Floor Schothorst poseert als 'Frau Antje', het gezicht van Hollandse kaas in Duitsland.
© EPA / Britta Pedersen

De duistere kanten van Frau Antje

Nederland is apetrots op het succesverhaal van ‘ons exportlandje’. Jaarlijks verkopen we voor 80 miljard euro meer spullen aan het buitenland dan we importeren. Dat dit structurele handelsoverschot de Europese schuldenproblematiek verergert en groeiende ongelijkheid veroorzaakt, is veel minder bekend.

‘Simpelweg van levensbelang’: zo typeerde D66-Kamerlid Sjoerd Sjoerdsma de Nederlandse export. ‘Als het zuiden verdrinkt in de eigen schuldenberg, raakt dat Nederland keihard,’ zei hij in het Kamerdebat van 9 september. ‘Zonder Europees herstel geen Nederlands herstel.’

Ondanks de anti-Zuid-Europa-retoriek van het kabinet, ging premier Rutte in juli akkoord met een corona-herstelfonds van 750 miljard euro dat vooral gunstig is voor Zuid- en Oost-Europese landen. Ook al was dat dan grotendeel uit ‘eigenbelang’, gaf hij tijdens het Kamerdebat toe. ‘We mogen deze landen niet verder laten verzwakken omdat ze van ‘economisch belang zijn voor ons als exportland’. 

Het is een bekende karikatuur: als Italië niet genoeg geld heeft om onze bloemen te kunnen betalen, wordt ook de Nederlandse economie keihard geraakt. Met die gedachtegang verantwoorden regeringspartijen VVD, CDA, CU en D66 de transfers van Nederlands belastinggeld naar Zuid-Europa. Maar er wringt wat: als we indirect zelf betalen voor de bloemen die we naar Italië exporteren, waarom houden we ze dan niet lekker zelf? Ofwel: is het instandhouden van ‘Nederland exportland’ werkelijk een economisch doel om koste wat kost na te streven? 

VOC-mentaliteit 

Onze trots zijn op ‘Nederland als handelsland’ heeft diepe wortels in de Nederlandse cultuur. Oud-minister-president Jan-Peter Balkenende (CDA) riep in 2006 meermaals op tot meer VOC-mentaliteit. Daarmee verwees hij naar naar de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), de eerste naamloze vennootschap ter wereld die van 1602-1800 floreerde dankzij de handel met Azië. De aandeelhouders konden zo op een prachtige manier het ondernemersrisico delen en samen schathemeltjerijk worden. Balkenende zag hierin een voorbeeld van handelsgeest, daadkracht en durf. Anderen interpreteerden zijn verwijzing als verheerlijking van geweld, kolonisatie en slavenhandel – de schaduwzijde van de gouden eeuw. 

Nederland handelsland gaat echter nog verder terug. Belangrijke Nederlandse steden waren al in de middeleeuwen aangesloten bij het van oorsprong Duitse Hanzeverbond. De Europese graan- en houthandel rondom de Oostzee was ook voor Amsterdam de ‘moeder aller handel’. Vanuit die basis kon de VOC groot worden met de import van specerijen uit den Oost om Europese maaltijden mee te kruiden. 

Anno 2020 vormt de handel binnen Europa nog steeds diezelfde basis. Italië en Spanje zijn na Duitsland (22 procent), België (10 procent) en Frankrijk (8 procent) de belangrijkste afnemers van Nederlandse producten, samen goed voor zo’n 7 procent van onze export, en 15 procent van de Nederlandse export binnen de EU. 

Trots op onze export

In 2018 had onze export een waarde van 653 miljard euro. De Nederlandse import had in datzelfde jaar een waarde van 573 miljard euro. Wie meer exporteert dan importeert, heeft een positieve handelsbalans. Dat was lange tijd anders. Na de Tweede Wereldoorlog importeerde Nederland jarenlang meer dan het exporteerde, omdat er veel behoefte was aan grondstoffen en machines om de Nederlandse fabrieken weer op te starten. Die industrialisatie moest ook het wegvallen van de koloniën compenseren. 

In enkele decennia is Nederland heel goed geworden in het maken van hoogwaardige producten en machines. Die producten brengen relatief veel geld op en daarmee is de toegevoegde waarde van een Nederlands werkuur ook groot. Onze arbeidsproductiviteit ligt 22 procent hoger dan het Europese gemiddelde. 

