Minister van Financiën Dijsselbloem en De Nederlandsche Bank (DNB) dwarsbomen het experiment met een depositobank. Ze voeren juridische richtlijnen op als officiële barrière voor de bancaire innovatie, maar onderbouwing ontbreekt. De spinsels van de minister vormen een juridisch rookgordijn dat de ware toedracht verhult.

    Het is de meest veilige manier van bankieren die je kunt bedenken: de digitale versie van de sok onder het matras. Er werd zelfs een Kamermotie aangenomen om te onderzoeken hoe een innovatie-experiment met 'de saaiste bank van Nederland' mogelijk gemaakt kan worden. Het mocht allemaal niet baten: de depositobank van Stichting Full Reserve is na twee jaar nog geen stap dichter bij een bankvergunning.

    Gedurende die twee jaar fungeerde Stichting Full Reserve vooral als het ‘balletje’ in een pingpongwedstrijd tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het ministerie van Financiën. De Stichting werd van het kastje naar de muur gestuurd, om uiteindelijk in mei 2017 van minister Dijsselbloem te horen te krijgen dat Europese richtlijnen een belemmering zouden vormen voor de toelaatbaarheid van de bank.

    Wat is een depositobank?

    Richard van der Linde kwam in 2015 op het idee om een depositobank op te richten: een ‘bewaarbank’ die geen leningen verstrekt, maar je geld veilig in een (digitale) kluis bewaart. Het is de digitale variant van cash geld: het zit alleen in jouw (digitale) portemonnee en je kunt er via je pinpas mee betalen in de winkel. Op dit moment bestaat er geen bank die dat doet — al onze banken zijn tegelijk bewaarbank en uitleenbank.

    Bewaren andere banken mijn spaargeld dan niet in een kluis? Nee. Banken verdienen geld door slechts een fractie van het bij hen geparkeerde spaargeld aan te houden en veel hogere bedragen voor eigen rekening uit te lenen. Banken creëren zo nieuw geld met het verstrekken van leningen. Daar verdienen ze aan, want over die leningen moet rente worden betaald. 

    Als alle spaarders tegelijk hun spaargeld zouden ophalen bij de bank, ontstaat er een zogenoemd liquiditeitsprobleem: er ligt niet genoeg geld in de bankkluis om iedereen zijn geld terug te geven. De depositobank biedt daar een alternatief op door het geld wél in kas te houden. Het voorkomt daarmee ook solvabiliteitsproblemen die kunnen ontstaan wanneer veel uitstaande leningen niet meer worden terugbetaald; depositobank verstrekt immers geen leningen.

    Je ontvangt geen rente op je spaargeld, maar krijgt in ruil daarvoor wel zekerheid dat je je geld niet kwijt raakt. Dat is interessant voor mensen die geen risico willen lopen dat een bank door een crisis het geld niet kan verstrekken. De stichting heeft geen winstoogmerk, maar moet wel de operationele kosten kunnen betalen. Daar moet je als klant dus een klein bedrag voor betalen.

    Van der Linde schreef op FTM een serie artikelen over de Depositobank.

    Lees verder Inklappen

    Kamer onvolledig ingelicht

    Niet alleen hebben de minister en DNB veel kostbare tijd verspild om tot de conclusie te komen dat Europese richtlijnen een depositobank in de weg staan; ook de onderbouwing van Dijsselbloem ontbreekt in de Kamerbrief, waarmee hij op 2 mei het parlement inlichtte. Sterker nog: de juistheid van het oordeel wordt door Richard van der Linde en Anne Hakvoort — voormalig voorzitter respectievelijk de juridisch adviseur van Stichting Full Reserve — in twijfel getrokken.

    Het verslag van FTM over deze casus vormde voor SP-kamerlid Renske Leijten aanleiding om de minister op 4 juli te vragen zijn bevindingen te onderbouwen. Leijten wijst Dijsselbloem terecht op het ontbreken van argumentatie.

    Zonder goede informatie kunnen Kamerleden hun controlerende functie niet uitvoeren

    Een kwalijke zaak, want zonder goede informatievoorziening kunnen Kamerleden hun controlerende functie niet fatsoenlijk uitvoeren. Toch is deze gang van zaken geen incident bij het ministerie van Financiën. CDA-kamerlid Pieter Omtzigt zette vorige week in een opiniestuk op FTM nog uiteen hoe ook staatssecretaris Eric Wiebes informatie achterhield, ditmaal over de gang van zaken bij de belastingdienst.

    Juridisch oordeel

    Leijten vraagt Dijsselbloem specifiek naar de mogelijkheden om de depositobank mogelijk te maken binnen artikel 3:4 in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Dit was namelijk het voorstel van Hakvoort, de juridisch adviseur van Stichting Full Reserve. Dijsselbloem gaat in zijn brief niet in op de suggesties van Hakvoort, maar verwijst simpelweg — in één zin, en zonder specifiek te worden — naar Europese richtlijnen als juridische belemmering voor een depositobank. 

    Om beter inzicht te krijgen in de verschillende lezingen van de wet, deed FTM rondvraag bij juridisch experts in het niche-gebied dat financieel recht heet. Het bleek bijzonder moeilijk om kundige juristen te vinden die bereid waren hun onafhankelijk oordeel over deze casus te geven: binnen de kleine groep van financieel juristen vindt het merendeel dat hun huidige of voormalige 'advocatuurlijke relatie met DNB' hen belet om een publieke toelichting op de letter van wet te geven. Klaarblijkelijk is ook het lezen van de wet niet onfeilbaar of onafhankelijk van arbeidsrelaties: DNB is nu eenmaal een belangrijke werkgever in dit vakgebied. 

    Een aanpassing van de richtlijn is niet vereist

    Advocate financieel recht Hester Bais was wél bereid om de betreffende stukken door te nemen. Haar oordeel bevestigt het verhaal van Hakvoort: ‘De Europese finaliteitsrichtlijn is gewoon in de Nederlandse faillissementswet geïmplementeerd. Daar valt artikel 3:4 van de Wft ook onder.’ Om binnen dit wetsartikel op zoek te gaan naar een juridische mogelijkheid voor de depositobank, is een aanpassing van de richtlijn dus niet vereist.

    ONDERBOUWING GEWENST

    In de Wet op het financieel toezicht (Wft) bestaat al een ‘opt-in b’-vergunningsmogelijkheid voor een 'vrijwillige bankvergunning'. DNB en AFM schrijven ook over de opt-in vergunning in hun rapport Maatwerk voor innovatie: 'dit type vergunning kan in specifieke gevallen uitkomst bieden.' 

    Volgens Anne Hakvoort zou dit voor depositobank het geval kunnen zijn. De vergunning geeft alleen nog geen toegang tot het Europese betalingssysteem (Target2), maar daar is een oplossing voor te bedenken. DNB zou de voorwaarden van toelating tot de Nederlandse tak van Target2 kunnen aanpassen. Een opt-in-vergunning en een wijziging in de toelatingsvoorwaarden door DNB zouden een experiment met de depositobank juridisch mogelijk kunnen maken zonder Europese toestemming. 

    De minister schrijft in zijn brief aan de Kamer op 2 mei: 'Alleen de ECB [Europese Centrale Bank, red.] is bevoegd de voorwaarden van toelating tot Target 2 NL te wijzigen.' Een onderbouwing voor deze stelling wordt niet gegeven. Hakvoort vraagt zich af waarom DNB niet zelfstandig bevoegd zou zijn om deze voorwaarden te wijzigen: zij vindt in ieder geval geen grondslag terug in de wijzigingsbepaling in de voorwaarden. ‘DNB krijgt daarin juist de eenzijdige bevoegdheid om de voorwaarden te wijzigen zonder dat een voorbehoud voor instemming van de ECB wordt gemaakt.’

    Hakvoort: ‘En zelfs als de ECB wél instemming moet verlenen, waarom wordt deze instemming dan niet verzocht?’ Een legitieme vraag, die niet alleen Hakvoort stelt, maar die ook officieel is ingediend door SP-kamerlid Leijten. Zij wil van de minister horen of hij het met Hakvoort eens is. Deze keer mét onderbouwing van zijn oordeel.

    Lees verder Inklappen

    Risico

    Het lijkt er dus op dat de minister flink wat creatieve juristen aan het werk zal moeten zetten om met een geloofwaardig antwoord op de nieuwe Kamervragen te komen. 

    ‘Het gaat in deze zaak echter niet zozeer om de juridische details,’ zegt ook Edgar Wortmann, jurist van Stichting Ons Geld. Deze stichting wil geldcreatie onder publiek bestuur wil plaatsen. Wortmann is vanuit zijn betrokkenheid bij Ons Geld ingewijd in het onderwerp van monetaire vernieuwing en volgt de depositobank op de voet. Zijn oordeel: 'over juridische details valt altijd te twisten, maar dat ze een depositobank in de weg staan, acht ik een drogreden. Juridische details worden voortdurend omzeild, aangepast en opgelost. Ook in Europa. De hoofdregel is “waar een wil is, is een weg”.’

    Wortmann meent dat de Kamerdebatten over details in de regelgeving slechts een afleiding zijn van het echte knelpunt: risico. ‘Wanneer de Depositobank zonder beperkingen wordt toegestaan, kan dat financieringsproblemen veroorzaken bij reguliere banken. Dat zou de financiële instabiliteit versterken.’ Het mogen stallen van geld bij een depositobank creëert namelijk een nieuwe mogelijkheid voor de burger om geldtegoeden weg te halen bij commerciële banken. 

    In ons huidige banksysteem heb je als klant eigenlijk geen keuze

    Deze banken gebruiken dat spaargeld nu voor hun eigen financiering. Waar ‘normale’ bedrijven hun bedrijfsactiviteiten financieren met eigen en vreemd vermogen, hebben banken het unieke privilege dat ze hun bedrijfsactiviteiten daarnaast ook kunnen financieren met het spaargeld van hun klanten.

    In ons huidige banksysteem heb je hier als klant eigenlijk geen keuze over: ook al kies je er niet bewust voor om geld uit te lenen aan je bank, doe je dat in feite alsnog wanneer je je geld op een spaarrekening zet. Daarmee loop je ongewild een risico, maar je hebt geen alternatief; zonder bankrekening is het immers vrijwel onmogelijk om normaal deel te nemen aan het betalingsverkeer in de maatschappij.

    Als bankklanten (doorsnee rekeninghouders, maar ook vermogenden en professionele ‘cash managers’) wél een alternatief krijgen en hun geldtegoeden weg kunnen halen bij de reguliere banken om ze te bewaren in de veilige haven van de depositobank, ontstaat er bij de gewone banken een financieringstekort. 

    Wortmann: ‘Vooral op de momenten dat het vertrouwen in banken wankelt, zou er een leegloop van geld uit het huidige banksysteem kunnen ontstaan. In tijden van voorspoed laten mensen hun geld renderen bij een reguliere bank, maar in crisistijd stallen ze hun tegoeden bij de depositobank.’  

    "We moeten een fundamentele discussie over ons geldsysteem niet uit de weg gaan"

    Dat is volgens Wortmann de echte reden waarom DNB en het ministerie het experiment niet aandurven. Hij begrijpt de aarzeling wel. ‘De invoering van een relatief veilige haven zoals een depositobank vergt een beheerst en behoedzaam transitiepad. Daar moet goed over worden nagedacht. Het gesteggel over juridische details draagt daar alleen niet aan bij. We moeten een fundamentele discussie over ons geldsysteem niet uit de weg gaan, maar kijken hoe we dat stelsel simpel en stabiel kunnen maken. De Tweede Kamer was niet voor niets unaniem in haar wens om een veilige financiële haven voor de burger te creëren.’ 

    Marktwerking

    FTM-lezers bespraken met Richard van der Linde in de discussie onder dit artikel ook al het risico van een financieringstekort voor huidige banken. Van der Linde geeft aan dat de stichting dit risico al in hun eerste businessplan in kaart heeft gebracht en het eenvoudig kan worden begrensd. Dat is ook met DNB en de minister besproken. 

    Van der Linde: 'Door de grootte van de totale balans of het maximale bedrag per account te beperken is er geen enkele sprake meer van een systeemrisico. Bovendien hebben we het alleen nog maar over een experimentele fase. Om het hele systeem in gevaar te brengen moet de depositobank eerst nog even een overweldigend succes worden.' 

    ‘Om het hele systeem in gevaar te brengen moet de depositobank eerst een succes worden.’

    Van der Linde kan een lach niet onderdrukken wanneer hij de tegenstrijdigheid uiteenzet: 'Als de minister echt bang is dat het hele systeem in gevaar komt vanwege een overweldigend succes van depositobank, dan toont dat alleen maar aan dat de problemen met het huidige systeem groot zijn. In zo'n geval is er dus behoefte aan bancaire innovatie en moet je juist gaan experimenteren met alternatieven.' 

    Depositogarantiestelsel 

    Van der Linde kan wel een andere reden bedenken waarom Dijsselbloem geen fan is van het experiment met depositobank: 'Onze oplossing sluit niet goed aan bij de oplossingsrichtingen voor de bankenproblematiek waar Dijsselbloem op inzet — niet alleen in Nederland, maar ook in Europa.' Dijsselbloem heeft zich als voorzitter van de Eurogroep hard gemaakt voor een Europese bankenunie. Één van de pijlers van die bankenunie is het Single Resolution Mechanism (SRM), een mechanisme om probleembanken in Europa te redden. 

    Het Europese SRM lijkt qua werking op het Nederlandse depositogarantiestelsel (DGS). Dat is de regeling waarmee spaargeld tot 100.000 euro wordt gegarandeerd door de overheid. Wanneer een bank failliet gaat, worden andere banken verplicht om hieraan mee te betalen: het zogenaamde bail-in principe. Dat principe moet voorkomen dat alleen de staat en belastingbetalers voor de kosten opdraaien, zoals bij de bail-outs tijdens de kredietcrisis van 2008. 

    PRINCIPIËLE BEZWAREN TEGEN HET DGS

    Paul Buitink, die deze maand Van der Linde opvolgde als voorzitter van de Stichting Full Reserve, legt uit waarom zowel het Single Resolution Mechanism als het Depositogarantiestelsel concurrentievervalsend werken: ‘Falende banken moeten worden gered door gezonde banken. Dat beschermt weliswaar de spaarder, maar introduceert ook een perverse prikkel om ongeoorloofde risico's te nemen. Risico en beloning lopen niet meer met elkaar in de pas. Wanneer het goed uitpakt, strijkt de risiconemer de winst op. Wanneer het fout gaat, draaien voorzichtige banken op voor het roekeloze gedrag van de cowboys.’

    ‘Wanneer het fout gaat, draaien voorzichtige banken op voor het gedrag van de cowboys’

    De Stichting Full Reserve heeft een principieel bezwaar tegen het DGS. De depositobank wil immers het geld van haar klanten voor 100% veilig bewaren. Buitink: 'Dat is de essentie van onze propositie, en die kunnen we niet waarmaken als we verplicht mee moeten dragen in de risico's die andere banken nemen.'

    Het toelaten van een depositobank zou volgens Van der Linde en Buitink bij kunnen dragen aan het afbouwen van het DGS. Nu lopen consumenten verplicht risico, omdat alle banken hun spaargeld weer uitlenen en geen enkele bank hun geld volledig in kas houdt. De overheid werpt zich daarom op als beschermer om met garantieregelingen de risico's voor de spaarder te beperken. 

    Als consumenten wél kunnen kiezen voor een veilig alternatief is die staatsgarantie eigenlijk niet meer nodig. 'Risico nemen wordt dan een vrijwillige keuze,' licht Buitink toe. ‘Met echte competitie in het bankenlandschap verdwijnt de huidige noodzaak voor de ingewikkelde en dure stapeling van garantieregelingen, wetten en het zogenoemde ‘prudentieel bankentoezicht’.' 

    Lees verder Inklappen

    Volgens Van der Linde heeft Dijsselbloem, gezien zijn eigen bijdrage aan DGS en SRM, natuurlijk wel even wat uit te leggen bij zijn Europese collega's wanneer er plots een Nederlandse bank komt die niet aan het DGS deelneemt. Dat ligt politiek niet zo lekker. 

    Disruptie

    De grootste aarzeling om te gaan experimenteren met depositobank lijkt dus vooral voort te komen uit de potentie van het initiatief om de bankenwereld goed op zijn kop te zetten. Hoewel het concept van een bewaarbank niets baanbrekends is, zou het wel een grote transitie kunnen veroorzaken: het creëren van marktwerking in het bankenlandschap en het versimpelen van het bankentoezicht.

    Het publiek krijgt met de komst van een veilige haven voor geldtegoeden een bewuste keuze: ofwel je geld veilig laten bewaren of het juist uitlenen voor rendement. Die laatste optie gaat gepaard met een risico, maar daar kies je zelf voor – in een transparante omgeving. 

    Schijnveiligheid lost niets op

    Het dure en inefficiënte bankentoezicht, met al haar bijzondere regels, kan dan ook worden vereenvoudigd. Het is dan namelijk niet meer nodig om de burger te beschermen voor de verplichte en intransparante risico’s die hij of zij in het huidige banksysteem loopt: sparen is niet langer synoniem aan het financieren van je bank. 

    In een evenwichtig systeem zorgt een beetje gezonde competitie niet voor problemen. Een fragiel stelsel dat hier niet op is ingericht, kan niet van de ene op de andere dag omgaan met daadwerkelijke marktwerking. Daarom kan een transitieperiode uitkomst bieden, zodat banken de tijd krijgen om zich op een andere manier te financieren. 

    Om de transitie in te zetten moet je alleen wel gaan experimenteren met alternatieven. ‘Dat zal transparantie creëren en zeker stof doen opwaaien. De zombiebanken zullen worden ontmaskerd’, voorspelt Van der Linde. Het verbieden van innovatie, inrichten van nog meer ingewikkeld toezicht en het optrekken van juridische rookgordijnen draagt daar niet aan bij.  Je houdt het vuil wellicht langer uit het zicht, maar schijnveiligheid lost niets op. Ook al is het vervelend werk, soms moet je gewoon gaan poetsen.

    Over de auteur

    Thomas Bollen

    Gevolgd door 247 leden

    Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.

    Lees meer

    Volg deze auteur
    Dit artikel zit in het dossier

    Van wie is ons geld?

    Gevolgd door 464 leden

    Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunne...

    Lees meer

    Volg dossier

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid