Van stikstofcrisis tot dierenwelzijn: Follow the Money onderzoekt de belangen in de dierenbusiness. Lees meer

De intensieve veehouderij speelt in veel hedendaagse vraagstukken een centrale rol: de stikstofcrisis, de uitstoot van broeikasgassen, de opkomst van zoönosen. Follow the Money onderzoekt de belangen in de dierenbusiness.

Nederland heeft de ambitie de wereld te voeden met vlees, eieren en zuivelproducten. Jaarlijks exporteren we voor ruim 16 miljard euro aan vlees (8,7 miljard) en zuivel (8,2 miljard). Daar staat tegenover dat we granen en soja moeten importeren (ter waarde van zo’n 3 miljard euro) om al onze koeien, varkens, geiten en kippen te kunnen voeden.

Intussen wordt de grootschalige vleesindustrie een steeds groter probleem. Ze legt meer en meer beslag op de schaarse ruimte, vergiftigt de bodem en het (drink)water, en staat aan de wieg van dierziekten die soms ook mensen kunnen treffen (Q-koorts). En dan de dieren zelf. Steeds minder mensen vinden het acceptabel dat ze louter omwille van onze honger naar vlees worden geboren, vetgemest en geslacht.

In dit dossier onderzoekt Follow the Money de belangen achter de vleesindustrie, of en hoe er veranderingen mogelijk zijn, en welke krachten een omwenteling in de weg staan.

23 artikelen

© Ibrahim Rayintakath

Een kwart van Nederland is voor koeien, en die grazen het kapot

Als je vanuit de trein naar Nederland kijkt, dan zie je gras, gras en nog eens gras. De koe krijgt in Nederland meer ruimte dan elk ander organisme, inclusief de mens. De opbrengst van al dat gras is echter beperkt, terwijl de kosten steeds hoger worden.

0:00
Dit stuk in 1 minuut
  • Binnen een paar generaties is ruim een kwart van het Nederlandse landschap getransformeerd tot een groene oceaan van grasland met maar één doel: de koe zoveel mogelijk melk laten produceren.  
  • Van oudsher is grasland een oplossing om bij een hoog grondwaterpeil toch voedsel voor mensen te kunnen produceren. Maar tegenwoordig houdt men het grondwaterpeil juist kunstmatig laag, ook in tijden van droogte, om de zuivelindustrie in stand te houden. 
  • Ondanks grote schade aan het milieu vertegenwoordigt de zuivelindustrie slechts 1,5 procent van de waarde van alle producten die Nederland exporteert. 
  • Het kan ook anders. Met minder koeien in de wei kan de aarde zelfs een stuk afkoelen.
Lees verder

In 2019 maakte de Britse videomaker Daniel Raven-Ellison een film over Nederland. Hierin loopt, waadt en zwemt hij door het Nederlandse landschap, terwijl een drone hem volgt. Het filmpje duurt 100 seconden, waarbij iedere seconde staat voor precies 1 procent van het landoppervlak. 

De eerste landschappen flitsen in een oogwenk voorbij. De industrie neemt 1 procent van het land in, en is dus 1 seconde in beeld. Onze duinen, stranden en kust verdwijnen na 5 seconden. De Nederlandse bossen zijn 8 seconden te zien, waarna de filmmaker nog eens 8 seconden door een woonwijk met straten en tuinen loopt: zoveel ruimte neemt de gebouwde omgeving in Nederland in. 

Daarna wordt de video eentonig. Meer dan de helft van de video kijken we naar landbouwgrond. Eerst de akkers vol aardappelen, graan en maïs, dat vrijwel uitsluitend voor veevoer wordt gebruikt. En tot slot grasland. Eindeloos veel grasland. Bijna een halve minuut lang zien we Raven-Ellison door weide lopen. Een groene oceaan in een van de dichtstbevolkte landen op aarde. 

Dat is niet altijd zo geweest. Ooit was Nederland vooral moeras, waar grote rivieren breed meanderend traag doorheen stroomden. Afgestorven plantenresten vormden een dikke veenlaag. Er waren beren, wolven en elanden. En vooral, tot grote ergernis van de Romeinen die hier bivakkeerden: muggen. 

