De geschiedenis leert: vertrouw geen buitenlandse centrale banken

Mario Draghi suggereerde dat Nederland vertrouwen moet hebben in de Europese Centrale Bank. Maar de President van de ECB vergeet daarbij dat we ooit in een ver verleden vertrouwen hadden in een buitenlandse centrale bank. Dat vertrouwen bracht toen rampzalige gevolgen met zich mee.

Deze maand was Mario Draghi, de President van de Europese Centrale Bank (ECB), in de Tweede Kamer. Het doel was om het beleid van de instelling die hij aanvoert uit te leggen. Op 17 mei gaf ik een lezing over de lessen uit de Nederlandse monetaire historie voor het heden en de toekomst. Na afloop vroeg een toehoorder om een korte samenvatting van het bezoek van Draghi. ‘Vertrouw ons’ was in mijn ogen de hele korte, maar ook juiste samenvatting. 

Bij alle partijen in de Kamer – D66 en GroenLinks uitgezonderd – is er veel bezorgdheid omtrent de maatregelen die de ECB in de afgelopen jaren heeft genomen. Draghi’s impliciete antwoord op deze zorgen was dat men vertrouwen moet hebben in de ECB: vertrouwen dat de Europese Bank doet wat nodig is, en vertrouwen dat de bank op het juiste moment met haar beleid zal stoppen om te voorkomen dat de negatieve bijeffecten gaan overheersen.

Vertrouwen hebben in de ECB zou niet bepaald een logische stap zijn

Onlangs heb ik in dit artikel laten zien dat vertrouwen hebben in de ECB niet bepaald een logische stap zou zijn. De bank misleidt ons voortdurend om de rente maar níet te hoeven verhogen, anders gezegd, om maar níet het juiste te doen. Maar er is meer: Nederland wordt gevraagd een buitenlandse centrale bank te vertrouwen. Er zijn in het verleden meerdere voorbeelden te vinden die laten zien dat voorzichtigheid daar geboden is.

Al vóór de oprichting van De Nederlandsche Bank was het Nederlandse geld — net als dat van alle andere landen — gekoppeld aan goud of zilver. Ook toen Nederland vlak na de oprichting van DNB zijn eerste bankbiljetten kreeg, veranderde dat niet. 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd die zogeheten goudstandaard (of zilverstandaard, als de munten aan zilver gekoppeld waren) wél opgeschort. Na het einde van de oorlog werd deze echter weer in ere hersteld; in Nederland gebeurde dat op 29 april 1925.

Vertrouw ons maar, editie 1931

Op datzelfde moment ging ook Engeland weer terug naar de goudstandaard. Omdat dat land ook toen al een zeer belangrijke handelspartner van Nederland was, besloot DNB een deel van de Nederlandse goudvoorraad om te zetten in ponden. In tegenstelling tot het aanhouden van goud, leverden die ponden namelijk wél rente op.

"Naar schatting verloor de wereldeconomie van 1929 tot 1932 zo’n 15 procent van haar totale omvang"

Gedurende enkele jaren was er niets aan de hand, maar in september 1929 begonnen de aandelenkoersen in de Verenigde Staten te dalen. De neergang had uiteindelijk de beurskrach van dinsdag 29 oktober 1929 tot gevolg en daarmee begon wat in de geschiedenisboeken als de Grote Depressie bekend staat. Naar schatting verloor de wereldeconomie in de drie jaar na ‘Black Tuesday’ (van 1929 tot 1932) zo’n 15 procent van haar totale omvang. Ter vergelijking: de totale economische neergang als gevolg van de crisis van 2008 bedroeg het jaar daarop wereldwijd nog geen procent.

Door die enorme klap vonden de overheden dat ze niet langer konden stilzitten; er moest actie ondernomen worden om de situatie te verbeteren. De goudstandaard stond actief ingrijpen echter in de weg.

Begin jaren dertig begonnen beleggers zich af te vragen of Groot-Brittannië de gouden standaard in stand zou kunnen — of zelfs willen — houden. Die vrees en onzekerheid over het vasthouden van de monetaire koers van Groot-Brittannië leidde tot een enorme druk op het pond sterling. De regering in Londen deed er alles aan om de munt te verdedigen. De Britse centrale bank leende bijvoorbeeld enorme bedragen bij de Fed en de Franse centrale bank om de koers van het pond te kunnen steunen met grootschalige aankopen. 

De Bank of England verzekerde onze centrale bank dat zij de koers van het pond onder alle omstandigheden zou handhaven

Het mocht allemaal niet baten. In september 1931 werd de druk op de autoriteiten in Londen onhoudbaar en op 19 september kondigde Groot-Brittannië aan het pond los te koppelen van het goud. Ook Australië, Canada en Nieuw-Zeeland zeiden vaarwel tegen goudstandaard.

Garantie

Al die tijd volgden de DNB en Nederland de situatie in Groot-Brittannië met extra belangstelling. Niet alleen omdat Groot-Brittannië een belangrijke handelspartner was, maar ook omdat een groot deel van de Nederlandse deviezenreserves zoals gezegd in ponden luidde. Zou Groot-Brittannië het pond losmaken van het goud, dan zou die behoorlijk in waarde dalen — waardoor de waarde van de Nederlandse deviezenreserves ook minder waard zouden worden. 

De Engelse zusterinstelling van DNB, de Bank of England, verzekerde onze centrale bank herhaaldelijk dat zij de koers van het pond onder alle omstandigheden zou handhaven op het normale niveau. Gezien het belang voor Nederland reisde DNB-President Gerard Vissering echter toch naar Londen af om de situatie beter te kunnen inschatten. 

Vissering wilde dat Londen De Nederlandsche Bank als een bijzondere schuldeiser beschouwde. Volgens hem zou de Bank of England de ponden die DNB in bezit had bij een eventuele waardedaling bijvoorbeeld tegen de oude koers terug moeten kopen. Na enkele gesprekken op hoog niveau in Londen dacht Vissering die belofte binnen te hebben; gerustgesteld keerde hij huiswaarts.

Het gerucht ging dat er binnen DNB een lijst opgesteld was die aangaf hoe de inboedel verdeeld moest worden

Toen Groot-Brittannië in september 1931 bekend maakte van de goudstandaard af te stappen en het pond in reactie daarop 20 procent in waarde zakte, dacht DNB dan ook dat de schade voor Nederland beperkt zou blijven. Dat bleek echter een vergissing te zijn. De Britten ontkenden namelijk doodleuk dat ze DNB en Nederland ooit een dergelijke garantie gegeven hadden.

Daarmee was een van de pijnlijkste episodes in de moderne monetaire geschiedenis van Nederland een feit. DNB zag de waarde van de Nederlandse deviezenreserves zodanig dalen, dat de centrale bank failliet dreigde te gaan. Het gerucht gaat dat er binnen DNB in die tijd al een lijst opgesteld was die aangaf hoe de inboedel verdeeld moest worden.

Het verlies van ongeveer 30 miljoen gulden voor DNB was een forse; de financiële schade zou uiteindelijk pas in de lente van 1940 weggewerkt zijn. De ramp betekende ook het einde van het presidentschap van Gerard Vissering. Op 11 oktober 1931 trad hij af en trok zich zo goed als volledig terug uit het zakelijke leven. 

En tóch zouden Nederland en DNB zich veertig jaar later voor de tweede keer aan dezelfde steen stoten.

"De verleiding om aan de geldpers te komen bleek te groot te zijn"

Vertrouw ons maar, editie 1971

Toen Nederland in september 1936 als laatste land afstapte van de goudstandaard werd deze definitief ter ziele gedragen. Daarmee verloor het internationale monetaire stelsel zijn anker. Omdat dat een ongewenste situatie was, werd nog vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Amerikaanse stadje Bretton Woods de blauwdruk van het internationale financiële stelsel voor na de oorlog gemaakt. 

In dat stelsel kreeg de Amerikaanse dollar de belangrijkste rol. De munt werd vastgeklonken aan goud en alle andere munten van de vrije landen werden op hun beurt vastgekoppeld aan de dollar. Zo was er sprake van een indirecte gouden standaard. De gulden kreeg daarmee tot op zekere hoogte weer een anker, nadat het dat in de jaren dertig verloren had.

Dit stelsel werkte zolang het belangrijkste land, de Verenigde Staten, zich aan de spelregels hield. Maar dat deed Washington niet: de verleiding om aan de geldpers te komen bleek te groot. De Amerikaanse centrale bank drukte te veel dollars, vooral vanaf eind jaren zestig. Andere landen — Frankrijk voorop — werden daardoor bang dat er wel eens zo veel dollars in omloop zouden kunnen zijn, dat die nooit allemaal tegen een vaste prijs terug zouden kunnen worden gewisseld voor goud. 

Anno 2017 vraagt wederom een ‘buitenlandse’ centrale bank om Nederlands vertrouwen

Frankrijk bleek niet het enige land te zijn dat de VS wantrouwde. Verschillende landen wilden het zekere voor het onzekere nemen en stuurden hun dollars naar Washington met het verzoek aan de Amerikanen om goud terug te sturen. De Amerikaanse goudvoorraad slonk zienderogen.

Ook nu maakte Nederland zich dus grote zorgen om de waarde van zijn voorraden, in dit geval van goud. In juli 1971 wilde Nederland daarom in één keer 250 miljoen dollar terugwisselen voor goudstaven.

De Amerikanen reageerden verbolgen; daarop ging De Nederlandsche Bank met de Amerikanen in gesprek. DNB wilde van de Amerikanen horen dat ze bereid waren de dollars — in bezit van Nederland — om te wisselen in goud zogauw Nederland daar om vroeg. Als de VS die garantie konden geven, dan zou DNB het bedrag van 250 miljoen dollar niet in een keer en op de korte termijn omzetten in goud. De Amerikanen gingen akkoord; DNB was gerustgesteld.

Nauwelijks een maand later verbrak Nixon echter de koppeling tussen de dollar en het goud en daarmee de inwisselbaarheid van onze dollars voor goudstaven. De afspraak tussen DNB en de Amerikanen bleek waardeloos te zijn. Onze centrale bank en ons land — inmiddels was DNB Staatseigendom geworden — bleven zitten met miljoenen dollars die met de dag minder waard werden. 

Anno 2017 vraagt wederom een ‘buitenlandse’ centrale bank om Nederlands vertrouwen. Het zal toch niet zo zijn dat we er ergens in 2021 achterkomen dat Nederland zich wéér aan diezelfde steen gestoten heeft?

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Edin Mujagic

Gevolgd door 927 leden

Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

Volg Edin Mujagic
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren