Ruim 850 geiten van geitenhouderij De Rimboe in Rhenen worden ’s nachts gemolken. ZZP-er Nine van Bemmel uit de Meijer bij Bodegraven melkt zes dagen in de week in haar eentje zo’n 2000 geiten en koeien op vijf verschillende bedrijven.
© ANP / VIDIPHOTO

FTM Lokaal

Van Noord-Oost Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen en van Den Helder tot Maastricht: deze waakhond komt naar je toe. Lees meer

De afgelopen jaren zijn steeds meer taken en verantwoordelijkheden van de centrale naar lokale overheid geschoven. Idee was om het bestuur op die manier dichter bij de burger te brengen. Lokale bestuurders beheren nu grote sommen geld en hebben veel meer macht over hun burgers dan voorheen. Dat is niet alleen een verlokking voor henzelf, maar ook voor dubieuze ondernemers die iets van hen gedaan willen hebben. Soms zijn ze zelfs een regelrechte prooi voor criminelen.  

Terwijl de macht lokaal toenam, is de controle erop verzwakt. In de lokale journalistiek heeft een enorme kaalslag plaatsgehad. Kranten en lokale tijdschriften sneuvelden, complete stadsredacties zijn vervangen door een enkele onderbetaalde feelancer. Sjoemelende wethouders, corrupte ambtenaren en machtswellustige raadsleden kunnen hun gang gaan. Steeds meer publieke voorzieningen worden vermarkt. Zakenlieden maken daar op hun beurt weer handig gebruik van. De lusten zijn voor de markt, de lasten worden gesocialiseerd. 

Overdreven? Nee. Driekwart van alle integriteitskwesties speelt zich op lokaal niveau af. Er is bijna niemand meer die de lokale macht controleert. Te weinig vreemde ogen die dwingen. 

Follow the Money gaat daar verandering in brengen. Met FTM Lokaal gaan we geldsporen volgen, belangen in kaart brengen en misstanden blootleggen. We gaan foute burgemeesters en wethouders hinderlijk voor de voeten lopen. Ook bij jou om de hoek.

64 Artikelen

Aantal geiten verdubbelde sinds Q-koortsepidemie, ondanks ‘stop’ en gezondheidsrisico's

3 Connecties
10 Bijdragen

Van Noord-Oost Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen en van Den Helder tot Maastricht: deze waakhond komt naar je toe.

De Nederlandse veehouderij verdient goed geld aan geiten; vooral aan de export van hun melk. Ten tijde van de Q-koortsepidemie (2007-2010) neemt de overheid de intensieve geitenhouderij langdurig in bescherming – ze is de kip met de gouden eieren. Ook nu is het dier verdacht: in gebieden met veel geitenstallen krijgen opvallend veel mensen longontsteking. Daarom geldt in veel provincies een vestigings- en uitbreidingsverbod voor geitenboeren. Het aantal geiten groeide niettemin naar een nieuw record. Alleen al in Noord-Brabant kwamen er vorig jaar meer dan 3000 bij.

Dit stuk in 1 minuut
  • Het aantal geiten is sinds 2010 - na de ‘ruimingen’ vanwege de Q-koortsepidemie – meer dan verdrievoudigd naar 614 duizend in 2019. 
  • Voor boeren is de geit een aantrekkelijk productiedier. Hun vlees levert niet veel op, maar hun melk – geitenkaas! – des te meer.
  • Toen de besmettelijke dierziekte Q-koorts duizenden mensen trof, nam de overheid eerst en vooral de geitenhouder in bescherming.
  • Nu de geit opnieuw in verband wordt gebracht met een ernstig gezondheidsrisico voor omwonenden (longontsteking) dreigt eenzelfde scenario.
Lees verder

De Nederlandse veeteelt verdient het brood al jaren met kippen, koeien en varkens. De getallen zijn duizelingwekkend: 94,5 miljoen kippen, 3,6 miljoen runderen en 11,4 miljoen varkens. Het aantal geiten steekt daar bleekjes bij af, daar zijn er 614.339 van. Toch is juist de geitenhouderij de snelst groeiende tak van de intensieve veehouderij. In 1985, als de Europese Unie met quota het overschot aan koemelk probeert weg te werken, telt Nederland minder dan 7500 bedrijfsmatig gehouden geiten. Ze vormen een nichemarkt, maar wel één met mogelijkheden. Geitenkaas en geitenmelk maken een opmars, en zijn al gauw niet alleen in biologische winkels maar ook in de supermarkt te koop. Hun aantal stijgt dan ook snel: naar 324.000 in 2007, het jaar van de eerste uitbraak van Q-koorts.

Eind 2019 leven er ruim 614.000 geiten in Nederland. Een record. Er zijn 407 gespecialiseerde houderijen met een gemiddelde omvang van 1393 geiten. Daarnaast zijn er nog eens 2600 bedrijven met doorgaans zo’n vijftien tot twintig geiten, meestal als hobbydier. De vestigings- en uitbreidingsverboden (geitenstops) die de meeste provincies sinds 2017 invoerden, vormen bepaald geen belemmering voor groei. Er zit nog ‘onbenutte capaciteit’ in eerder verleende vergunningen. Steeds meer geiten leven daardoor steeds dichter bij mensen. Terwijl het dier de bron is van de Q-koortsepidemie van 2007 - 2011 en sinds een paar jaar ook in verband wordt gebracht met longontstekingen onder omwonenden van geitenhouderijen.

Geitenzuivel: geen hype meer, maar een trend

Jos Tolboom, in Hoogland bij Amersfoort, is een van de ruim vierhonderd gespecialiseerde geitenhouders in Nederland en voorzitter van de afdeling Melkgeitenhouderij van de land- en tuinbouworganisatie LTO. Tolbooms familiebedrijf op boerderij Breevoort is in de negentiende eeuw opgericht als gemengd bedrijf: aardappels, graan, bieten, tabak, plus koeien, varkens en kippen. Net als veel andere boeren volgt hij de trend naar specialisatie. Eerst verdwijnen de gewassen, dan de kippen. In de jaren negentig stonden hij en zijn vader voor de keuze, vertelt Tolboom. Groeien en investeren in een luchtwasser voor de varkensstallen? ‘We hadden 25 koeien en 300 varkens. Dat was te klein voor de toekomst. Maar uitbreiding durfden we niet aan vanwege de melkquota en de varkensrechten. Voor geiten bestond toen nog geen regulering en het was duidelijk dat er vraag zou blijven naar melk en kaas. Geitenzuivel was geen hype meer maar een trend. Dus in dat vertrouwen zijn we omgeschakeld.’

In de economie van de geit staat de melkproductie centraal, zegt Tolboom, die overigens zelf nooit met Q-koorts te maken kreeg. ‘Ieder restaurant heeft de kaas op de kaart en er ligt een schap vol geitenzuivel in de supermarkt. We produceren voor de Nederlandse markt en voor de export naar België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. En er wordt ook babyvoeding van geitenmelk gemaakt.’

Ideaal dier

Bijna alle Nederlandse geiten verblijven hun hele leven in schuren en stallen, net als kippen. De geit kan in een weiland worden gehouden, zoals biologische bedrijven laten zien, maar voor de ‘gewone’ boer is dat te arbeidsintensief. In de stallen van de standaardgeitenhouderij krijgt het hoefdier voer in de vorm van brokken: rijk aan voedingsstoffen voor drachtige dieren, juist schraler voor dieren in de groei. Tolboom: ’Jonge geiten moet je beperkt voeren zolang ze niet zwanger zijn. Anders worden ze te vet en sloom, net als mensen.’

De geit is een ideaal agrarisch productiedier, vindt Tolboom. ‘Ze doen precies waar het de veehouderij om is begonnen: producten die wij als mens niet kunnen eten, omzetten in vlees en melk. De brokjes die we ze voeren, zijn gemaakt van restproducten van de levensmiddelenindustrie. Aardappelschillen, bietenpulp, het kaf van de tarwe, doppen van sojabonen.’ Geiten zijn op weinig ruimte te houden en gemakkelijk te melken. De veestapel is eenvoudig uit te breiden omdat een gedekte geit vaak meerdere lammeren werpt. 