Die veenlaag werd afgestoken en als turf verbrand – sommige historici zien het Nederland van de Gouden Eeuw daarom als ’s werelds eerste fossiele wereldmacht. Wat achterbleef: een landschap afgegraven tot op of onder de grondwaterspiegel. 

Een dergelijk landschap is voor de landbouw eigenlijk niet zo geschikt. Producten als graan, aardappelen en uien houden niet van natte voeten: dan gaan ze rotten. Er is echter een plantje dat wél tegen een hoge grondwaterstand bestand is: gras. Mensen kunnen gras niet verteren, maar door het aan herkauwers als koeien en schapen te voeren kun je er alsnog voor mensen geschikt voedsel van maken: melk en vlees. 

Dat er in Nederland zoveel koeien rondlopen, is dus in feite uit nood geboren. Ze zorgen ervoor dat grond waar akkerbouw niet goed mogelijk is, toch kan worden ingezet voor de productie van voedsel. 

Hier had ook uw maaltijd kunnen staan

De moderne zuivelindustrie heeft echter nog maar weinig te maken met de boer van weleer, die een paar koeien hield om op kletsnatte grond toch nog wat voedsel te produceren. Dat wordt al zichtbaar in het rantsoen van de gemiddelde Nederlandse koe. Op jacht naar een zo hoog mogelijke melkopbrengst krijgt zij naast gras ook maïs te eten: volgens de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) gemiddeld 14 kilo per dag. Om dat te produceren is per koe jaarlijks een akker van ruim 1000 vierkante meter nodig

Een probleem daarbij is dat maïs, in tegenstelling tot gras, een hekel heeft aan een te hoog grondwaterpeil. Maïs wordt al vroeg in het voorjaar gezaaid en de grond moet dan warm genoeg zijn, zo schrijft de Wageningen Universiteit in haar Handboek snijmaïs. Te natte grond warmt niet snel genoeg op. 

In de zomer mag de grond evenmin te nat zijn, omdat de wortels anders onvoldoende lucht krijgen en gaan rotten. Het gevolg: maïs doet het goed op gronden die wél voor andere vormen van landbouw geschikt zouden zijn. De productie van maïs voor koeien concurreert zo met de productie van andere gewassen. De Volkskrant beschreef het eerder deze week als volgt: ‘Het areaal snijmaïs steeg sinds de jaren zeventig van zowat nul tot meer dan 200.000 hectare. Meer dan een provincie vol snijmaïs telt Nederland nu, een complete provincie ingeruimd voor voer voor de vee-industrie, in plaats van voedsel voor mensen.’

Naast gras en maïs eten Nederlandse koeien ook nog krachtvoer. Zo krijgt een Nederlandse koe volgens de NZO gemiddeld ruim 270 kilo soja per jaar, wat doorgaans aangevoerd wordt vanaf de andere kant van de wereld. Dat kan daar leiden tot (illegale) ontbossing en grote klimaat- en natuurschade. Maar zelfs al is de soja volledig duurzaam geproduceerd, dan nog vreet de koe voer van land waar ook voedsel voor mensen had kunnen worden verbouwd.

Sommige dieren zijn meer gelijk dan anderen

Niet enkel akkers in binnen- en buitenland veranderen door de voerbehoeften van onze melkkoeien. Ook de weides in Nederland zelf zijn veranderd. Enkele generaties geleden liepen de koeien rond op grond die ze deelden met allerlei andere planten en dieren. 

Het Compendium voor de Leefomgeving noemt de zeer soortenrijke kalkgraslanden, heischrale graslanden, blauwgraslanden, dotterbloemhooilanden en stroomdalgraslanden, waarin allerlei soorten kruiden groeiden. Deze boden een thuis aan duizenden insectensoorten: bijen, vlinders, kevers, libellen. Tussen de koeien en insecten zochten de kievit, de tureluur, de wulp, de snip en de grutto – ’s lands nationale vogel – met hun lange snavels in de kletsnatte modderige bodem naar voedsel.  

Dat is allemaal verdwenen. Om de melkopbrengst te vergroten hebben al die verschillende graslanden plaatsgemaakt voor Engels raaigras: een eiwitrijke grassoort die de melkproductie opstuwt. Heel Nederland staat er nu vol mee. Zelfs kamgrasweide – tot omstreeks 1960 het meest voorkomende grasland – is nu bijna alleen nog te vinden in beschermd natuurgebied. 

