in 2014 een einde heeft gemaakt aan ‘distributievergoedingen’ constateert de AFM dat er nog steeds ‘ongewenste prikkels’ zijn in het geval van huisfondsen. Om die goed te reguleren ontbreekt echter nog steeds een wettelijk kader. Dat verklaart het intrinsiek zwakke wapen van de leidraad. Maar was het nodig om die ook nog eens zo zwak te formuleren?

    Voor het opstellen van de leidraad heeft de AFM de sector geconsulteerd, en die sector blijkt verdeeld. Een deel, zo valt af te leiden, smeekt de AFM zelfs om harder op te treden bij de praktijken die huisfondsen in het algemeen zo’n slechte naam hebben bezorgd. Maar tot harde beleidsvoornemens en strak geschreven toezichteisen heeft dat niet geleid. Het toezicht over de huisfondsen blijft zwak en dat is de AFM aan te rekenen.

    Geen richtlijnen

    Stel dat een vermogensbeheerder huisfondsen aanbiedt die ondermaats presteren. In het belang van de klant zou die dan moeten switchen naar beter presterende fondsen van andere aanbieders. Maar of dat gebeurt? Vaker niet dan wel. Zo'n switch is immers niet in belang van de aanbieder. Niet goed, zegt de AFM. Handelt een vermogensbeheerder wel in het belang van zijn klant of in dat van zijn eigen portemonnee? De vraag stellen is hem beantwoorden. Maar de AFM doet dat niet. Ze formuleert geen richtlijnen of gedragscodes voor zulke gevallen.

    Het is sowieso verleidelijk om klanten zoveel mogelijk in eigen huisfondsen te laten beleggen in plaats van in die van concurrerende aanbieders. Enkele vermogensbeheerders blijken hiervoor een limiet te hebben, bijvoorbeeld maximaal 30 procent van het totale belegde vermogen in huisfondsen. Dat lijkt de AFM ook wel wat, maar ook hiervoor formuleert ze geen strikte eisen: ze ziet de hoogte ervan als ‘onderdeel van risicosignalering’.

    De AFM hanteert dus geen harde limitering van de ‘volumeprikkel’, de genoemde 30 procent is niet meer dan een indicator. En dat percentage heeft de sector ook nog eens zelf mogen bepalen. Trouwens: waarom niet 25 procent? Of de 80-20 regel?

    Belangenconflict

    Belangenconflicten zijn volgens de AFM onvermijdelijk als een vermogensbeheerder belegt in fondsen van de eigen aanbieder. Veel vermogensbeheerders, ook die van banken, bieden dergelijke huisfondsen aan. Soms zijn ze voor de klant niet meteen als huisfonds herkenbaar, omdat ze de naam dragen van een ander onderdeel van de groep waarvan ze deel uitmaken.

    Veel woorden, maar eigenlijk staat hier niets anders geformuleerd dan ‘ga uw gang, let een beetje op’

    Maar hoe moeten die belangenconflicten worden bestreden? De AFM vraagt niet veel meer van de vermogensbeheerders dan dat die ‘haar bedrijfsvoering dan zodanig hebben ingericht dat het belangenconflict de integriteit, soliditeit en de zorgvuldige behandeling van cliënten niet in de weg staat’. Veel woorden, maar eigenlijk staat hier niets anders geformuleerd dan ‘ga uw gang, let een beetje op’. Waaruit die integriteit, soliditeit en zorgvuldige behandeling bestaan, is niet omschreven. Dat mag de sector fijn zelf doen. 

    De vermogensbeheerder moet verder de cliënt op de hoogte houden, zodat deze ‘kennis kan nemen’ van dat mogelijke belangenconflict. Ook hier laat de vage formulering veel ruimte voor interpretatie. En wat heeft een beleggende klant in de praktijk eigenlijk aan die kennis? In theorie kan hij zijn portefeuille van de hand doen, maar bij een ongelukkige timing bestaat de kans hij daarmee zichzelf in de voet schiet. Een klant zou eerder willen weten wat zo’n belangenconflict hem mogelijk gaat kosten, en wat de vermogensbeheerder gaat doen om dat in de toekomst te voorkomen. Maar dat hoeft de vermogensbeheerder weer niet te vertellen.

    Werkelijke kosten

    Opmerkelijk is dat de leidraad voor het voor beleggers belangrijkste criterium, namelijk de werkelijke kosten van een huisfonds, ook al zo vaag is. De Europese beleggingsrichtlijn Mifid II schrijft voor dat de total cost of ownership, dus alle kosten die met beleggen gepaard gaan, duidelijk moeten zijn voor de afnemer. Vermogensbeheerders vielen daar tot nu toe niet onder, maar de AFM zegt dat zij het voorbeeld van de banken zouden moeten volgen. ‘Zouden moeten’, dat is alles.

    Beleggingsondernemingen zullen meer informatie over de kosten moeten verstrekken, niet alleen aan de AFM maar ook aan hun cliënten. Maar alleen ten aanzien van de totale kosten en het cumulatieve effect van de kosten op het rendement. Dat betekent dat er nog steeds kan worden gesjoemeld.

    De Nederlandse banken zullen de kosten voor beleggingsdienstverlening en de kosten voor het beleggingsproduct per 1 januari 2016 gescheiden tonen. Vermogensbeheerders hebben die plicht, merkwaardig genoeg, niet. Het ligt voor de hand dat die er uiteindelijk ook komt, nu burgers steeds meer gedwongen zijn om geld opzij te leggen voor hun oude dag, de studie van hun kinderen en de zorg. De AFM wil niet verder gaan dan: ‘Het zou goed zijn als vermogensbeheerders die beleggen in fondsen van eigen aanbieders zich ook al in 2016 hieraan zouden committeren.’

    Typisch AFM. Het mag, maar het hoeft niet.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Arne van der Wal

    Gevolgd door 626 leden

    Mede-oprichter van FTM. Is gek op digitale technologie, maar koestert analoge techniek. Beoefent wing chun kungfu.

    Volg Arne van der Wal
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren