Hoofdeconoom van het CBS presenteert cijfers over de economische groei in 2018
© ANP / Bart Maat

  • En het houdt de belastinggrondslag in het land van import hoog. IRS tevreden!

Op Prinsjesdag presenteert het kabinet de financiële staat van Nederland. Maar onze statistiek heeft steeds minder greep op een radicaal veranderende economie. Mondialisering, belastingparadijzen en complexe productieketens vreten ons cijferwerk van binnenuit aan. Is het statistisch kompas nog wel geschikt om de Nederlandse economie te navigeren?

Prinsjesdag is voor economische beleidsmakers wat Oudejaarsavond voor de rest van ons is. De miljoenennota doet dienst als reflectiemoment en als schakel tussen twee periodes. Met veel bombarie en flessen bubbels sluit Prinsjesdag het ene economische jaar af en luidt het volgende in.

Het is tevens de dag – in dat opzicht lijkt Prinsjesdag eerder op Open Monumentendag – dat we een kijkje kunnen nemen in de keuken van de Haagse ambtenarij. Dag in, dag uit buigen beleidsmakers zich over kolommen cijfers die moeten onthullen hoe het gesteld is met de economische groei, onze koopkracht of de internationale concurrentiepositie van Nederland. Economische statistiek is echter nooit voorpaginanieuws – behalve op de derde dinsdag van september. Prinsjesdag is daarmee het uitgelezen moment om dat cijferwerk eens kritisch tegen het licht te houden.

Dan gaat het niet om het vaak gehoorde verwijt dat het bruto binnenlands product (bbp) niet meet wat ons echt raakt; welzijn of geluk, bijvoorbeeld. Daarvoor was het bbp immers nooit bedoeld. Juist cijfersceptici moeten inzien dat iets als geluk zich niet in een spreadsheet laat persen. Dan liever droog en degelijk economisch cijferwerk. Maar hoe betrouwbaar zijn die cijfers eigenlijk? Achter de koele schijn van soliditeit heeft de statistiek steeds meer moeite om vat te houden op de Nederlandse economie.

‘Onze economie’ is niet meer duidelijk omlijnd, maar eerder een uitgelopen vlek waterverf

De Nederlandse economie’ is zelf al een concept om even bij stil te staan. Want ‘onze economie’ is allang niet meer duidelijk omlijnd, maar eerder een uitgelopen vlek waterverf. Waar ‘economisch Nederland’ begint en waar dat ophoudt, is steeds moeilijker vast te stellen.

Laten we het concreet maken. Het bbp is het kernstuk van de nationale rekeningen. De link tussen Nederland en de rest van de wereld valt onder de kop betalingsbalans. Denk daarbij aan handel, internationale leningen, maar ook beleggingen in buitenlandse bedrijven of derivaattransacties. Die twee hangen zeer nauw met elkaar samen. Alles wat hier geproduceerd wordt (bbp), wordt geconsumeerd, verder verwerkt, opgeslagen – en soms naar het buitenland geëxporteerd. Andersom impliceert ook export binnenlandse productie (tenzij zojuist geïmporteerde producten direct worden verscheept). Het punt is simpel: problemen in de internationale statistiek zorgen voor gerommel in de binnenlandse cijfers en vice versa – zeker in een enorm geïnternationaliseerd land als Nederland. (Volgens het CBS was de export in 2017 goed voor ruim 60 procent van het bbp.)

Cijfers over internationale handel klinken solide, maar zijn dat allerminst. Directe buurlanden – bijvoorbeeld Nederland en Duitsland – verschillen geregeld enorm van mening over wat er eigenlijk de grens overgaat. Samen met mijn collega Lukas Linsi ben ik de internationale handelsstatistiek ingedoken. In grote databases van bijvoorbeeld het International Monetair Fonds vind je cijferparen die eigenlijk min of meer gelijk zouden moeten zijn: bijvoorbeeld de Nederlandse goederenexport naar Duitsland (volgens Nederlandse autoriteiten), en de Duitse goederenimport vanuit Nederland (volgens de Duitsers). 

Wat blijkt? Er heerst grote onenigheid. We bekeken een decennium aan cijfers over onze economische relatie met de oosterburen. Gemiddeld verschil tussen de Haagse en Berlijnse cijfers over de wederzijdse handelsbalans: ongeveer 30 miljard dollar per jaar. (Ter vergelijking: de jaarlijkse export naar Duitsland lag gemiddeld op ongeveer 110 miljard dollar.) Hoeveel Nederland echt naar Duitsland exporteert, is gewoon onduidelijk. Dat patroon vind je elders in de wereld trouwens net zo.

