De overheid vecht met de ene hand tegen dure geneesmiddelen, terwijl ze met de andere investeert in startende geneesmiddelenbedrijven die vervolgens over de grens verdwijnen. Betaalt Nederland zo dubbel voor medicijnen die hier worden ontdekt?

Het leest als een sprookje: in 2015 wordt het Brabantse Arcerta Pharma overgenomen door de Brits-Zweedse farmareus AstraZeneca. Het overnamebedrag van minstens 4 miljard dollar maakt het de grootste overname van een Nederlands biotechbedrijf ooit. En dan te bedenken dat oprichters Allard Kaptein en Tjeerd Barf vijf jaar daarvoor nog op straat stonden na een massaontslag bij MSD, het Amerikaanse bedrijf dat enkele jaren eerder het Nederlandse Organon had gekocht.

Al snel na hun ontslag vatten Barf en Kaptein het plan op een eigen bedrijf te starten met een techniek die bij MSD op de plank lag te verstoffen. Met de overgenomen licentie van de technologie werd een nieuw, veelbelovend kankermedicijn ontwikkeld: het zou vele miljarden gaan opbrengen.

Flink risico

Helemaal op eigen benen stonden de twee overigens niet. Voor het benodigde kapitaal voor dit risicovolle project tekende een aantal investeerders. De kans op falen was groot; slechts één op de tien geneesmiddelen wordt door de Amerikaanse toezichthouder goedgekeurd. Het middel van Acerta Pharma is dan ook nog altijd niet toegelaten tot de markt — noch door de Amerikaanse toezichthouder, noch door de Europese. AstraZeneca vond de techniek desondanks veelbelovend en kocht het bedrijf op.

"De vraag is of het zonder de overheid ook was gelukt"

De vraag is of het zonder de overheid ook was gelukt. De Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM Capital), het investeringsfonds van de provincie Brabant en het Ministerie van Economische Zaken, verleenden in de allereerste en meest risicovolle fase kapitaal en faciliteiten. Bij de verkoop had BOM Capital nog slechts één procent van de aandelen: het instappen van latere, grote investeerders deed het aandeel sterk verwateren. Toch maakte het investeringsfonds alsnog een flinke klapper: uit de verkoop van Acerta en een ander biotechbedrijf ontving BOM Capital 64 miljoen euro. De verkoop leidde tot een jubelstemming in het Provinciehuis.

Helemaal terecht is dat niet. Het nieuwe medicijn wordt net als veel andere nieuwe geneesmiddelen tegen kanker waarschijnlijk heel duur en Nederlandse ziekenhuizen en premiebetalers moeten er diep voor in de buidel tasten.

Het nieuwe kankermedicijn wordt waarschijnlijk ook weer heel duur

Waar de overheid aan de ene kant vecht tegen zeer hoge geneesmiddelenprijzen, staat dezelfde overheid dus juist aan de basis van die medicijnen door investeringen in nieuwe, kleine geneesmiddelenbedrijven. Wordt er zo dubbel betaald voor de in Nederland ontwikkelde middelen? Of kunnen publieke investeringsfondsen eisen stellen over de uiteindelijke prijs van een nieuw medicijn?

Investeringsfondsen

Investeringsfondsen zijn als middel om innovatieve producten van kleine bedrijven naar de markt te brengen de laatste jaren in zwang geraakt bij overheden en universiteiten. In totaal zijn er zo’n 150 van zulke investingsfondsen in Nederland; 23 daarvan werden vorig jaar opgericht, zo bleek uit onderzoek van het Platform Investico. Geen eindeloze subsidietrajecten meer met allerlei voorwaarden, het verstrekken van durfkapitaal moet de lokale economie versterken of eigen ontdekkingen te gelde maken. Niet meer een levenslang subsidie-infuus, maar een duwtje in de rug voor de sterkste innovatieve bedrijven die daarna wel op eigen benen kunnen staan.

Een groot voordeel van een investeringsfonds is dat het nauwelijks geld kost. In de ideale situatie bedruipen deze fondsen namelijk zichzelf met opbrengsten van eerdere investeringen. Deze fondsen worden dan ook vaak ‘revolverende’ fondsen genoemd.

Elk fonds droomt daarom van een Acerta Pharma in zijn portefeuille. Een dergelijk succes blijft vaak echter uit. Regelmatig moet er bijgestort worden of loopt het fonds langzaam leeg. Met een failliet bedrijf verdampt ook belastinggeld: zó revolverend zijn deze fondsen in de praktijk dus niet.

De fondsen — die vooral een antwoord waren op de financiële crisis — lossen bovendien een probleem op dat nu nauwelijks meer bestaat. Van een gebrek aan kapitaal is niet echt sprake meer. Op zoek naar nieuwe investeringsmogelijkheden houden deze fondsen zo kansloze bedrijven in leven en verstoren ze de markt, zo luidt het verwijt van private investeerders. Met risicovolle investeringen en beperkte maatschappelijke opbrengsten in het vooruitzicht zetten critici vraagtekens bij het nut van deze publieke fondsen.

Regelmatig moet er bijgestort worden of loopt het fonds langzaam leeg

Nederland telt een aantal publieke investeringsfondsen die onder andere actief zijn in de biomedische sector: de Universiteit Utrecht heeft met Utrecht Holdings bijvoorbeeld een eigen investeringsfonds. De Erasmus Universiteit zit samen met de Rabobank in het Erasmus Biomedical Fund, waarin tot voor kort ook de Gemeente Rotterdam participeerde. Regionale overheidsfondsen zoals PPM Oost voor Gelderland en Overijssel en LIOF uit Limburg richten zich voor een belangrijk deel ook op deze sector. Bij elkaar investeren ze tientallen miljoenen in bedrijven binnen deze branche.

Sander Slootweg, managing partner van Forbion (een privaat venture capital-bedrijf actief binnen de biomedische wereld), vindt de kritiek op overheidsfondsen niet terecht: hij werkt geregeld met ze samen. Volgens Slootweg hebben deze fondsen het beste zicht op nieuwe innovaties in de regio en lokale universiteiten. Bovendien investeren zij al in een vroeg stadium in startende bedrijven wanneer deze voor private partijen als de zijne nog te klein of te risicovol zijn. ‘Dat publieke investeringsfondsen meer brokken maken, ligt eigenlijk besloten in hun rol. Als belastingbetaler kan je zeggen dat we het aan de private sector moeten overlaten. Maar ik weet zeker dat er dan waardevolle innovaties niet van de grond komen.’


Sander Slootweg, Forbion

"Deze fondsen hebben het beste zicht op nieuwe innovaties in de regio en lokale universiteiten"

Wereldmarkt

Overheidsfondsen kunnen door hun vroege betrokkenheid dus wel degelijk van grote waarde zijn voor veelbelovende, innovatieve biomedische bedrijven. Hebben ze dan ook aandacht voor het groeiende probleem van dure geneesmiddelen in hun investeringsbeleid? Nee, zegt Harm de Vries, partner van het publiek-private Erasmus Biomedical Fund: ‘Bedrijven waarin we investeren zijn zo ver verwijderd van de markt dat het stokje al in een heel vroeg stadium moet worden overgeven aan de farmabedrijven.’ De grote farmabedrijven steken na overname of het verkrijgen van de licentie nog tientallen miljoenen in het geneesmiddel. Het testen van de werkzaamheid en veiligheid van een middel op mensen vereist grote investeringen volgens De Vries. ‘Dan ben je al 10 à 12 jaar verder en zijn wij helemaal uit zicht. Eerlijk gezegd zijn wij heel blij als een farmabedrijf interesse toont. Een mogelijk innovatief middel maakt dan kans om ook echt gebruikt te worden.’

Investeringsfondsen zijn helemaal zijn niet in de positie om garanties te bedingen op de toegankelijkheid van een nieuw, naar verwachting peperduur, geneesmiddel. Het stellen van eisen aan een maximale prijs is niet realistisch. ‘Onze mogelijkheden zijn zeer beperkt,’ laat Oscar Schoots, directeur van Utrecht Holding weten. Volgens Schoots gaan grote farmabedrijven wel naar een ander als er al in de eerste onderzoeksfase van een middel te veel beperkingen zijn. ‘Wereldwijd is er best veel aanbod vanuit kennisinstellingen met betrekking tot mogelijke nieuwe geneesmiddelen.’

De grote farmabedrijven steken nog eens honderden miljoenen in het geneesmiddel

Venture capitalist Slootweg sluit zich daarbij aan. Het is volgens hem een utopie dat partijen iets te zeggen hebben over de prijsstelling van een geneesmiddel. ‘In Nederland denkt men, minister Schippers voorop, dat dit een soort lokale industrie is. Wanneer een universiteit een potentieel geneesmiddel ontdekt, wordt er bedacht hoe we het voor Nederland kunnen behouden voordat een groot farmabedrijf ermee aan de haal gaat. Zo werkt het natuurlijk niet. De markt voor nieuwe geneesmiddelen is namelijk een mondiale markt. Klinische onderzoeken voor het testen van de veiligheid en werkzaamheid van een middel kosten honderden miljoenen, zeker voor chronisch aandoeningen. In Nederland heeft niemand zoveel geld op de plank liggen. Je hebt gewoon grote farmaceutische partijen nodig voor de expertise en het geld.’

Ook in het eigen investeringsbeleid van Slootweg spelen de prijzen van geneesmiddelen geen grote rol: ‘Het is niet onze rol om ons actief te bemoeien met de verkoopprijs die de uiteindelijke partij met verzekeraars en de overheid gaat onderhandelen. Wij zeggen dan ook niet “je mag deze innovatie van ons kopen, maar dan moet je het wel goedkoop op de markt brengen”. Dat heeft natuurlijk een prijsdrukkend effect. Wij zijn een commerciële partij, dus wij moeten voor onze investeerders gewoon de maximale opbrengst realiseren’.

Overheid in spagaat

Overheden en universiteiten zitten zo in een spagaat. Door zelf te investeren kan fundamenteel onderzoek worden omgezet in een product met maatschappelijke impact. Lokale startende bedrijven worden ermee geholpen. Maar de geïnvesteerde miljoenen gaan in rook op als het bedrijf het niet haalt. En als er wél succes wordt geboekt, staat de investering aan de basis van een peperduur middel waar de samenleving uiteindelijk voor opdraait.

Voorlopig is er nog geen alternatief voorhanden

Publieke fondsen nemen bovendien het grootste risico door in een vroeg stadium te investeren. Nadat ook private partijen zijn ingestapt, pikken buitenlandse farmareuzen de kansrijkste concepten op en ontwikkelen die verder. De Vries: ‘Als je de hele waardeketen onderzoekt, denk ik dat er in die hele vroege fase het minst wordt verdiend en in de late fase het meest. Het is daarom heel jammer dat we in Nederland geen grote farma-industrie hebben. Wij investeren heel veel in wetenschap, maar het echte geld wordt verdiend in Zwitserland, Amerika en Frankrijk. Zo voelt het een beetje in de farma. Het is lastig geld te verdienen in Nederland.’

Onzinverhaal

Voorlopig is er nog geen alternatief voorhanden voor dit dilemma. Grote farmabedrijven zijn onmisbaar bij het ontwikkelen en vermarkten van nieuwe, innovatieve geneesmiddelen. Kan het niet anders? De laatste tijd is er veel aandacht voor nieuwe businessmodellen waarin de farmareuzen buitenspel komen te staan. Onlangs haalde bijvoorbeeld hoogleraar Huub Schellekens de voorpagina’s met een nog te ontwikkelen uitvinding: een apparaat dat in de toekomst zelf complexe geneesmiddelen moet kunnen produceren met cassettes. Het apparaat lijkt op een Nespresso-apparaat dat met cupjes koffie zet. Apothekers worden niet gehinderd door patentrecht en mogen dus zelf medicijnen maken — buiten de farmaceuten om. Dure geneesmiddelen zouden zo een stuk goedkoper worden.


Harm de Vries, Erasmus Biomedical Fund

"Wij investeren heel veel in wetenschap, maar het echte geld wordt verdiend in Zwitserland, Amerika en Frankrijk"

Maar investeerder Slootweg ziet niks in Schellekens’ idee: ‘Echt het grootste kulverhaal dat ik ooit heb gehoord. Deze verhalen domineren het publieke debat, maar het is echt volstrekte apekool.’ Het produceren van een complex biologisch medicijn kost miljoenen; dat een simpel apparaat goedkoop van zulke geneesmiddelen maakt, gaat volgens hem in nog geen 300 jaar gebeuren. ‘En de overheid stopt daar nog geld in ook. Ik vind dat laakbaarder dan dat er geld gaat naar spin-offs via de regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Het is weggegooid geld, of in dit geval een paar gepensioneerde professoren van de straat houden met hun hobby’s.’

Wegen de baten nog wel op tegen de kosten?

Binnen het huidige systeem blijven nieuwe geneesmiddelen in handen van grote farmaceutische bedrijven die er de hoofdprijs voor vragen. Overheden en universiteiten kunnen daarin geen vuist maken. Met vroege investeringen levert het kansrijke innovaties op een presenteerblaadje aan buitenlandse farmareuzen. Mogelijke werkgelegenheid in de regio en maatschappelijke impact van fundamenteel onderzoek zijn de enige resultaten waarop overheden en universiteiten mogen hopen. Wegen deze baten nog wel op tegen de kosten?

Nu de prijs van geneesmiddelen een steeds groter probleem wordt voor de samenleving, zijn er vraagtekens te zetten bij het actief onderhouden van dit systeem door de overheid. Het gevecht tegen dure medicijnen wordt zo dweilen met de kraan open — en met publieke investeringsfondsen draait de overheid die kraan zelf een klein beetje verder open.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Pieter van der Lugt
Pieter van der Lugt (1990) studeerde politicologie aan de Radboud Universiteit. Tijdens zijn studie zette hij zijn eerste sta...
Gevolgd door 251 leden