De geschiedenis van het ‘banqueroet’

    De Nederlandse Republiek was het eerste land in Europa waar faillissement definitief uit de criminele sfeer verdween.

    In de geschiedenis van schuld is er een spanning tussen de moraal van schuld en de economie van schuld. Schulden moeten betaald worden, maar schulden kunnen dikwijls niet betaald worden. Moet de debiteur worden uitgekleed als deze onvermijdelijkheid zich voordoet of moet ook de crediteur een verlies nemen? Is alleen de debiteur schuldig aan zijn eigen overkreditering of draagt ook de crediteur verantwoordelijkheid?
     
    Door de geschiedenis heen is er op verschillende manieren omgegaan met deze spanning. De Nederlandse geschiedenis van het bankroet is illustratief voor deze spanning. In onze gouden eeuw veranderde het Nederlandse faillissementsregime ingrijpend. Nederland werd het eerste land in Europa waar bankroet uit de criminele sfeer werd gehaald. 
     
    Habsburgse Nederlanden
    Aan het begin van de 16e eeuw was bankroet het schandaal van de commercie. De schuld voor wanbetaling werd eenzijdig neergelegd bij de debiteur. Alleen hij moest de zware gevolgen van zijn falen dragen. In het Placaat van 1540 uitgevaardigd door Karel V werd insolventie als een misdaad betiteld. Iemand die zijn verplichtingen niet na kon komen zou ‘gehouden en geacht worden voor openbaare dieven,als straatschenders en vyanden van der gemeene welvaart.’ Voor wanbetalers was alleen de zwaarste straf genoeg. De rechter diende hen te veroordelen ‘ter dood metter koorde, sonder verdrag, faveur, ofte dissimulatie.’ Verzuimden rechters en officieren de doodstraf op te leggen, dan waren ze zelf persoonlijk aansprakelijk voor de schulden. Zelfs ‘banquerouten’ die uiteindelijk wel hun schulden betaalden moesten volgens het placaat ter dood veroordeeld worden.  
     
    In de lokale praktijk werden zulke wetten lang niet altijd gebezigd. In Leiden en Rotterdam konden debiteuren in bepaalde gevallen boedelafstand doen, hun bezittingen verkopen en vervolgens gevrijwaard worden van arrestatie, geseling of executie. De schuldenaar werd echter wel ‘te pronk’ gesteld, voordat hij boedelafstand kon doen. “Voor ’t stadhuys aldaer te stane in hoir onderste kleed, drie dagen achter een volgende, op een plaetse hoogh synde drie ofte vier trappen, elcken dach een uyre, te weten van half twaelven tot half een op de middach.” 
     
    Het 'stadhuys' van Leiden
     
    Fysieke sancties verdwenen in de loop van de zestiende eeuw uit de lokale praktijk van de grote handelssteden. Al was het alleen maar omdat het volkomen onpraktisch was om elke ‘banqerout’ te executeren. In plaats daarvan kwamen schaamtesancties. Nog steeds bleef bankroet echter een deels strafrechtelijk karakter hebben. 
     
    Handelskapitalisme
    Aan het eind van 16e eeuw vond men in de Lage Landen een andere manier om met het schuldprobleem om te gaan. ‘De ontwikkeling van de handel en de daarmee verworven respectabiliteit van de koopman droegen er gaandeweg toe bij dat de insolventie uit de criminele sfeer werd gehaald,’ stelt rechtshistoricus Eric Dirix vast.
     
    Het opkomende kapitalisme leefde bij het nemen van risico’s, maar met meer risico’s kwam meer falen en waar krediet is, is failliet. Het draconische insolventieregime stond op gespannen voet met de vereisten van de commercie. Het belemmerde ondernemerschap en verstoorde de sociale rust.
     
    Faillissementen verliepen vaak wanordelijk, omdat de gefailleerde debiteur de stad ontvluchtte en zoveel mogelijk van zijn bezittingen meenam. In het oud-Hollands recht werden ‘banquerouten ende fugitiven’ vaak in één adem genoemd. Bovendien was er lange tijd geen garantie dat de boedel van een gefailleerde debiteur eerlijk werd verdeeld onder de crediteuren. Wie als eerst kwam en beslag legde op de boedel kreeg het meest. 
     
    ‘Ene Camere van Desolate Boedels’ 
    In 1627 werd in Amsterdam besloten een ‘Camere van Desolate Boedels’ op te richten. De Desolate Boedelskamer werd gevestigd op de eerste verdieping van het stadhuis op de Dam. Boven de ingang van de Kamer hing een afbeelding van de val van Icarus. Icarus was een Grieks mythologisch figuur die, met zijn vader vleugels maakte om te ontsnappen uit hun gevangenschap. Bij zijn vlucht werd Icarus echter te enthousiast en vloog hij te dicht bij de zon, waardoor de was van zijn vleugels smolt en hij ter aarde stortte. 
     
    Het iconische beeld van de Val van Icarus was ongetwijfeld niet willekeurig gekozen door de oprichters van de Desolate Boedelkamer. In de nieuwe wereld van de commercie zouden er mensen zijn die door onkunde, roekeloosheid of pure pech betalingsproblemen kregen. De Desolate Boedelkamer gaf deze Icarussen van het kapitalisme een zachte landing.
     
    Het relief met de Val van Icarus boven de Desolate Boedelkamer
     
    Bij wanbetaling meldde de crediteur bij de Desolate Boedelskamer dat de debiteur ‘in zodanige ongelegenheid van zaaken was geraakt, dat hij genoodzaakt wordt, zijne betaalingen te suspendeeren’. Twee commissarissen werden door de Kamer benoemd om een inventaris te maken van de bezittingen en schulden van de wanbetaler. Bankrekeningen werden bevroren en panden verzegeld. Niemand kon na de interventie van de Desolate Boedelskamer spullen van de wanbetaler verkopen, contracten met hem sluiten of onderpand uitwinnen. 
     
    De debiteur kreeg daarop zes weken de tijd om tot een akkoord te komen met zijn crediteuren. Als tweederde van de crediteuren instemden met het akkoord en de commissarissen geen frauduleuze handelingen constateerden, dan werd het akkoord geratificeerd door de commissarissen en werden alle crediteuren, ook zij die niet hadden getekend, gebonden aan de inhoud van het akkoord. 
     
    Hendrick Van der Burgh
    Hendrick van der Burgh was één van de vele Amsterdammers die in 1697 bij de desolate boedelkamer meldde dat hij zijn ‘deugdelyck aghterweezen’ (resterende schuld) niet kon betalen. Hendrick van der Burgh had schulden van 8869 guldens uitstaan bij maar liefst 58 verschillende crediteuren. 
     
    In juni 1697 kwam van der Burgh tot een akkoord met de meerderheid van zijn crediteuren. Hendrick moest ‘voldoen ende betalen acht per cento over elex deugdelyck aghterweezen.’ Nadat de acht procent was voldaan zouden de crediteuren het resterende bedrag kwijtschelden en stond het van der Burgh weer vrij om te ‘handelen en negotieeren’ als voorheen. Mocht van der Burgh in de toekomst echter weer ‘komen te prospereren’ dan moest hij alsnog ieder van zijn crediteuren ‘soveel voldoen en betaalen als ’t hem eenigzintz moogelyck sal zyn’.
     

    Het crediteurenakkoord van Hendrick van der Burgh 
     
    Hendrick Van der Burgh was niet de enige Amsterdammer die tot een akkoord met zijn crediteuren kwam. Het archief van de desolate boedelkamer bevat duizenden crediteurenakkoorden. Omdat zonder akkoord crediteuren een kostbare faillissementsprocedure moesten doorlopen was het afsluiten van een coulant akkoord vaak voordeliger. ‘Veel crediteuren gingen liever een nadelig akkoord aan, in plaats van de boedel insolvent te doen verklaren,’ aldus de historicus van de Desolate Boedelskamer Goswin Moll. 
     
    Cessio Bonorum
    Als er geen akkoord werd gesloten dan was de laatste uitweg de cessio bonorum (in de volksmond ‘de Ces’). De Ces kwam er op neer dat de debiteur al zijn spullen, met uitzondering van een bepaald minimum voor levensonderhoud, moest verkopen. De debiteur kon vervolgens niet meer in gijzeling worden genomen of worden gearresteerd. Curatoren verkochten alle bezittingen en met de opbrengst werden crediteuren naar rato uitbetaald. Zo lang de debiteur gedurende de Ces ter goeder trouw had gehandeld werd zijn schuld vaak kwijtgescholden.
     