De meeste boeren zetten hun melkgeiten in tot ze vijf jaar oud zijn; daarna gaan ze naar de slacht. Het vlees wordt hier matig gewaardeerd. De meeste Nederlanders vinden de smaak te sterk in vergelijking met kip, varken en rund. Tolboom: ‘Geitenvlees zit in Nederland in dezelfde situatie als geitenkaas 25 jaar geleden. Mensen vinden het raar.’ Geiten houden voor hun vlees is dan ook geen haalbare kaart. ‘Per dier ben je al snel 250 tot 300 euro kwijt aan opfokken, huisvesting en personeelskosten. In deze bedrijfstak moet je het hebben van de melk.’

Om de melkproductie op gang te brengen, moet een geit minstens eenmaal werpen – waarbij onvermijdelijk de helft van de lammetjes een bok is. Om daar nog iets aan te verdienen, moet de boer het dekken zo plannen dat de lammetjes op het juiste tijdstip ter wereld komen: precies een maand vóór de kerst- of de paastijd, wanneer Zuid-Europeanen hun familie en vrienden graag trakteren op de delicatesse van een jong geitenbokje. Vier weken is voor de diertjes net genoeg groeitijd om verhandelbaar te zijn. Tolboom: ‘Je krijgt er maar een paar centen voor, want voor echte lapjes vlees is een bokje van een maand nog te jong.’ 

Vernietiging van de veestapel

Tot 2007 leiden Nederlandse geitenhouders een tamelijk zorgeloos bestaan. Hun dieren hebben in elk geval geen last van vervelende, besmettelijke ziekten als varkenspest, vogelgriep en mond- en klauwzeer. Wanneer in Noord-Brabant Q-koorts uitbreekt, worden alle boeren herinnerd aan 2003, toen een gevaarlijke variant van vogelgriep leidde tot 89 zieke mensen, 1 dode dierenarts en 30 miljoen dode kippen, ‘geruimd’ op 1349 bedrijven. Ook nog vers in het geheugen: de uitbraak van mond-en klauwzeer in 2001, die leidde tot de dood van 260.000 koeien en varkens.

Ruiming, ofwel vernietiging van de veestapel, is de gebruikelijke maatregel bij dierziekten die de handel bedreigen – of gevaarlijk zijn voor de mens. Als besmetting vaststaat, stelt een deskundige de waarde vast van de dieren en producten die vernietigd worden. Het doden gebeurt op de boerderij zelf, met behulp van een injectie, nadat de dieren eerst zijn bedwelmd. De kadavers gaan in verzegelde, lekvrije containers naar een destructiebedrijf. Op de boerderij wordt alles ontsmet. Pas na controles mogen gebouwen en materialen – onder toezicht – weer worden gebruikt.

Voor vogelgriep, mond- en klauwzeer en een reeks minder bekende besmettelijke ziekten geldt een meldings- en aangifteplicht. Boeren die vermoeden dat hun vee aan zo’n aangifteplichtige ziekte lijdt, moeten er een dierenarts bijhalen. Als die het vermoeden bevestigt, komt de Voedsel- en Warenautoriteit eraan te pas en gaat het bedrijf ‘op slot’ totdat de laboratoriumuitslag er is. Bij de diagnose vogelgriep is ruiming onvermijdelijk. In de wijde omtrek krijgen pluimveehouders een ‘ophokplicht’ en een vervoersverbod opgelegd. Bij mond- en klauwzeer worden tegenwoordig alleen de zieke runderen en schapen geruimd. Gezonde dieren krijgen een vaccin, ook die in de directe omgeving van het geïnfecteerde bedrijf. Maar gevaccineerd vlees is minder goed verkoopbaar. 

Wereldwijd zijn epidemiologen alert op het risico dat een virus overgaat van een dier naar de mens

Moeten geitenboeren in 2007 hun eerste vermoedens van Q-koorts ook direct melden en er een veearts bijhalen? Nee. Zo’n maatregel past niet in ‘het systeem’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De meldingsplicht is nu eenmaal zo ingericht dat hij op basis van twee formele factoren wordt ingesteld: de economische schade voor de boer en de ziektelast van het dier. In juli 2007 – het hoogtepunt van de Q-koortscrisis – doet zich een derde factor voor: zieke mensen. Geen formeel criterium, dus geen meldingsplicht, zo is de redenering.

Het is onvermijdelijk dat de overheid bij sommige besmettelijke dierziekten drastische ingrijpt. Epidemiologen zijn wereldwijd alert op het risico dat een virus overgaat van een dier naar de mens, waarna mensen elkaar weer besmetten. Bekend schrikbeeld is de Spaanse griep uit 1918, die meer levens eiste dan de Eerste Wereldoorlog. In 2003 sprong het SARS coronavirus over (mogelijk van civetkatten), wat 774 sterfgevallen tot gevolg had. En in 2012 leidde het MERS coronavirus (mogelijk van dromedarissen) tot 640 dodelijke slachtoffers. Het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 is naar alle waarschijnlijkheid ook afkomstig van een (exotisch) dier. 

Met Q-koorts ligt het iets anders. Dat wordt veroorzaakt door een bacterie, de Coxiella burnetii. De ziekte is, aldus het RIVM, niet van mens naar mens overdraagbaar. De bacterie houdt zich op in veel verschillende dieren, in Nederland vooral in de placenta en het vruchtwater van besmette melkgeiten en melkschapen. De micro-organismen komen vrij bij de geboorte van lammeren en schapen, en besmetten de mens wanneer die in contact komt met de pasgeboren dieren, de moeder, of met het door vruchtwater besmette stro. Ook door inademing van besmette micro-organismen kan de mens geïnfecteerd raken. De bacterie is taai: in de vorm van een spore kan de ziekteverwekker maanden overleven en met de wind worden verspreid. Al in 2004 is bekend dat zowel in Frankrijk als in Groot-Brittannië een statistisch verband is aangetoond tussen de windrichting en het optreden van besmettingen. 

Onvoldoende bewijs

Wat te doen als in 2007, in het Noord-Brabantse Herpen, veel wijst op de wind als drager van de bacterie? Op twee van de acht lokale boerderijen worden dieren, mest en melk getest. Op de ene locatie, een hobbyboer, geen spoor van Coxiella burnetii. Op de andere, de enige grote geitenhouder in het dorp, blijkt meer dan de helft van de monsters besmet. Toch, naar wetenschappelijke maatstaven, geldt dat als onvoldoende bewijs om geiten als bron van Q-koorts aan te wijzen. Dan hadden niet twee, maar alle acht bedrijven onderzocht moeten worden. Het onderzoeksverslag in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde houdt dan ook vele slagen om de arm: veel zieken in een gebied met een aantoonbare concentratie besmette geiten, maar nog geen reden voor een algemene uitspraak over de risico’s van Q-koorts. 

De geitensector groeit door, de ruiming van 50.000 dieren leidt slechts tot een knikje in de grafiek

In Den Haag gaan de autoriteiten er al gauw van uit dat het wel meevalt met het besmettingsgevaar van de geit, en met de risico’s van verspreiding van de bacterie. Minister Ab Klink (Volksgezondheid) schrijft in oktober 2007 aan de Kamer: ‘De uitbraak in Herpen (waar het grootste deel van de gevallen woont) lijkt te zijn gestopt, maar er komen wel incidenteel meldingen uit andere gebieden in Brabant.’ Het woord ‘geiten’ komt in Klinks brief slechts één keer voor: ‘Herkauwers (schapen, geiten en koeien) zijn de belangrijkste bron van de ziekte voor de mens. Maar ook andere dieren zoals honden, katten, konijnen, duiven en andere vogels kunnen besmet zijn en zijn meerdere keren een bron van overdracht geweest naar de mens.’

Een vraag van de Partij voor de Dieren – moet de intensieve veehouderij worden beperkt, indien zij gevaar oplevert voor de volksgezondheid? – plaatst minister Klink in een wonderlijk ruim perspectief: ‘[Er] is op dit moment geen aanleiding om het bestaansrecht van de intensieve veehouderij in Nederland ter discussie te stellen.’ Het regeringsbeleid blijft: monitoren en signaleren. Zelfs wanneer na december 2009 50.000 geiten bij grootschalige ruimingen worden gedood, leidt dat slechts tot een knikje in de grafiek. De geitensector groeit door.

