Follow the Money volgt in een serie artikelen het geldspoor in de wetenschap. Vandaag het eerste deel over het grote gewicht van externe opdrachtgevers

    Hieronder het eerste artikel in een serie over de Nederlandse wetenschap. Als Follow the Money zich op de wetenschap stort, dan mag u verwachten dat we de geldsporen gaan volgen. We nemen u mee op pad en stellen onderweg tips, commentaar en kritiek op prijs. Dat kan in openlijke reacties onder het artikel of direct aan de auteurs Fleur Launspach en Ruben Munsterman (Fleur@ftm.nl en Ruben@ftm.nl). Wij stellen om te beginnen de simpele vraag: wat is er bekend over hoe onze wetenschap wordt gefinancierd? Universiteiten krijgen hun basisfinanciering van de overheid, ook wel de eerste geldstroom genoemd. Dat geld mag een universiteit naar eigen inzicht besteden aan onderwijs en aan onderzoek. Denk aan de energierekening, de schoolbanken, koffie voor de leraren tot de instrumenten van de artsen in opleiding. Het bedrag dat Nederlandse universiteiten uit de eerste geldstroom aan onderzoek besteden is van 2003 tot 2012 ietsje gestegen, zoals blijkt uit een rapport van Ernst & Young, dat dit jaar is opgesteld in opdracht van de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Dan zou je denken dat universiteiten een groter budget besteden aan wetenschappelijk onderzoek, maar dat is niet het hele verhaal. Een steeds groter deel van het onderzoeksbudget uit de eerste geldstroom wordt steeds minder ‘vrij’ omdat universiteiten er in toenemende mate voor kiezen om dat geld te besteden aan onderzoeken van externe opdrachtgevers zoals bedrijven. Ook wel matchingbehoefte genoemd. In de periode van 2003 - 2012 legde de universiteit gemiddeld 0,74 euro in voor elke euro die een externe opdrachtgever inlegde.

    96 procent meer externe opdrachtgevers

    Projectfinanciering van externe opdrachtgevers is in de periode 2003 - 2012 met maar liefst 96 procent toegenomen. Matching tussen bedrijven en universiteiten slokt daardoor een steeds groter deel van het vrije onderzoeksbudget op. Zo kunnen universiteiten minder besteden aan vrij wetenschappelijk onderzoek, terwijl externe opdrachtgevers dankzij het matchingprincipe juist tegen een fikse korting onderzoek kunnen doen. De universiteit legt bij om iets te onderzoeken dat in het voordeel van een bedrijf is; anders zou het bedrijf daar immers geen onderzoek naar laten doen. Een mooi buitenkansje: onderzoek dat voorheen op een intern bij een bedrijf op de R&D-afdeling werd gedaan, kan nu deels genieten van extra universiteitsgeld  en -personeel.
    In de praktijk is er voor academici steeds minder budget om vrij onderzoek te doen
    Dat betekent in de praktijk dat er voor academici steeds minder budget is om vrij onderzoek te doen naar onderwerpen die uit hun eigen nieuwsgierigheid ontstaan. Wetenschappelijk onderzoek waar op de lange termijn misschien een revolutionaire ontwikkeling uit voortkomt - zoals de ontdekking van de laser, internet of antibiotica - wordt ingewisseld voor onderzoeken naar de houdbaarheid van een liter melk. Praktisch, haalbaar en lucratief.

    Weinig ruimte voor fundamenteel onderzoek

    Hoogleraren en onderzoekers geven zelf ook aan dat er steeds minder ruimte is voor fundamenteel onderzoek. Volgens een onderzoek van Follow the Money onder hoogleraren van een universiteit is ruim 70 procent van de ondervraagden van mening dat er momenteel te weinig ruimte is voor fundamenteel onderzoek (in de toekomst hoort u meer over dit onderzoek van FTM). Het gebrek aan onderzoeksfinanciering - dat deels ontstaat vanuit matchingbehoefte - maakt dat onderzoekers buiten de universiteit hun financiering moeten zoeken. De ironie is dat dit ‘contractonderzoek’ vervolgens weer door de eigen universiteit deels kan worden gesponsord, waardoor er nog minder geld in het vrije onderzoekspotje terechtkomt. Een vicieuze cirkel? Ja, het rapport van Ernst & Young concludeert dat de eerste geldstroom op termijn geen geld meer bij kan leggen om de vele onderzoekers van externe opdrachtgevers tegemoet te komen. Het meeste geld van deze externe opdrachtgevers is afkomstig van private partijen. Niet-overheidsgerelateerde partijen, voornamelijk bedrijven en publiek-private consortia, waren in 2012 goed voor een financiering van 936 miljoen. Ook de Europese Unie heeft, met een totale financiering van 213 miljoen euro aan onderzoeken in 2012, een behoorlijke invloed op de academische agenda van Nederland. Het door kabinet Rutte I herbevestigde ‘topsectorenbeleid’ is erop gericht om de samenwerking tussen bedrijven en wetenschap te stimuleren en draagt ook bij aan de toenemende matchingbehoefte. In de periode 2012-2015 maakt de overheid circa 7 miljard euro beschikbaar voor deze topsectoren.

    Wetenschapsfinancier nummer 1

    Desalniettemin blijft de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) Nederlands grootste wetenschapsfinancier. Simpel gezegd is de NWO een beheerder van het wetenschapsgeld van de overheid, dat wordt ondergebracht in de ‘tweede geldstroom’ van universiteiten. De NWO ontvangt haar geld voornamelijk van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en een klein deel van het ministerie van Economische Zaken. In de praktijk houdt zij zich bezig met het uitschrijven van ‘calls’, het organiseren van thematische projecten en het verdelen van geld op basis van competitie (wie met het beste onderzoeksvoorstel komt wint). De lijnen van NWO worden niet uitgezet door wetenschappers zelf, maar door de regering. Zo moet de grootste wetenschapsfinancier van Nederland in 2015 minstens 275 miljoen euro (op een totaalbudget van 680 miljoen euro) besteden aan de door het kabinet aangewezen negen topsectoren: tuinbouw & uitgangsmaterialen, agrifood, water, levenswetenschappen & gezondheid, chemie, technologie, energie, logistiek en - deze laatste is er met veel moeite bij gekomen - creatieve industrie. Ook hier lonkt de invloed van het bedrijfsleven. De regel bij onderzoeken die geld krijgen uit het potje van het topsectorenbeleid is dat ze vergezeld moeten worden van de steun van een private partij. Hier speelt, net als bij de eerste geldstroom, het principe van matchingbehoefte op. In elk geval geldt: zonder medewerking van een bedrijf geen onderzoek.

    De prijs van succes

    Al in 2004 sprak de Adviesraad het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) in het rapport ‘De Prijs van Succes’ zijn zorgen uit over matching en de invloed van bedrijven. 'Er is sprake van eenzijdigheid in sturing, met een sterke nadruk op "kennis voor innovatie in bedrijven". Een groot deel van de financiering in tweede en derde geldstroom richt zich immers op kennisontwikkeling die interessant is voor technologische innovatie in bedrijven.' Dat gaat volgens AWT ten koste van de kennisontwikkeling van andere sectoren en disciplines.
    'Er is sprake van eenzijdigheid in sturing, met een sterke nadruk op "kennis voor innovatie in bedrijven"'
    Het rapport van AWT was tien jaar geleden. Inmiddels is projectfinanciering op de universiteit ten opzichte van de overheidsbekostiging met nog eens 83 procent toegenomen, staat in het rapport van Ernst & Young. Dat betekent dat de zorgen van de AWT in 2004 alleen maar groter moeten zijn geworden. Bovendien is de verwachting dat de komende jaren de matchingbehoefte verder toeneemt. Het nieuwe Europese onderzoeksprogramma ‘Horizon2020’ heeft een totaalbudget van 79 miljard euro, dat is 41 procent hoger dan het voorgaande EU-programma KP7. Nederlandse wetenschappers zijn goed in het binnenhalen van financiering uit Brussel, dus het KP7-programma zal een nog grotere hap nemen uit het vrije onderzoeksbudget. Meer samenwerking met het bedrijfsleven, tot op welke hoogte tast dit de onafhankelijkheid en innovatie van de Nederlandse wetenschap aan? De meningen zijn verdeeld. Enerzijds wordt de ontwikkeling bejubeld en is Nederland trots op de ‘economische benutting van de wetenschap’. Wageningen Universiteit is een veelgeprezen voorloper van samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven en wordt door ministers een ‘internationaal voorbeeld’ genoemd. Aan de andere kant maken hoogleraren zich zorgen over de onafhankelijkheid van hun vak. Zij moeten externe opdrachtgevers lief aankijken voor financiering of een samenwerking, terwijl de eigen nieuwsgierigheid minder telt. In het volgende artikel interviewt Follow the Money Hans Clevers, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) over innovatie en maatschappij.  
    Welke geldstromen zijn er? De eerste geldstroom van universiteiten is direct afkomstig van de Nederlandse overheid. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De tweede geldstroom is afkomstig van zelfstandige publieke organisaties als de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). De NWO ontvangt haar geld voornamelijk van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en een klein deel van het ministerie van Economische Zaken. De derde geldstroom is projectgebonden financiering, vaak van private instellingen zoals bedrijven en stichtingen maar ook van ministeries en de Europese Unie.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Fleur Launspach en Ruben Munsterman

    Volg Fleur Launspach en Ruben Munsterman
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Wetenschap op bestelling

    Gevolgd door 335 leden

    Het onderzoeksbudget aan universiteiten is de afgelopen jaren afgeknepen. Academische onderzoekers gaan daardoor noodgedwonge...

    Volg dossier