Nederlandse producten zijn ook gewild in het buitenland. In de top tien van exportproducten staan veel hoogwaardige industriële producten zoals chipmachines en machines voor de voedingsmiddelenindustrie, metaalproducten, hoogwaardige kunststoffen en farmaceutische middelen. Hoewel het aandeel aardgasexport afneemt, is het nog altijd omvangrijk. Nederland is na de Verenigde Staten de grootste voedselexporteur (incl. sierteelt) ter wereld. De 94-jarige bioloog en filmmaker David Attenborough roemde in zijn laatste documentaire A Life On Our Planet onze innovatieve voedselproductiemethodes. 

Sinds de jaren ’80 is de handelsbalans omgedraaid en exporteert ons land stelselmatig meer dan het importeert. Dat resulteert al drie jaar op rij (2017-2019) in een lopende rekening in  het buitenland van circa 80 miljard euro. Ons kleine landje staat, na China, de VS en Duitsland op plek 4 van grootste exportlanden ter wereld. 

Ons overschot, andermans tekort 

Handelsoverschotten beschouwen we als iets positiefs: de nationale productie zorgt allereerst voor banen in eigen land en de verkoopopbrengsten spekken de geldreserves. Die kunnen we vervolgens gebruiken voor investeringen en het opbouwen van bezit in het buitenland. Maar we mogen een belangrijke economische wetmatigheid niet vergeten: handelsoverschotten in het ene land gaan gepaard met handelstekorten in het andere. Het stelselmatige handelsoverschot van Nederland en Duitsland met de rest van Europa zorgt voor problemen in Zuid- en Oost Europa.    

Producten die je importeert, leveren immers geen banen op: ze gaan ten koste van de lokale werkgelegenheid. Terwijl de Nederlandse werkloosheid in 2019 met 3,4 procent van de beroepsbevolking een laagterecord bereikte, was de werkloosheid in Italië, Spanje en Griekenland al voor de coronacrisis 10, 14 en 16,5 procent. De jeugdwerkloosheid lag nog hoger, waardoor de knapste koppen wegtrokken, voornamelijk naar andere eurolanden. Die migratie belemmert op haar beurt de kennisontwikkeling in de economieën die al achterop liggen. 

In Europa zijn de historische onevenwichtigheden tussen de economieën sinds de invoering van de euro alleen maar groter geworden. Dat komt omdat Zuid- en Oost-Europese landen een concurrentienadeel ondervonden door het wegvallen van de onderlinge wisselkoersen. 

Wisselkoersen als correctiemechanisme

Heel Europa gebruikt dezelfde munt, en die euro heeft slechts één wisselkoers ten opzichte van andere munten zoals de dollar of de renminbi. De euro is voor landen als Griekenland en Frankrijk ‘te duur’ en voor landen als Duitsland en Nederland ‘te goedkoop’. Dat is goed voor onze export, maar tegelijkertijd slecht voor de (onderlinge) handelsbalans van de Eurolanden. 

Toen alle eurolanden nog een eigen munt hadden, fluctueerde hun onderlinge wisselkoers. Was de uitvoer van Nederlandse producten naar Frankrijk hoog, dan steeg de waarde van de gulden ten opzichte van de Franse franc. Dat mechanisme zorgde ervoor dat Nederlanders voor hetzelfde geld meer stokbroden en Bordeaux-wijnen konden kopen. Tegelijkertijd werden Nederlandse producten duurder voor de Franse consument. Dat was een automatische stimulans voor Nederlanders om meer spullen en diensten uit Frankrijk te kopen, en voor Fransen om minder Nederlandse producten te importeren. Fluctuerende wisselkoersen werkten zo als correctiemechanisme tegen structurele handelsoverschotten en -tekorten.  

De invoering van de euro heeft zwakkere eurolanden de mogelijkheid ontnomen om hun nationale munt te devalueren, een belangrijk instrument om de export te bevorderen en de import af te remmen. Zonder wisselkoersen is er geen correctiemechanisme waardoor de prijs van Duitse en Nederlandse producten omhoog gaat voor buitenlandse consumenten. Ook niet wanneer er sprake is van stelselmatige handelsoverschotten. Het blijft daardoor aantrekkelijk voor mensen in andere eurolanden (en daarbuiten) om onze producten te consumeren. Duitse en Nederlandse exportbedrijven hebben zo enorm geprofiteerd van de lage eurokoers. Een recente studie van het Centre for European Policy kwantificeert de voordelen van de euro tussen 1999 en 2017 voor Nederland op 346 miljard en voor Duitsland op 1893 miljard euro. Die voordelen voor Nederland en Duitsland gaan gepaard met nadelen voor andere eurolanden.

Onevenwichtige handelsbalansen zijn overigens niet meer alleen een probleem tussen Europese landen onderling. De handelsdisbalans is steeds meer een intercontinentaal probleem aan het worden. Waar het voorheen zo was dat Zuid-Europese landen de handelsoverschotten van Nederland en Duitsland volledig absorbeerden, is dat sinds 2014 niet meer het geval. De onderlinge handelsbalans van Nederland met Italië, Spanje en Frankrijk is weliswaar nog steeds positief, maar de Zuid-Europese landen hebben zelf grote handelsoverschotten opgebouwd met niet-europese landen, zoals de Verenigde Staten. Europa als geheel heeft, net als China, een positieve handelsbalans met de VS. Europese en Chinese goederen worden naar de VS verscheept in ruil voor in dollar genomineerde bezittingen, zoals aandelen, vastgoed en schuldpapieren van bedrijven en overheden.

Lees verder Inklappen

Niet louter jubelen

Ook voor Nederland zelf is de export niet louter een jubelverhaal. De lofzang van David Attenborough op onze ‘voedselexport’ is grotendeels misplaatst. De sierteelt, een belangrijke post binnen die categorie, kost bergen kunstmest en pesticiden en levert veel CO2-uitstoot op. De export van vlees en zuivel zorgt in Nederland voor een mestoverschot en veroorzaakt stikstofproblemen die de biodiversiteit aantasten. En hoewel het zeker werkgelegenheid  oplevert, worden die banencijfers vaak overdreven. Wat verder opvalt: de grootste geldstroom in de Nederlandse veehouderij gaat niet naar de boer, maar naar de toeleveranciers van veevoer en de verwerkers van vlees, melk en eieren. 

Tussen het bejubelen van export an sich en het ophemelen van een handelsoverschot zit een wereld van verschil. Hoge arbeidsproductiviteit en een goedlopende exportsector zijn nastrevenswaardig. Het betekent dat we met weinig arbeidsuren hoogwaardige producten maken die we voor veel geld kunnen verkopen in het buitenland. Wanneer de opbrengst daarvan (grotendeels) terugvloeit naar de mensen die de arbeid leveren, hebben zij op hun beurt meer geld voor consumptie. Dat is goed voor de economische vraag. Nederlandse werknemers zouden de extra inkomsten deels uitgeven aan producten uit het buitenland: Hollandse chipmachines en komkommers in ruil voor Franse Citroëns en Spaanse serranohammen. De Nederlandse import zou zo meebewegen met de export. Van structurele handelsoverschotten in Nederland en -tekorten in het buitenland was in dat geval geen sprake geweest. 

Wanneer we ‘exportland Nederland’ bejubelen, houden we echter geen rekening met de ongelijke verdeling van de opbrengsten. Zo staat het besteedbaar inkomen van de gemiddelde Nederlander al twee decennia nagenoeg stil ten opzichte van onze economische groei. De export-economie levert dus wel werk op, maar dat vertaalt zich niet in meer inkomen voor de gemiddelde Nederlander. Daar komt nog eens bij dat Nederlanders een steeds groter deel van hun inkomen kwijt zijn aan hun woonlasten. Het bedrag dat na aftrek van huur of hypotheeklasten overblijft voor consumptie is dus nog lager. 

Exportoverschotten zijn dus geen tekenen van collectieve welvaartsgroei, maar van wat anders: de gemiddelde Nederlander heeft niet genoeg inkomen om evenveel te consumeren als hij produceert. We exporteren elk jaar meer naar het buitenland dan we importeren, omdat we het ons niet kunnen veroorloven die productie zelf te consumeren. 