Longontstekingen

In 2016 wijst nieuw onderzoek op een verband tussen longontstekingen en geitenhouderijen. De studie beperkt zich tot delen van Noord-Brabant en Limburg, maar daar zijn per 100.000 inwoners wel 89 méér longontstekingen gevonden dan normaal. Wetenschappers houden slagen om de arm: de samenhang is statistisch relevant maar er is geen onomstotelijk bewijs dat de extra longontstekingen worden veroorzaakt door iets uit de stallen. Toch is voor Noord-Brabant alleen al de suggestie genoeg. Vanaf juli 2017 geldt in de provincie een geitenstop. Vergunningen voor nieuwe of grotere stallen worden geweigerd. Gelderland volgt eind augustus van datzelfde jaar en binnen enkele maanden geldt in de meeste provincies een vestigings- en uitbreidingsverbod: Flevoland, Overijssel, Limburg, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland. Op advies van de provinciale GGD voert ook Friesland in februari 2019 een geitenstop in.

Maar daar gaat in augustus alweer een streep door: de provincie telt slechts 22 gespecialiseerde geitenbedrijven en die moeten gelegenheid krijgen om te groeien, vindt de meerderheid van CDA, VVD, ChristenUnie, Forum voor Democratie en PVV. Zeeland en Drenthe denken de groei te kunnen beheersen met algemene regels voor de intensieve veehouderij. Groningen vindt een geitenstop sowieso nergens voor nodig. De regering wil zich er niet mee bemoeien en wacht op nader onderzoek, schrijven de ministers Bruno Bruins (Zorg) en Carola Schouten (Landbouw) in februari 2019 aan de Tweede Kamer: ‘Zolang er geen oorzaak [van de longontstekingen, red.] is gevonden is er ook geen objectief aangrijpingspunt op basis waarvan risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden, zoals een nationale begrenzing van de melkgeitenhouderij. Een nationaal vestigingsverbod of een nationaal maximum aan het aantal geiten wordt om die reden op dit moment niet overwogen.’ 

Toch lijken de geitenstops wel een effect te hebben: geitenhouders weten hun melk veel duurder te verkopen dan hun collega’s met koeien

Ondanks de provinciale vestigings- en uitbreidingsverboden groeit de geitenstapel met een recordsnelheid van 533.000 in 2017 naar ruim 614.000 in 2019. Alleen al in Noord-Brabant, de meest door Q-koorts getroffen provincie en de eerste met een vestigings- en uitbreidingsverbod voor geitenhouders, kwamen er vorig jaar 3082 geiten bij. Toch lijken de geitenstops wel een effect te hebben: geitenhouders weten hun melk veel duurder te verkopen dan hun collega’s met koeien: 63 cent per liter geitenmelk in 2019, tegen 36 cent per liter koemelk. Ook het inkomen van de geitenhouder is bovenmodaal: gemiddeld 102.000 euro in 2019, een stijging van 25.000 euro ten opzichte van 2018.

Sector denkt aan keurmerk

De sector moet verder kunnen, vindt geitenhouder en LTO-voorman Jos Tolboom: ‘Als er duidelijkheid is over de oorzaken van die hogere kans op longontsteking, weten we wat we kunnen doen. Dan kan de geitenstop worden opgeheven. Wij denken als sector aan een eigen keurmerk dat we aanbieden aan de provincies. Je kunt je voorstellen dat er aan een bedrijf met 500 geiten andere eisen worden gesteld dan aan een bedrijf met 3.000. Er moet snel een einde aan de twijfel komen. Wat ons betreft: zoek zo diep mogelijk naar die speld in de hooiberg.’

Tien jaar geleden, toen al duizenden mensen ziek waren geworden, kwam de overheid met hangen en wurgen tot maatregelen om de Q-koortsepidemie te bedwingen: geiten dodem, of preventief vaccineren. Nu de dieren een nieuw gezondheidsrisico lijken op te leveren – extra longontstekingen onder omwonenden – voltrekt zich een vertrouwd scenario: een lange reeks studies naar de precieze oorzaak. Overheidsoptreden om het aantal geiten te verminderen? Den Haag kijkt nog even weg. Provincies die hun inwoners willen beschermen, zijn op zichzelf aangewezen. Zo ook de patiënt die vreest dat hij zijn longproblemen te danken heeft aan de geitenhouderij.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Miro Lucassen

Gevolgd door 290 leden

Fileert voor FTM kwesties rond lokaal bestuur en houdt ervan om ingewikkelde zaken terug te brengen tot de kern.

Dit artikel zit in het dossier

FTM Lokaal

Gevolgd door 1499 leden

Van Noord-Oost Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen en van Den Helder tot Maastricht: deze waakhond komt naar je toe.

Volg dossier