Zulke verschillen zijn niet het gevolg van gepruts, maar van echte dilemma’s. Chinese dvd-spelers die Düsseldorf via de Rotterdamse haven binnenkomen, worden in Duitsland als import vanuit China geregistreerd. Maar Nederland ziet ze als Nederlandse export – ze werden immers ook als import gerekend toen de douane op de Maasvlakte de containers registreerde. Verwarring in de statistiek is het gevolg.

Multinationals gebruiken de transfer pricing vooral om hun belastingrekening te minimaliseren

Extra complicerende factor: steeds meer producten komen niet uit één land, maar bevatten onderdelen uit de hele wereld. De iPhone is het bekendste voorbeeld. Wij rekenen de hele smartphone als een import uit China, terwijl China alleen als montageplek en doorgeefluik fungeert voor microchips die uit Japan komen en touchscreens uit Korea. De consequentie: volgens de Amerikaanse centrale bank verdween maar liefst een derde van het Amerikaanse handelsdeficiet met China in 2009, indien men al die indirecte import buiten beschouwing liet. De OESO probeert dit probleem momenteel recht te trekken met nieuwe handelscijfers die alleen de toegevoegde waarde meten, niet het hele product. Het is een stap in de goede richting, maar een waar monnikenwerk en duivels ingewikkeld.

Daarnaast vindt steeds meer grensoverschrijdende handel niet langer plaats tussen verschillende partijen, maar binnen grote multinationals. Als Volkswagen zijn eigen auto-onderdelen voor verdere montage naar de VS stuurt, moeten die worden opgegeven bij de Amerikaanse douane. Maar de prijs die Volkswagen op het douaneformulier invult, is nogal arbitrair – die onderdelen zijn immers van eigen makelij. Het gevolg is dat multinationals die zogenoemde transfer pricing vooral gebruiken om hun belastingrekening te minimaliseren. Zijn Amerikaanse importheffingen hoog? Dan zeg je gewoon dat je geïmporteerde dashboards amper iets waard zijn. Fijn voor Volkswagen, funest voor de handelsstatistiek.

Tot nu toe hebben we het alleen over handel in goederen: autobanden, dvd-spelers, mango’s. Wat dacht je van handel in dienstverleningen, bijvoorbeeld financiële dienstverleningen, leasecontracten, of toerisme? Die zijn nog veel lastiger te meten, maar hun aandeel in de wereldhandel is enorm gegroeid: volgens de Wereldhandelsorganisatie tot ongeveer 30 procent van het totale handelsvolume in 2015.

Hoe weinig solide de cijfers ook mogen zijn, politiek zijn ze van groot belang. Een voorbeeld: op weg naar Brexit debatteert het VK hoe afhankelijk het is van de rest van de wereld, met name vanwege de handel. En twee weken geleden ‘ontdekte’ het Britse Office for National Statistics dat het VK volgens buitenlandse statistieken 140 miljard pond aan diensten had geïmporteerd, terwijl hun eigen cijferwerk op 68 miljard pond uitkwam  – een verschil van meer dan 2 procent van het Britse bbp. Menig scenario over economische uitwerkingen van een EU-uittreding is daarmee tot de prullenbak veroordeeld.

Het wordt nog erger als we van handel overstappen naar andere kapitaalstromen. De zogeheten belastingparadijzen – de zwarte gaten van het globale geldstelsel – hebben een enorm aanzuigende werking op beleggingen. Ook al wordt geld er maar kort geparkeerd, het krijgt direct een andere ‘nationaliteit’. (Een investering komt dan ‘uit de Kaaimaneilanden’, ook al is het geld eigenlijk Frans of Russisch.) Wat je dan bijvoorbeeld niet ziet: veel beleggingen op de Amerikaanse beurs worden op papier gedaan vanuit het buitenland. Maar een fiks deel van het geld komt van Amerikanen zelf, die obscure financiële vehikels gebruiken om, ongezien door de belastingautoriteiten, hun rijkdom te beleggen. Wat oogt als grensoverschrijdende transactie is dat in feite niet.