De gevolgen voor de soorten waarmee de koe ooit de weide deelde zijn enorm. Van de 360 wildebijensoorten in Nederland zijn er grofweg twintig verdwenen en is bijna de helft bedreigd, concludeert de Wageningen Universiteit. Vlinders zoals de rouwmantel, de rode vuurvlinder en de woudparelmoervlinder zijn definitief verdwenen. Het aantal vlinders in Nederland is met minstens 84 procent afgenomen, aldus het CBS, vijftien soorten zijn helemaal uit het land verdwenen. 

Kosten noch moeite worden gespaard om de Nederlandse melkkoe de weide in te krijgen. Voor andere dieren hebben we veel minder over

De Algemene Rekenkamer becijferde dat het aantal broedparen van de grutto halveerde en dat het aantal veldleeuweriken met 95 procent daalde. De vogels zijn nu net als de snip, de tureluur en de wulp bedreigd. Het rapen van kievitseieren, ooit een Friese traditie, is sinds 2015 verboden. De vogelsoort kan het simpelweg niet aan.  

Ook andere boerderijdieren komen er in de moderne Nederlandse landbouw niet meer aan te pas. Koeien staan massaal in de wei, volgens de Nederlandse Zuivel Organisatie past 85 procent van de melkveehouders een vorm van weidegang toe. Je kunt als melkveehouder zelfs subsidie krijgen voor het realiseren van een koeienoversteekplaats, zodat de dames vanuit de stal de wei kunnen bereiken. 

Kosten noch moeite worden gespaard om de Nederlandse melkkoe de weide in te krijgen. Voor andere dieren hebben we veel minder over. Op de gemengde bedrijven van een halve eeuw geleden liepen ook varkens en kippen rond, maar zij zijn al jaren geleden naar de megastal verbannen. 

Eerder liet Follow the Money al zien hoe zelfs de kinderen van de dames in de wei, die ieder jaar opnieuw moeten worden bezwangerd en een kalfje baren opdat ze melk blijven geven, hun hele leven lang het zonlicht niet zien. De wei is voor de melkkoe, en voor de melkkoe alleen. 

Kunstmest op monocultuur

Het vervangen van de soortenrijke graslanden voor de monocultuur van eiwitrijk Engels raaigras is echter niet de enige manier waarmee de zuivelproductie werd aangejaagd. Een Nederlandse koe geeft gemiddeld zo’n 8000 liter melk per jaar. Volgens het CBS is dat een verdubbeling ten opzichte van 1950. Zij eet daarvoor een onvoorstelbare hoeveelheid gras: volgens de NZO meer dan 40 kilo per dag. 

Onder natuurlijke omstandigheden kan een Nederlandse weide dat nooit leveren. Daarom gooien Nederlandse melkveehouders jaarlijks duizenden kilo’s kunstmest op hun weides. De gemiddelde melkveehouder gaf volgens de cijfers van Agrimatie vorig jaar 10.000 euro uit aan het artificieel opstuwen van de grasproductie. Hiervoor bestaan alternatieven, zoals het zaaien van kruidenrijke grasmengsels die tegelijk stikstof in de bodem vastleggen. De Nederlandse melkveehouder is echter zo gewend aan het uitrijden van kunstmest, dat deze nog nauwelijks aftrek vinden. 

De kunstmest komt bovenop de dierlijke mest die ook over het land wordt uitgereden. Melkveehouders gebruiken hiervoor doorgaans de mest van hun koeien, die wordt opgevangen in de stal. Ook voeren melkveehouders mest uit andere sectoren aan, bijvoorbeeld van varkensboeren, waarvoor ze krijgen betaald. 

Was grasland ooit het gevolg van een hoge grondwaterstand, tegenwoordig houdt men het grondwaterpeil juist kunstmatig laag voor de zuivelindustrie

Het opslaan en uitrijden van de mest gaat gepaard met de uitstoot van stikstof: lang niet alle meststoffen worden door het snelgroeiende raaigras opgenomen. Hierdoor spoelen veel nutriënten uit naar het oppervlaktewater en natuurgebieden. Volgens het Compendium voor de Leefomgeving is 46 procent van de stikstofdepositie in Nederland afkomstig uit de landbouw, waarbij de melkveehouderij volgens het CBS ruim de helft voor haar rekening neemt. 

