Op 13 november 2017 ondertekende toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra een document waarmee lidstaten bekendmaakten meer te willen samenwerken op gebied van defensie. Naast Zijlstra zit toenmalig minister Ank Bijleveld (Defensie).

Op 13 november 2017 ondertekende toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra een document waarmee lidstaten bekendmaakten meer te willen samenwerken op gebied van defensie. Naast Zijlstra zit toenmalig minister Ank Bijleveld (Defensie). © Europese Unie

Rutte kreeg in Brussel de bijnaam Mr No. Zijn ministers zeggen steeds vaker ‘ja’

Tijdens zijn derde kabinet kreeg premier Rutte de bijnaam Mr No in Brussel, maar zijn ministers stemden vaker voor Europese wetgeving dan zijn vorige kabinetten. Dat blijkt uit een analyse van stemmingen door Follow the Money. In demissionaire status stemt Nederland nog vaker voor. Deel 1 van een tweeluik.

Dit stuk in 1 minuut
  • Bij het televisieprogramma Buitenhof werd Diederik Samsom, rechterhand van klimaateurocommissaris Frans Timmermans, zondag gevraagd te reflecteren op de gevolgen van de maandenlange impasse in de formatie op de strijd tegen klimaatverandering. ‘Ik weet niet of dat een geruststellende gedachte is voor veel mensen, maar vanuit Brussel wordt gewoon doorgewerkt,’ verklaarde Samsom. ‘Daar dendert een trein door met een wetgevend pakket wat straks ook voor Nederland grote consequenties gaat hebben op alle terreinen van onze economie.’
  • Die trein aan wetgeving kan alleen doorrijden als de lidstaten akkoord gaan. Ze stemmen over EU-wetgeving in de Raad van de EU.
  • Follow the Money kijkt in een tweeluik naar hoe vaak kabinet-Rutte III in de Raad bij stemmingen vóór stemde, en welke gevolgen dat heeft voor Nederlandse overheidsorganisaties. Vandaag deel 1: Hoe vaak gaf Nederland een groen sein?
  • Uit onderzoek van Follow the Money blijkt dat Nederland slechts sporadisch tegen stemt, hoewel de meeste andere lidstaten dat nog minder vaak doen. In demissionaire status blijken ministers al helemaal niet geneigd om iets anders te stemmen dan vóór nieuwe EU-wetgeving.
Lees verder

Woensdag 22 september verscheen deel 2 van dit tweeluik, over de verborgen kosten voor Nederland van die goedgekeurde Europese plannen: 212 miljoen euro tijdens Rutte III plus jaarlijks 73 miljoen euro (en dat is nog een onderschatting). Lees dat artikel hier

In de zomer van 2020 krijgt Mark Rutte in internationale media een nieuwe bijnaam vanwege zijn houding tijdens een meerdaagse EU-top in Brussel. Premier Rutte (VVD) en zijn collega-regeringsleiders van andere lidstaten zijn in een impasse beland over het  Europees coronaherstelfonds, dat uit miljarden aan leningen maar ook uit subsidies zal bestaan.

De VVD-premier is volgens Agence France-Presse veranderd van een Mr Nice Guy naar Mr. No. Reuters heeft het zelfs, verwijzend naar anonieme Italiaanse en Spaanse diplomaten, over Mr. No, No, No.

Zelf herkent Rutte zich niet zo in die benaming. RTL-correspondent Fons Lambie vraagt: ‘U ziet zich niet zelf als een Meneertje Nee, nee, nee?’ Rutte: ‘Nee hoor, ik zie me als iemand die knokt voor het belang van u en alle andere Nederlanders.’ De commentaren over hem zijn ‘achtergrondruis’.

‘Ik zie me als iemand die knokt voor het belang van u en alle andere Nederlanders’

Of de naam Mr No – of Meneertje Nee, nee, nee – een terechte bijnaam is voor Rutte, valt moeilijk te zeggen. Zijn gesprekken met andere regeringsleiders in de Europese Raad – de officiële naam van de EU-instelling waar Rutte als premier lid van is – zijn vertrouwelijk. 

Bovendien: de Europese Raad maakt geen wetgeving. Ze schetst algemene politieke beleidsdoelen die vervolgens moeten worden uitgewerkt tot wetgeving door andere EU-instellingen. Er vinden in de Europese Raad dan ook nauwelijks formele stemmingen plaats waarbij Rutte nee zou kunnen stemmen – meestal wordt er net zo lang doorgepraat tot er consensus is, of tot wordt besloten een onderwerp door te schuiven.

Dat is anders bij een andere EU-instelling met verwarrend genoeg een vrijwel gelijke naam: de Raad van de EU, kortweg de Raad. Dat is de EU-instelling waarin de regeringen van de lidstaten zijn vertegenwoordigd via diplomaten en ministers. EU-wetgeving, voorgesteld door de Europese Commissie, kan er alleen komen als de Raad ermee instemt.

Brusselse luchtvaarttickets

Toch bestaat er zowel onder politici als de pers een hardnekkige mythe dat Europese afspraken ‘moeten van Brussel’. Dat bleek bijvoorbeeld in mei 2020, toen  luchtvaartmaatschappijen – vanwege de pandemie moesten ze vluchten annuleren – consumenten liever een voucher gaven in plaats van hun geld te retourneren. Volgens Europese regels moeten bedrijven consumenten een keuze geven. Die regels staan in een EU-verordening uit 2004. Volgens notulen van de Raad van de EU stemden de Ierse en Britse delegatie tegen de verordening en onthield Duitsland zich. Nederland stemde in 2004 dus vóór de verordening. Het kabinet bestond toen uit een coalitie van CDA, VVD en D66.

VVD-premier Rutte verdedigde aanvankelijk de luchtvaartmaatschappijen en zei dat vouchers ook goed waren, ook al ‘denkt de Europese Commissie daar anders over’, zo deed het Achtuurjournaal van de NOS verslag, alsof het om een meningsverschil tussen Nederland en de Commissie ging. Rutte zei over het standpunt van de Commissie: ‘Dat vind ik dan niet zo erg als ze geen proces beginnen, dan kunnen we nog even door met de vouchers. We kunnen voorlopig door met de vouchers. Er is geen strafmaatregel.’ Een dag later erkende het kabinet dat luchtvaartmaatschappijen geld retourneren als optie moeten aanbieden.

Minister Ja Ja

Die beeldvorming – ‘het moet van Brussel’ – bestaat al decennia. Twintig jaar geleden publiceerde de Europese Commissie een strategiedocument waarin ze de nationale regeringen verweet hun burgers niet goed te informeren over wat zij in de EU afspreken. ‘De lidstaten wijzen te gemakkelijk met een beschuldigende vinger naar “Brussel” bij moeilijke besluiten waar ze zelf mee hebben ingestemd of zelfs om hebben gevraagd,’ schreef de Commissie in oktober 2001.

Die framing bestaat nog altijd, bleek eerder dit jaar uit een analyse door Follow the Money van de verkiezingsprogramma’s. De PVV sprak van ‘dictaten van ongekozen Brusselse bureaucraten’, terwijl de SP het had over beleid dat is ‘opgelegd door ambtenaren uit Brussel’.

Rutte III stemde 404 van de 418 keer voor wetgeving in de Raad

Met die mythe in het achterhoofd – en het beeld van Rutte als Mr No – is het voor ons zelfbeeld goed om te kijken naar hoe Nederland eigenlijk stemt in die Raad van de EU. Op basis van stemmingsresultaten die op de website van die EU-instelling staan, concludeert Follow the Money dat Ruttes ministersploeg in elk geval niet bestaat uit Misters en Mss. No.

Op gebied van verordeningen en richtlijnen zegt Nederland bij de uiteindelijke stemming in de Raad van de EU bijna altijd ja, zo blijkt uit ons onderzoek naar de door de Raad gepubliceerde stemuitslagen.

Sinds Rutte III in oktober 2017 aantrad, is er meer dan 400 keer gestemd in de Raad over wetgeving. Nederlandse ministers – of hun hoogste ambtenaar in Brussel – stemden slechts negen keer tegen. In vijf gevallen onthielden ze zich van stemming. De andere keren stemden ze telkens voor.

Ministers stemden onder Ruttes derde kabinet vaker voor dan onder zijn vorige kabinetten. Onder Rutte III stemde Nederland in 96,7 procent van de gevallen voor invoering van een verordening, richtlijn of besluit. Dat is zo’n twee procentpunt boven de score tijdens Rutte I (94,3 procent) en Rutte II (94,9 procent). 

Het is lastig te vergelijken hoe het ging onder Ruttes voorganger, Jan-Peter Balkenende (CDA), omdat de database van de Raad niet verder teruggaat dan december 2009. Er zijn dan ook alleen gegevens over de laatste tien maanden van Balkenende IV, dat zat van 22 februari 2007 tot 14 oktober 2010. In die tien maanden stemden ministers overigens nog vaker voor dan Rutte III: in 98,5 procent van de stemmingen.

Drie keer tegen

Tegenstemmen blijkt dus iets zeldzaams. In welke uitzonderlijke gevallen deed Nederland dat? Hieronder drie voorbeelden.

Rutte III stemde voor de eerste keer tegen in de Raad in de herfst van 2018, het betrof de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten. Die richtlijn werd gewijzigd om ook online videoplatforms aan dezelfde EU-regels te houden als traditionele (‘lineaire’) media-aanbieders. 

Toen de Commissie de richtlijn voorstelde, in 2016 onder Rutte II, verklaarde Nederland al dat het meer zag in zelfregulering. Nederland stelde samen met Finland en Ierland – die ook tegen stemden – een verklaring op: ‘De voorgestelde regelgeving voor videoplatforms is moeilijk te controleren en kan leiden tot ongewenste neveneffecten en onevenredige administratieve lasten. In plaats van een overregulering van videoplatforms moet de nadruk worden gelegd op het bevorderen van kritische mediageletterdheid en media-educatie in de lidstaten.’ Ook Tsjechië en Denemarken stemden tegen.

Begin 2019 stemde Nederland als enige lidstaat tegen het besluit voor verlenging van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, een Europees programma om lidstaten te ondersteunen bij rampen. Nederland had vooraf al verschillende punten van kritiek op het programma, onder meer dat het ‘primair binnen de EU’ zou moeten worden ingezet en niet in bijvoorbeeld buurlanden. Ook had Nederland zorgen over soevereiniteit: ‘Nationale veiligheid en crisisbeheersing is een nationale aangelegenheid.’

Een andere tegenstem volgde later dat jaar, inzake de richtlijn die juist de Nederlandse Eurocommissaris Frans Timmermans had voorgesteld: een verruiming van het vaderschaps-  en ouderschapsverlof. Minister Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, D66) was al tegen en bleef dat: ‘Zaken als sociale zekerheid en pensioenen zijn onderwerpen waar de lidstaten zelf over moeten beslissen. Dit hoort in Nederland te worden geregeld.’

Lees verder Inklappen

Opvallend aan dat laatste percentage, tijdens Balkenende-IV, is dat het kabinet de grootste periode van die tien maanden demissionair was: sinds 20 februari 2010. Van de 64 stemmingen onder Balkenende-IV die in de database van de Raad staan, vonden er zestig plaats toen het kabinet al demissionair was: op één na altijd vóór. 

Hoewel in Den Haag gebruikelijk is dat een demissionair kabinet geen besluiten neemt over controversiële onderwerpen, lijkt die terughoudendheid niet van toepassing op Europees beleid

Hoewel het in Den Haag gebruikelijk is dat een demissionair kabinet geen besluiten neemt over controversiële onderwerpen, lijkt die terughoudendheid niet van toepassing op Europees beleid. Terwijl onthouding van stemmen wel degelijk een optie is, iets dat het Verenigd Koninkrijk in 2019 steeds vaker is gaan doen toen Brexit steeds dichterbij kwam.

Ministers van Rutte III hebben sinds het kabinet op 15 januari 2021 demissionair werd, zich echter geen enkele keer onthouden van stemming – of tegengestemd. Wel stemden de demissionaire ministers 79 keer voor EU-wetgeving. Ook toen kabinetten Rutte I en Rutte II demissionair waren, stemde men minder vaak tegen of onthield de stem dan tijdens hun missionaire status.

Het had in de meeste gevallen overigens niet uitgemaakt of Nederland had tegengestemd: slechts op een beperkt aantal beleidsterreinen, zoals belasting, hebben lidstaten vetorecht. Tijdens Rutte III was er telkens een gekwalificeerde meerderheid, ook als Nederland had tegengestemd.

In Europees perspectief is Nederland nog wel een Mr No te noemen, wanneer je het relatief bekijkt. Als er medailles zouden worden uitgereikt voor tegenstemmen, behaalt Rutte III een podiumplaats. Nederland zou in dat geval brons delen met Zweden, dat de afgelopen vier jaar ook negen keer tegen stemde. Zilver gaat dan naar Polen (twaalf) en de ‘winnaar’ is Hongarije met vijftien tegenstemmen.

Voor de rechtsgeldigheid doet het er trouwens niet toe wat een lidstaat heeft gestemd. Eenmaal gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, gelden de regels voor alle lidstaten, ook de landen die tegen stemden.

Het komt dan aan op uitvoering. Daarover gaat het volgende artikel in dit tweeluik. Lidstaten willen wel Europese regels afspreken, maar grijpen voor de uitvoering en toezicht terug op bestaande nationale structuren. Dat brengt verborgen kosten met zich mee. Morgen: Follow the Money brengt die kosten in beeld. Wat kost het onze schatkist, als we ‘ja zeggen’ in Brussel?

Verantwoording

Dit artikel gaat over stemmingen in de Raad van de EU. De uitslagen van die stemmingen staan op de website van de Raad, maar het is goed om te beseffen dat er in de Raad alleen over wetsvoorstellen wordt gestemd als bekend is dat er een meerderheid voor zal zijn. De database bevat dus geen stemmingen waarvan de uitkomst was: voorstel verworpen.

De stemming in de Raad is het sluitstuk van de lange Europese wetgevingsprocedure. Voordat een voorstel bij de Raad belandt, wordt het behandeld in het comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper), de hoogste diplomaten die lidstaten in Brussel hebben zitten. Zolang er geen meerderheid voor het voorstel is, komt het niet ter finale stemming in de Raad. Tegelijk is er in Coreper dan weer geen formele stemming die openbaar wordt gemaakt; er is dus ook geen database met wetsvoorstellen die de Raad niet hebben gehaald. Die wetsvoorstellen waar geen meerderheid voor is, blijven in een soort niemandsland voortbestaan als zombiewetten, totdat de Europese Commissie ze intrekt, of er na jaren toch ineens een meerderheid voor bestaat.

Op de data die voor dit artikel zijn gebruikt is dan ook een statistisch fenomeen van toepassing genaamd ‘survivorship bias’. We zien alleen de voorstellen die het daadwerkelijk tot wetgeving hebben geschopt. 

Lees verder Inklappen