Andersom kan het ook. Financiële derivaten – berucht door de implosie van de Lehman Brothers tien jaar geleden – verhullen wereldomspannende kwetsbaarheden in het monetaire systeem. Wederom een voorbeeld: als een Nederlandse bank de Argentijnse overheid veel geld geleend heeft, is die lening geregistreerd en weten we dat de bank in kwestie vatbaar is voor de economische onrust in Buenos Aires. Met derivaten kun je precies dezelfde risicopositie nemen zonder dat daar een ‘echte’ lening aan vastzit. Of je kunt het risico van de directe lening juist aan een derde doorverkopen. Hoe dan ook, de officiële statistiek over kapitaalstromen toont dan niet meer waar de risico’s echt zitten. (Die noodzakelijkerwijs nauwe blik van kapitaalstatistiek is trouwens was een belangrijke redenen dat de crisis tien jaar geleden als zo’n grote verrassing kwam.) In het eerste kwartaal van 2018 werden dagelijks rentederivaten met een referentiewaarde van 10 biljoen dollar openbaar verhandeld – en dat is maar een deel van het totaal. Geen wonder dat je dan het overzicht verliest.

Zelfs de beste statistici zien dat ons cijferwerk de moderne economie steeds moeilijker kan bijhouden

Dat er steeds grotere gaten in onze statistieken zitten, is geen gevolg van bestuurlijke onkunde of onverschilligheid. De Nederlandse statistiek geniet wereldwijd – terecht, vind ik – groot aanzien. Ons kleine land is op het mondiale statistische toneel een zwaargewicht. Bij de Verenigde Naties en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (beter bekend onder haar Engelse acroniem, OECD) vind je geregeld Nederlanders in statistische topposities en als voordenkers, een traditie die teruggaat tot Jan Tinbergen als visionaire econometrist: Tinbergen was de eerste directeur van het Centraal Planbureau en (met Ragnar Frisch) de eerste economische Nobelprijswinnaar.

Dat  we hier zo goed zijn in econometrie klinkt als goed nieuws, maar is het niet. Zie het andersom: zelfs de beste statistici moeten met lede ogen toezien hoe hun cijferwerk de moderne economie steeds moeilijker kan bijhouden. Peter van de Ven, hoofd van de nationale rekeningen bij de OESO bijvoorbeeld, was hoofdauteur van een lijvig rapport uit 2011 waarin al haarfijn wordt uitgelegd hoe mondialisering onze nationale rekeningen torpedeert.

Neem alle hierboven genoemde voorbeelden bij elkaar, en het beeld dat je ‘de Nederlandse economie’ statistisch kunt doorgronden, wordt steeds minder overtuigend. Is de Rotterdamse haven als doorgeefluik wel Nederlands? Zijn brievenbusfirma’s op de Zuidas Nederlands? In welke landenkolom zetten we een product dat onderdelen van overal ter wereld bevat? Is geld van Amerikanen dat op de Bahama’s staat, niet Amerikaans? De crux is dat het kernprincipe van het Nederlandse economische cijferwerk – een nationale container, met een duidelijk binnen en buiten – steeds minder past bij de wereld van nu. Iets om in je achterhoofd te houden wanneer vandaag de cijfers gepresenteerd worden over de staat van ‘de Nederlandse economie’.

Prinsjesdag is het jaarlijkse hoogtepunt van cijfergedreven, technocratisch bestuur. Maar terwijl op het Binnenhof vandaag de glazen feestelijk worden geheven, verliest onze statistiek haar grip op onze plek in de mondiale economie. Daarom is het verstandig om officiële cijfers met een flinke korrel zout te nemen. Ondanks alle pretenties is economische statistiek geen exacte wetenschap. Van burgers kan je onmogelijk verwachten dat zij zich in de finesses van de cijfers verdiepen. Maar wie professioneel dit soort data hanteert en die voor anderen interpreteert – beleidsmakers, politici, academici, beleggers, enzovoort – moet veel beter kijken wat er eigenlijk achter de cijfers zit, en zich afvragen welke betekenis ze überhaupt nog hebben.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Daniel Mügge

Professor of Political Arithmetic aan de UvA. Probeert te ontrafelen waarom we de economie zo meten als we dat doen.

Volg Daniel Mügge
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

De economische religie

Gevolgd door 884 leden

'De economie groeit, dus het gaat goed met Nederland.' Dit soort uitspraken hoor je vast wel eens voorbij komen. Maar klopt d...

Volg dossier