Vanuit kunstmest en dierlijke mest spoelt ook een boel fosfaat uit. Dat is vooral voor de Nederlandse sloten en plassen een probleem. De waterkwaliteit is daar momenteel zo slecht, dat minister Mark Harbers van Infrastructuur en Milieu (VVD) inmiddels waarschuwt voor een nieuwe stikstofcrisis. Voor 2027 moet in Nederland de kwaliteit van het oppervlaktewater op orde zijn en Nederland lijkt dat met geen mogelijkheid te gaan halen. Volgens het CBS zijn melkveebedrijven goed voor 46 procent van de fosfaatuitscheiding in de landbouw. 

We pompen onszelf de dieperik in

Jaarlijks wordt er dus een enorme hoeveelheid mest op de Nederlandse graslanden uitgereden. ’s Zomers komt dit deels direct op de weilanden terecht, omdat de koeien het er zelf uitscheiden. Maar ’s winters – als de koeien op stal staan – moet de mest opgevangen worden in silo’s en kelders. 

In het voorjaar zijn die mestopslagen tot de nok gevuld en moet de boer er vanaf. Daarvoor moet hij met zware machines het weiland op. Het land mag dan niet te nat zijn, omdat anders de tractors in de modder kunnen vastlopen. Daarom wordt het grondwaterpeil met kaarsrechte sloten, kanalen, sluizen en pompen kunstmatig laag gehouden. Waar grasland en koeien ooit het gevolg waren van een hoge grondwaterstand, wordt het grondwaterpeil tegenwoordig juist kunstmatig laag gehouden om de moderne zuivelindustrie in stand te houden.

Wie wat aan de verdroging van Nederland wil doen, kan beter minder zuivel consumeren dan korter douchen

Het wegpompen van het water heeft als nefast bijeffect dat de bodem daalt. Het overgebleven veen komt in aanraking met zuurstof, gaat rotten en verdwijnt. Kleilagen klinken in. Het gevolg hiervan is dat grond die voorheen geschikt was voor akkerbouw, daar tegenwoordig steeds vaker te laag voor ligt. 

In de Noordoostpolder daalt de bodem bijvoorbeeld zo snel dat teelt van aardappelen en uien er steeds minder mogelijk is, zo onderzocht het ​​Waterschap Zuiderzeeland. In West-Nederland vreest onder meer Rijkswaterstaat door bodemdaling en zeespiegelstijging voor verzilting van de grond. 

Bovendien leidt bodemdaling tot schade aan woningen, natuur, landbouwgrond en infrastructuur. Het Planbureau voor de Leefomgeving schat de maatschappelijke kosten van bodemdaling tot 2050 voor heel Nederland op 22 miljard euro.

En dan leidt de oxidatie van het veen ook nog eens tot uitstoot van broeikasgassen. Volgens onderzoekers van de Wageningen Universiteit komt daar nu jaarlijks tot 30 ton CO2 per hectare bij vrij. Voor Nederland als totaal bedraagt de gemiddelde jaarlijkse emissie van CO2 uit veengronden 4,2 miljoen ton. Dat is grofweg gelijk aan de uitstoot van een flinke raffinaderij

Ondertussen heeft de moderne melkveehouder ook veel water nodig. Terwijl grondwater in rap tempo wordt afgevoerd, is op andere momenten juist veel water nodig. Een melkkoe kan tussen de 70 en 180 liter water nodig hebben per dag. Daarnaast vereist het schoonmaken van de stallen en melkmachines veel water. Hiervoor wordt grond- en oppervlaktewater gebruikt en voor een deel ook leidingwater: gemiddeld gebruikt een melkveebedrijf volgens Agrimatie ruim 1500 kubieke meter leidingwater per jaar. Volgens het Voedingscentrum kost de productie van 100 gram kaas 510 liter water. Wie wat aan de verdroging van Nederland wil doen kan dus beter minder zuivel consumeren dan korter douchen. 

Waarde is beperkt

Ondanks het aanvoeren van veevoer van elders, het vervangen van een complex ecosysteem voor de monocultuur van Engels raaigras, het strooien met kunstmest en het zo snel mogelijk droogmalen van de weides zodat de melkveehouder er met zijn zware machines kan rijden, is één ding niet veranderd: grasland levert nog altijd weinig op. De zuivelindustrie levert slechts 8,8 procent van de calorieën in een gemiddeld Nederlands dieet. De zuivelconsumptie stagneert bovendien, de Rabobank verwacht de komende jaren een afname. 

Natuurlijk wordt de zuivel die in Nederland wordt geproduceerd niet enkel door Nederlanders geconsumeerd: een deel is bestemd voor de export. Maar ook daar is de bijdrage van de enorme hoeveelheid gras in Nederland beperkt. We offeren meer dan een kwart van Nederland op aan de zuivelindustrie, terwijl die slechts 1,5 procent vertegenwoordigt van de waarde van alle producten die Nederland exporteert. 

Ook gerelateerd aan het bruto binnenlands product levert zuivel weinig op: de toegevoegde waarde van het hele Nederlandse zuivelcomplex, inclusief verwerking en distributie, bedraagt volgens belangenvereniging ZuivelNL 1 procent van het bbp. De bijdrage in termen van werkgelegenheid is helemaal miniem: minder dan een half procent van de voltijdsbanen in Nederland is aan de zuivelindustrie gerelateerd. 

Kortom: we offeren een groot deel van het Nederlandse landschap op aan de zuivelindustrie, maar de bijdrage van de zuivelindustrie aan het Nederlandse dieet of de economie is ronduit beperkt.

Zuivel kost de schatkist juist geld

Vanwege de beperkte economische waarde van de zuivelsector is er veel subsidie nodig om de sector op de been te houden. Eerder becijferde Follow the Money al dat er vanuit Europese subsidiepotjes de afgelopen acht jaar ruim 3,2 miljard euro aan Nederlandse melkveehouders werd overgemaakt. Daarmee kreeg deze sector veruit de meeste landbouwsubsidie. Alle Nederlandse akkerbouwers samen kregen slechts de helft. Omdat grondbezit leidend is bij de verdeling van deze subsidies, krijgen de grootste boeren hier het meest. 

De sector profiteert bovendien van talloze nationale regelingen. De Correspondent achterhaalde bijvoorbeeld dat de Nederlandse landbouwsector gebruikmaakt van een honderd jaar oude fiscale loophole, die de schatkist sinds 2011 al 11 miljard euro kostte. Daar dit fiscale douceurtje betrekking heeft op de waarde van grond, en meer dan de helft van de landbouwgrond in Nederland gebruikt wordt door koeien, kun je rustig concluderen dat de zuivelindustrie hier een voordeel ter waarde van miljarden geniet. Waarbij de grootste melkveehouders de meeste grond bezitten en dus ook het grootste voordeel van deze fiscale relikwie hebben. 

Kansen om klimaatverandering tegen te gaan

Daar komt nog bij dat de kosten in termen van klimaatverandering gigantisch zijn. Het RIVM berekent regelmatig de klimaat- en milieu-impact van verschillende levensmiddelen en neemt daarbij de hele productieketen onder de loep: van de productie van kunstmest (dat van aardgas wordt gemaakt) tot de verwerking in de zuivelfabriek. 

Een kilo Goudse kaas zou 88 procent duurder zijn als alle maatschappelijke kosten zouden worden doorberekend

Uit die analyse volgt dat de productie van 1 kilo halfvolle melk gepaard gaat met een uitstoot van ruim 2 kilo broeikasgassen. De productie van 1 kilo Goudse kaas levert een uitstoot van 13 kilo broeikasgassen op, wat hoger is dan de klimaatimpact van een kilo kip (11 kilo) of varken (12 kilo). 

De zuivelindustrie wentelt hiermee een groot deel van de maatschappelijke kosten van haar productieproces op de samenleving als geheel af. De Universiteit van Augsburg berekende samen met de Duitse supermarktketen Penny dat een kilo Goudse kaas 88 procent duurder zou zijn als alle maatschappelijke kosten zouden worden doorberekend, een liter melk zou zelfs 122 procent duurder zijn.  

De door het RIVM berekende uitstoot is bovendien naar alle waarschijnlijkheid een onderschatting. 

Met minder koeien in de wei kunnen we de aarde zelfs een stukje afkoelen

De onderzoekers stellen namelijk dat de uitstoot van een kilo methaan, dat ontstaat in de zuurstofarme pens van koeien, gelijk staat de uitstoot van 34 kilo koolstofdioxide. Eerder liet Follow the Money al zien waarom die vergelijking tussen de verschillende broeikasgassen problematisch is. Anders dan bij koolstofdioxide kan het methaandekentje om de aarde namelijk ook weer krimpen. De potentie hiervan is enorm: jaarlijks 1 gram methaan minder uitstoten staat gelijk aan twintig jaar lang 120 gram koolstofdioxide uit de lucht halen. Met minder koeien in de wei kunnen we de aarde dus zelfs een stukje afkoelen.

Ook de opportuniteitskosten van het landgebruik worden in de berekening van het RIVM niet meegenomen. De weides waar nu gras gezaaid is, kunnen immers ook op een andere manier worden ingezet: een die klimaatverandering optimaal tegengaat.

Op verschillende plekken wordt daar al mee geëxperimenteerd. Eén van de ontwikkelingen is het verbouwen van sfagnum, oftewel: veenmos. Ooit lag Nederland hier vol mee: de hoogveengebieden in onder meer Groningen bestonden voor ze werden afgegraven vrijwel uitsluitend uit veenmos. 

Veenmos groeit als kool en vormt kussens die zich volzuigen met water. Aan de onderkant sterven de veenmosplantjes af, terwijl ze aan de bovenkant gewoon doorgroeien, waardoor het hoogveen steeds verder omhoog komt. 

In de afgestorven delen houdt veenmos koolstof vast, gemaakt van koolstofdioxide uit de lucht. Onderzoekers van de Radboud Universiteit schrijven: ‘De CO2-uitstoot is in vergelijking met een grasland (...) praktisch teruggedrongen tot nul. (...) De veenmosvegetatie is in staat om netto koolstof vast te leggen, waarmee bodemdaling niet alleen gestopt wordt, maar het veen in de toekomst zelfs weer omhoog zal gaan.’

De laag met afgestorven veenmos kan bovendien als ondergrond in de tuinbouw gebruikt worden om er groenten en planten op te kweken. Deze sector zit met de handen in het haar omdat het aanbod van ondergrond de vraag niet kan bijbenen. Momenteel worden zelfs eeuwenoude veengebieden in Oost-Europa afgegraven om als ondergrond in de tuinbouwsector gebruikt te worden, met grote natuur- en klimaatschade tot gevolg. De voormalige Nederlandse veengebieden kunnen hier een oplossing bieden. 

De koe: een doel op zichzelf

Gras doet het goed op grond waar andere voedselgewassen niet groeien en koeien kunnen daarvan als enige een voor mensen geschikt product maken. Dat is in essentie het verhaal dat de zuivelindustrie graag verspreidt. The Daily Milk, een ‘journalistiek platform’ van de NZO, stelt dat ​​‘we eeuwen geleden al ontdekten dat de Nederlandse natte graslanden ideaal zijn voor het houden van melkkoeien’. Volgens de lobbyclub lopen hier veel koeien vanwege ‘de goede land- en weersomstandigheden en het feit dat de Nederlandse melkveesector enorm efficiënt melk produceert’.

Maar met koeien op natte graslanden waar verder niets wil groeien heeft de huidige zuivelindustrie nog maar weinig te maken. Er worden enorme stromen subsidie en kunstmest aangevoerd – en grondwater afgevoerd – om de koe in de Nederlandse wei te houden, een wei die ze tegenwoordig met niemand nog deelt. 

De keuzes die we daarvoor maken kleuren hoe Nederland eruit ziet als je er in de auto of trein doorheen rijdt. Letterlijk. De koe neemt meer ruimte in dan de mens. De opbrengst van dat enorme landgebruik is ondertussen beperkt, zowel in termen van voedings- als in termen van economische waarde, terwijl de maatschappelijke kosten door schade aan klimaat, milieu en biodiversiteit groot zijn en op het publiek worden afgewenteld. 

Het produceren van zuivel is in Nederland geen agrarische sluitpost meer, geen laatste optie om landbouw mogelijk te maken op grond waar andere vormen van landbouw minder mogelijk zijn. De zuivelindustrie is in Nederland een doel op zichzelf geworden. De vraag is of dat terecht is – en het roept bovendien de essentiële economische vraag op of we de schaarse grond die we nu massaal voor koeien reserveren niet op een wat betere manier kunnen gebruiken.