    Er waren ook prikkels om de debiteur te belonen als hij had meegewerkt om een maximale opbrengst voor zijn crediteuren te genereren. Kregen crediteuren 20 procent van hun schulden terugbetaald, dan mocht ook de debiteur 3 procent van de opbrengst van de verkoop opstrijken. Bij een hogere opbrengst waren de beloningen nog groter. 
     
    De coulance van het faillissementsregime bleef niet onopgemerkt in de Republiek. De Amsterdamse dichter en toneelschrijver Gerbrand Bredero dreef subtiel de spot met het faillissementsregime van zijn stad. 
     
    ‘En oft schoon  so gheviel,  dat hij  quam  te fallieren; 
    En loopt hij om een Ces,  't is weer een  man met eeren.’ 
     
    Rehabilitatie
    In de Republiek was het principe dat schulden die niet betaald konden worden, ook niet betaald zullen worden, beter ingebakken dan in de rest van Europa. In plaats van bestraffing kwam er een ordelijke procedure voor rehabilitatie van debiteuren en redelijke compensatie van crediteuren. De ‘schone lei’ werd geïnstitutionaliseerd en straffen werden beperkt tot gevallen waarin de debiteur tijdens de faillissementsprocedure niet ‘ter goeder trouw’ had gehandeld. 
     
    Natuurlijk bleven er moralisten die de onzedelijke gang van zaken in Nederland veroordeelden. De Nederlandse dominee Daniel Sauterius schreef bijvoorbeeld een boek bestaande uit een lange opsomming van de misdaden van ‘banqerouten’.  “Als de banqeroeten, die vaderenvan de fraude, de getrouwheid volkomen ondermijnen en wegnemen, wie twijfelt er dan aan dat de Gemenebest, zolang er geen preventieve maatregelen worden genomen, spoedig geruïneerd zal zijn?” waarschuwde Sauterius. Het boek werd al snel vertaald in het Engels, Duits en Frans, talen waarin de boodschap van Sauterius een vruchtbare bodem vond. 
     
    In de rest van Europa zouden er namelijk nog eeuwen overheen gaan voordat men even ver was als Nederland. Gevangenneming van debiteuren die in gebreke bleven was aan het begin van de 17e eeuw de norm in Engeland. In 1623 besloot koning James er nog een schepje bovenop te doen. Gefailleerden die niet konden aantonen dat het bankroet volledig buiten hun schuld lag werd een oor afgesneden. Pas in de wet van 1705 konden gefailleerden verlost worden van hun schulden door hun bezittingen te verkopen. Deze wet gold echter alleen voor handelaren en oneerlijke gefailleerden konden in de nieuwe wet de doodstraf krijgen.
     
    Zo kon het geschieden dat Rembrandt van Rijn, Nederlands grootste schilder, in 1656 failliet ging, zijn bezittingen verkocht, en uiteindelijk, hoewel zijn reputatie was beschadigd, zijn werk voort kon zetten. Terwijl de beroemde Britse schrijver Charles Dickens in 1824 als twaalfjarige aan het werk moest om zijn familie uit de schuldenaarsgevangenis te krijgen. Pas in 1868 zou gevangenisstraf voor schulden in Groot-Brittannië definitief worden afgeschaft. 
     
    De Staalmeesters, een schilderij van Rembrandt van zes jaar na zijn faillissement.
     
    Lering trekken
    De individualistische benadering van schuld, waarin overkreditering en wanbetaling puur en alleen aan de dwaasheid en overmoed van de debiteur waren te wijten, werd in de Republiek losgeloten voor een holistische benadering, waarin overkreditering en wanbetaling een probleem is waar zowel crediteur als debiteur verantwoordelijkheid voor dragen. Inmiddels is in vrijwel iedere moderne economie een faillissementsregime, waarin niet alleen de debiteur moet bloeden, maar ook de crediteur zijn verlies moet nemen.
     
    De schuldproblemen van het heden vragen ook om een herbezinning op de vraag welke schulden betaald moeten worden en onder welke voorwaarden. Hoe coulant moeten we zijn om de economische motor niet tot stilstand te laten brengen door te eisen dat onbetaalbare schulden betaald worden? En hoe hard moeten we zijn om debiteuren niet te belonen voor hun eigen fouten? Een juiste balans vinden tussen deze twee is al eeuwen een werk in ontwikkeling.  

     

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jesse Frederik

    In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

    Volg Jesse Frederik
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren