De Blindheid van Jacobs c.s. Deel 2

2 Connecties

Onderwerpen

Financiële sector

Werkvelden

Economie
33 Bijdragen

De polemiek over bankbuffers is nog niet voorbij. Met een dupliek gaat Robin Fransman, die zijn debatgenoten nogmaals de ogen probeert te openen, ditmaal in op de reactie van hoogleraar Ivo Arnold.

De vorige column over bankbuffers riep een reactie op die ik hier graag met u deel en bespreek. Ivo Arnold, hoogleraar Monetair en Financiële Economie aan de Erasmus Universiteit, schreef dit artikel als reactie op mijn eerdere column (De blindheid van Jacobs C.S.) van afgelopen zaterdag. Hij stelt dat ik de vergelijking Y = M*V niet mag gebruiken om een ondergrens aan de Return on Equity bij banken vast te stellen. Hij heeft daar een aantal redenen voor: de omloopsnelheid is niet constant, de bankenbalans is niet gelijk aan de geldhoeveelheid en de bankenbalans wordt niet uitsluitend gebruikt om de reële economie te ondersteunen. Daarom, zegt Arnold: “De geringe stabiliteit van de omloopsnelheid is dan ook een reden om heel voorzichtig te zijn met het gebruik van de verkeersvergelijking in het monetair beleid (of in columns)” Dat is een vreemde stelling van Arnold want de verkeersvergelijking vormt de basis van het monetair beleid van de ECB sinds 1998. In 1998 heeft de ECB besloten om als doelstelling voor de geldhoeveelheid (M3) een jaarlijkse groei van 4,5% te hanteren. En ze komen daartoe via exact dezelfde vergelijking: 1,5%-2% inflatie, 2%-2,5% reële groei en een omloopsnelheid die weliswaar niet constant is, maar wel trendmatig en constant daalt met -0,5% tot -1% per jaar. Dat telt dan op tot 4,5% Lees het persbericht hier.

Omloopsnelheid

In 2002 doet de ECB nog nader onderzoek naar de omloopsnelheid, de constante daling van -0,5% tot -1% wordt dan nog eens bevestigd. De ECB maakt op die manier haar mandaat concreet. De economie ondersteunen met een geldgroei die prijsstabiliteit moet bieden. Om een groei van 4,5% in de geldhoeveelheid mogelijk te maken, moet de Return on Equity, bij constante leverage ratio en een dividend pay out ratio van 50% dus gemiddeld 9% bedragen. De percentages die de ECB hanteert zijn hoger dan in mijn column. Maar het principe, en dus de bewijsvoering dat Modigliani Miller bij banken een bijzondere ondergrens heeft, staat recht overeind, maar over de exacte getallen kun je heel goed bakkeleien. Natuurlijk heeft Arnold gelijk dat de kredietgroei, en dus ook de geldgroei, veel hoger was voor de crisis. Van 2001 tot 2008 was de geldgroei gemiddeld rond de 8% met een uitschieter van zelfs 12%. En dat geld is grotendeels niet naar de reële economie, de flow economie, gegaan, maar naar de stock economie, de economie van vermogens, onroerend goed en andere niet-productieve assets. Die enorme geldgroei leidde niet tot inflatie, maar wel tot asset inflatie, met de huizenprijzenbubbels tot gevolg. De geldgroei was dus ook veel hoger dan de economische groei. Dus ook in die zin heeft Arnold gelijk, omdat banken niet alleen de Flow economie, maar ook de Stock economie faciliteren is de relatie tussen groei van de economie en groei van de geldhoeveelheid niet altijd 1 op 1.

Aandelen uit de hand gelopen

Er zijn jaren dat Flow sneller groeit en er zijn jaren dat Stock sneller groeit. Het moge duidelijk zijn dat dat uit dat dat laatste uit de hand kan lopen en ook is gelopen. Maar dat los je niet op met kapitaalseisen; onroerend goed bubbels kunnen ook ontstaan bij hoge kapitaalseisen. Onnroerend goed bubbels moet je niet met kapitaalseisen of met het rentewapen te lijf gaan, dat gaat namelijk ten kosten van de reële economie. Onverantwoorde kredietverlening aan de stock economie moet je met macro-prudentiele instrumenten tegengaan. Dat laat onverlet dat banken beide zijden van de economie, Stock en Flow, op een verantwoorde wijze moeten faciliteren. Ook de groei in de Stock. De waarde van de Stock economie groeit op lange termijn immers in het zelfde tempo als de Flow economie. De vergelijking houdt daarom ook stand op lange termijn.
'Er zijn onschadelijke vormen van krimp, zoals de verkoop van directe belangen in andere ondernemingen. Dat doen banken dan ook'
Er is geen bankier op aarde te vinden die niet van mening is dat de kredietgroei in de jaren 2000-2008 veel te hard is gegaan. En dat dat fout is en was. Dat laat onverlet dat going forward een krimp van de bankbalansen niet noodzakelijkerwijs de beste weg is. Er zijn onschadelijke vormen van krimp, zoals de verkoop van directe belangen in andere ondernemingen. Dat doen banken dan ook. Maar het dichtdraaien van de kredietkraan, of het stimuleren van aflossingen leidt tot vraaguitval, en de economische krimp waar dat toe leidt kan juist leiden tot verslechteringen van de bankenbalansen. Aflossen uit beklemd vermogen, waar de omloopsnelheid dus heel laag van is, is dan een betere optie, zie bijvoorbeeld hier.   Robin Fransman is bereikbaar op Twitter: @RF_HFC

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Redactie

Gevolgd door 567 leden