Consumeren op de pof

Wanneer Nederland een exportoverschot heeft, hebben andere landen een handelstekort. Die landen importeren dus meer dan ze exporteren. Maar waar betalen ze die importgoederen van als er geen eigen productie tegenover staat? In principe zijn er twee opties: met spaargeld (en het verkopen van bezittingen), of in ruil voor nieuwe schuldbeloftes om het geld in de toekomst terug te betalen. Wanneer handelstekorten stelselmatig zijn, raakt het spaargeld snel op (en blijven er weinig havens en energiebedrijven over om te verkopen aan buitenlandse investeerders). In dat geval blijft er één optie over: kopen op de pof. Het overeind houden van de consumptievraag in landen met structurele handelstekorten is dus afhankelijk van de bereidheid van mensen in de landen met handelsoverschotten om geld uit te lenen. 

Je staat er meestal niet bij stil, maar het spaargeld van de een is de schuldverplichting van de ander

Die uitleen-bereidheid is weer afhankelijk van de verdeling van de exportopbrengsten in Nederland en Duitsland. Mensen die na aftrek van de vaste lasten net genoeg overhouden voor hun eigen consumptie, kunnen geen cent missen om de consumptie in andere landen te financieren. Michael Pettis, hoogleraar finance aan de Universiteit van Peking, en Matthew C. Klein, economieredacteur bij de financieel-nieuwskrant Barron’s, berekenden dat 90 procent van de huishoudens die het minste verdienen minder dan 5 procent opzij kunnen zetten. Dat ligt anders bij mensen met veel geld. De 1 procent die het meest verdient, spaart 40 procent van het inkomen. 

Onze handelsoverschotten gingen jarenlang gepaard met groeiende winsten voor Nederlandse exportbedrijven. De aandeelhouders van die bedrijven consumeren een veel kleiner deel van hun inkomen dan werknemers. In plaats daarvan hebben ze het geld op hun beurt uitgeleend aan het buitenland. Je staat er meestal niet bij stil, maar het spaargeld van de één is de schuldverplichting van de ander. Zonder Nederlandse spaarders die buitenlandse consumenten financieren, is het ook niet mogelijk om structureel een Nederlands productieoverschot van 80 miljard per jaar in stand te houden.  

Dankzij onze handelsoverschotten is de Nederlandse investeringspositie in het buitenland sinds 2007 gestegen met meer dan 800 miljard. Nederlanders hebben momenteel voor 730 miljard, ongeveer 90 procent van ons bbp, meer in het buitenland geïnvesteerd dan van het buitenland geleend. 

Groeiende ongelijkheid

Premier Rutte verantwoordt de publieke steun van Nederland aan andere Europese landen, als noodzakelijk om ‘Nederland exportland’ in stand te houden. Maar daarmee spreekt het kabinet zich eigenlijk uit vóór het instandhouden van inkomens- en vermogensongelijkheid – zowel in Europa als binnen Nederland. Structurele handelsoverschotten en groeiende ongelijkheid zijn immers twee kanten van dezelfde medaille: zonder buitenlandse consumenten die geld lenen of rijke spaarders die elk jaar meer krediet verschaffen, ook geen handelsoverschot. 

Als een groter deel van de opbrengst van onze economische groei bij werknemers terechtkomt, zouden structurele handelsoverschotten vanzelf afnemen. Werknemers geven dat geld immers uit in plaats van het te investeren in het buitenland. Niet alleen een stimulans voor de binnenlandse economie, maar ook voor de import. In andere landen levert dat werkgelegenheid en inkomen op, waardoor de noodzaak om geld uit het buitenland te lenen afneemt. 

Michael Pettis en Matthew C. Klein stellen daarom maatregelen voor als een hoger minimumloon, betere sociale vangnetten, baanzekerheid, lagere BTW en hogere belasting op bedrijfswinsten, vermogens en de hoogste inkomens. Kortom: precies het tegenovergestelde van het beleid dat de coalitie de afgelopen jaren heeft gevoerd: juist het laagste BTW-tarief ging van 6 naar 9 procent, de arbeidsmarkt is verder geflexibiliseerd, en vermogenden en multinationals werden in elk geval niet zwaarder belast. 

Het kabinet trekt nu de publieke portemonnee om de handelsdisbalans nog langer in stand te houden. Daarmee werkt het een ander probleem juist in de hand. In de woorden van Michael Pettis en Matthew C. Klein: ‘Grote Europese handelsoverschotten gaan hand in hand met toenemende ongelijkheid. Om dat tegen te gaan, is beleid nodig dat inkomen verlegt van de ultra-rijken en de bedrijven die zij controleren, naar normale Europese huishoudens.’  

Thomas Bollen
Thomas Bollen
Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.
Gevolgd door 5915 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren