Jan Kuitenbrouwer bekent schuld: ook hij zit vaker met zijn telefoon in de hand dan hem lief is. Maar bijna in een ongeluk verzeild raken doordat een vrachtwagenchauffeur z’n mobieltje slecht kan wegleggen: dat is andere koek. Wat maakt dat internet zo verslavend is geworden? Doet die eindeloze stroom van notificaties, nieuwe berichten en filmpjes iets met onze hersenen?

    Het had ook anders kunnen aflopen, dan had u dit stuk niet gelezen. Het was op de A27, bij Utrecht. Ik voegde in en kwam achter een truck met oplegger die de witte lijnen waartussen hij reed niet leek op te vatten als de uiterste grens van zijn rijbaan, maar als een ruwe koersaanduiding. Niemand ging hem direct links voorbij, iedereen schoof veiligheidshalve door naar de derde baan. Toen ik dat ook wilde doen, besloot een ongeduldig type op de uiterst linkse baan rechts te gaan inhalen, ik kwam direct naast de truck te rijden, die, zul je altijd zien, net weer een slinger naar links inzette. Ik kon alleen nog maar hard remmen, dook terug achter de oplegger, mijn achterligger reageerde nét iets te laat en reed mijn linkerspiegel eraf. In de twee seconden dat ik naast de vrachtwagen reed zag ik de geheven linkerhand van de chauffeur en de witblauwe gloed op zijn gezicht: hij zat op zijn telefoon te kijken.

    Ik doe het zelf soms ook. Eric Smit, hoofdredacteur van FTM, is een uiterst onderhoudend spreker, zelf ben ik geloof ik ook geen al te saaie gesprekspartner, en toch, als wij samen aan een cafétafel zitten, zijn er momenten waarop wij allebei in onze telefoon verdiept zijn, zwijgend. Het begint met een telefoontje dat je ‘even moet nemen’, en als je hem dan toch in je hand hebt loop je nog even snel je mail, whatsapp en what have you langs. De  afgelopen jaren doet zich overal in de ontwikkelde wereld een opmerkelijke stijging voor in het aantal doodgereden voetgangers. Verkeersexperts en politiemensen wijzen eensgezind de oorzaak aan: smartphones.

    Die nieuwe digitoop was gewoon té aantrekkelijk. Als markt, als middel voor mind control en, zo blijkt inmiddels, als drug

    In The Game – op FTM uitstekend besproken door Hans Schnitzler – stelt de Italiaanse filosoof Alessandro Baricco dat de digitale revolutie niet de oorzaak is van een fundamentele verandering van onze mentale staat, maar het gevolg ervan. Keer de kaart om, zegt hij.Als gedachte-experiment is dat een briljant idee, en er zijn argumenten voor. Je kunt de vroege hackercultuur opvatten als een poging om iets nieuws te bouwen zonder gebruik te maken van de denk- en organisatieprincipes die in de twintigste eeuw tot het grootste bloedbad aller tijden leidde. Voortaan stond het individu voorop, zich rechtstreeks verhoudend tot andere individuen. Geen gezag, geen elites, geen hiërarchie. Niet voor niets werd het internet ‘gestolen’ van de Amerikaanse defensie, zoals Baricco stelt, al zijn er geen aanwijzingen dat het Pentagon zich ooit heeft verzet tegen een breed gebruik van hun experimentele computernetwerk.

    Wat Baricco onvoldoende onderkent is dat het democratisch individualisme van de hackersgeneratie meer stijl dan substantie was, en dat die stijl gaandeweg meer camouflage werd voor een conventioneel, pragmatisch ondernemerschap, gestuurd door de aloude waarden van vraag en aanbod, marketing, expansie en beurswaarde. Een cool vernis voor wat Rockefeller met olie, Ford met auto’s, Ray Kroc met fastfood en Colonel Parker met Elvis Presley deed: move the product. 

    Baricco’s omdraaiing zou opgaan voor een internet dat ook echt aan die pioniersidealen beantwoordt, en wat hij in zijn boek onder de mat veegt is dat daar weinig van terecht is gekomen. Daarvoor was die nieuwe digitoop gewoon té aantrekkelijk. Als markt, als middel voor mind control en, zo blijkt inmiddels, als drug.

    De mentale transformatie die wij als homo digitalis ondergaan dateert dan ook vooral van de laatste jaren, toen het internet omnipresent werd, de oligarchie van Silicon Valley zich vestigde en deze nieuwe, legale, mentale drug werd ontwikkeld. Weinig dingen zo arbitrair als de definitie van het begrip drug. Sommige gaan óver, andere onder de toonbank. Sommige zijn chemisch: alcohol, tabak; andere psychologisch: gokken, porno. Of internet. De gemene deler is dopamine, de neurotransmitter die ons prikkelt tot het bevredigen van impulsen. Behoefte → actie → beloning, behoefte → actie → beloning, enzovoorts. In Silicon Valley is het inmiddels een goedbetaald specialisme: dopamine-manipulatie, het ontwerpen en plaatsen van digitaal lokaas in netwerktoepassingen. Want hoe langer wij op die app zitten, hoe meer winst er gemaakt wordt.

    Die vrachtwagenchauffeur was een verslaafde.

    Zelf doe ik het ook, achter het stuur, in het café, thuis op de bank, of achter mijn bureau: éven Mail, Twitter, Whatsapp of Wordfeud checken, terwijl je eigenlijk iets anders aan het doen bent. 34 procent van de internetgebruikers checkt zijn statusupdates in bed, voor het opstaan. 27 procent checkt zijn Facebookaccount op de wc.

    Er figureren opvallend veel jonge mannen die niets van hun leven maakten omdat ze dag in dag uit als een zombie achter de computer hangen

    En als je op zondagochtend na een mooie zomeravond met vrienden de afwasmachine inruimt, realiseer je je dat in de verhalen die over tafel gingen, opvallend veel jonge mannen figureerden die niets van hun leven maakten omdat ze dag in dag uit als een zombie op hun kamer achter de computer hangen, verslaafd aan Fortnite, Minecraft, GTA, YouTube, 4Chan, 8Chan, of hoe hun digitale dopaminebron ook mag heten. Cyberjunks.

    De term ‘verslaving’ moet hier letterlijk worden genomen. Zowel psychologisch als fysiologisch veroorzaakt Internet Addiction Disorder (IAD) duidelijk aanwijsbare storingen. Serieuze internetverslaafden krijgen onthoudingsverschijnselen als ze abrupt stoppen: spierpijn, hoofdpijn, rillingen. Een studie suggereert dat de kwaliteit van bepaalde delen van het hersenweefsel degradeert, mogelijk het deel dat we gebruiken om écht na te denken. Het is een ‘impulscontrolestoornis’: je bent niet verslaafd aan een stof maar aan gedrag, zoals bij een gokverslaving. Dat laatste komt bij ongeveer 2 procent van de bevolking voor.

    De verspreiding van internetverslaving is al veel groter: er zijn schattingen van ongeveer 10 procent van alle gebruikers in Europa en Amerika, met een piek van 25 procent bij adolescenten, waarbij onderzoekers erop wijzen dat die cijfers een paar jaar oud zijn en het probleem gestaag toeneemt. Andere onderzoekers leggen de lat lager en stellen dat drie op de vier teenagers de facto internetverslaafd zijn. Jongens voornamelijk aan games (‘gevaarporno’), meisjes meer aan Facebook en Instagram (‘goedkeuringsporno’).

    En zoals je van een beetje alcohol vrolijk wordt maar van grote hoeveelheden somber, zo gaan mensen die te veel tijd op sociale media doorbrengen zich juist eenzaam, geïsoleerd en asociaal voelen. Sommige kunnen stoppen zonder om te kijken, maar in de meeste gevallen is het een moeizaam proces van detox, afkicken, rehab, terugvallen, enzovoorts.

    De lokroep is moeilijk te weerstaan. Een internetnotificatie staat immers (meestal) voor een mens die contact poogt te maken. Het is als iemand die je groet op straat: niet reageren is onbeleefd. Soms leg ik mijn telefoon bewust een halve dag weg, maar als ik hem weer aanzet is er altijd wel een signaal dat ik direct had willen beantwoorden. 

    In de jaren tachtig werd in Nederland een nieuwe vorm van drugsbeleid ontwikkeld die internationaal navolging vond: niet de drugshandel onderdrukken, maar zo goed mogelijk het leed bestrijden: harm reduction. Afkickvoorzieningen, opvang, naaldenprogramma’s. Drugshandelaren vonden dat een prima beleid. Zo stelt Silicon Valley zich nu ook op: het verslavende karakter van hun producten zelf staat niet ter discussie, maar over voorlichting en (goed verstopte) uit-knopjes willen ze het best hebben. Onlangs riep Mark Zuckerberg de overheid op het internet beter te reguleren. Hij noemde vier gebieden: hate speech, eerlijke verkiezingen, privacy en data-overdraagbaarheid. Over verslaving geen woord.

    Het verslavende karakter van hun producten staat voor Silicon Valley niet ter discussie

    Steve Jobs liet zich ooit ontvallen dat hij zijn eigen kinderen zoveel mogelijk uit de buurt hield van smartphones en tablets, maar die zorg strekt zich bij Apple niet uit tot uw en mijn kinderen: de meest populaire apps om het internetgebruik van kinderen te reguleren – dankbaar gebruikt door ouders met autistische, schermverslaafde kinderen – werden onlangs uit de appstore gegooid. Move the product!

    Het leger cyberjunkies zal voorlopig dus wel blijven groeien.

    In Washington heeft een jonge Republikeinse senator zich nu op het onderwerp gestort: Josh Hawley wil een wet die online dopamine-manipulatie verbiedt. Apps zouden moeten worden voorzien van ‘natuurlijke stopplekken’ en niet maar doorgaan met het pushen van ongevraagde content, zoals YouTube en Twitter dat doen met autoplay. Hij noemt zijn wetsvoorstel de Social Media Addiction Reduction Technology Act, afgekort SMART.

    De naam is in elk geval goed.

    Op foto’s doet freshman Hawley denken aan James Stewart in Mr. Smith Goes To Washington, een knappe jonge vent die vanuit de provincie naar Washington trekt, vol dromen en idealen om iets te veranderen, en zonder een al te scherp beeld van de machten waartegen hij het opneemt. Misschien krijgt het verhaal deze keer wel een happy ending?

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jan Kuitenbrouwer

    Gevolgd door 368 leden

    Journalist, schrijver en presentator.

    Volg Jan Kuitenbrouwer
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Datadictatuur

    Gevolgd door 692 leden

    2018 was het jaar van de Grote Internet Ontnuchtering. Voor het eerst zagen we de techindustrie met haar datahonger als een G...

    Volg dossier