Wegcontroles van vuurwerk en andere explosieve stoffen vergen meer mankracht door nieuwe Europese regels

Wegcontroles van vuurwerk en andere explosieve stoffen vergen meer mankracht door nieuwe Europese regels © ANP / Sem van der Wal

De verborgen nationale rekening voor het steunen van Europese plannen

Ministers willen in Brussel wel akkoord gaan met Europese regels, maar steigeren meestal bij Europese controle op de naleving. Dat betekent dat Nederlandse overheidsinstanties geld moeten vrijmaken op hun begroting om die Europese taken uit te voeren. Follow the Money brengt die verborgen kosten in kaart: 212 miljoen euro tijdens Rutte III plus jaarlijks 73 miljoen euro – met de kanttekening dat dit zeker een flinke onderschatting is. Deel 2 van een tweeluik.

Dinsdag 21 september verscheen deel 1 van dit tweeluik, over het stemgedrag van Nederlandse ministers in de Raad van de EU. Lees dat artikel hier.

Dit stuk in 1 minuut
  • Europese regels komen er alleen als de lidstaten ermee akkoord gaan. Follow the Money publiceerde dinsdag 21 september een onderzoek waaruit blijkt dat Nederland slechts sporadisch tegen stemt, en in demissionaire status al helemaal niet.
  • Vandaag deel 2: een onderzoek naar de nationale uitvoerings- en toezichtskosten van Europese wetgeving. Lidstaten willen namelijk wel op Europees niveau afspraken maken over wat burgers en bedrijven mogen of moeten, maar zijn niet happig op Europees toezicht. Dat is op zich een legitieme politieke keuze, maar wel een met verborgen kosten.
  • Elke keer als lidstaten besluiten om op een beleidsterrein nieuwe verplichtingen in te voeren, moet de naleving ervan ook worden gecontroleerd. Die taken komen op het bordje van nationale toezichthouders, die deze nieuwe opdrachten moeten inpassen in hun dagelijks werk. Dat kan begrotingsproblemen opleveren.
  • Daarnaast brengt Europese wetgeving soms verregaande uitvoeringskosten met zich mee, bijvoorbeeld voor gemeenten en provincies. Hoe dat betaald moet worden, blijft soms jaren nadat Nederland akkoord is gegaan met de wetgeving onduidelijk.
  • Follow the Money heeft geprobeerd om de rekening voor Nederlandse overheidsinstanties op te maken van al het Europees beleid dat onder Rutte-III in de Raad van de EU is afgesproken. Een eenmalige investering van minstens 212 miljoen euro en een jaarlijkse kostenpost van bijna 73 miljoen euro. Geen enorme bedragen in het grotere geheel, maar wel concreet bewijs dat Nederland niet langer volledige keuzevrijheid heeft hoe Nederlands belastinggeld wordt besteed.
Lees verder

Wie de Engelse taal machtig is, kan binnenkort solliciteren voor een baan als webredacteur bij de gemeente Utrecht. Prettige bijkomstigheid aan de vacature is de zekerheid dat er tot en met 2025 geld is gereserveerd voor die functie, zo blijkt uit de voorjaarsnota van de gemeente. Utrecht heeft 150.000 euro per jaar vrijgemaakt voor twee fte die de gemeentewebsite van Engelstalige vertalingen gaan voorzien – een ervan is inmiddels al aan het werk.

De gelukkige kandidaat zal, naast haar of zijn talenten, ook de Europese Unie kunnen bedanken. De begroting van de twee fte komt namelijk niet voort uit een wens van de gemeenteraad, maar is het gevolg van verplichtingen uit de nieuwe EU-verordening voor een ‘Single Digital Gateway’, een nog te bouwen website die als portaal moet functioneren van waaruit elke EU-burger informatie over de lokale regels moet kunnen vinden.

De verordening uit 2018 die de juridische basis is voor het portaal, vereist dat bepaalde informatie, zoals over parkeervergunningen, geboorteaangiftes en afvalstoffenheffing, moet worden vertaald voor EU-burgers uit andere lidstaten. 

‘Dit vraagt dat wij redacteuren in dienst hebben die het Engels goed kundig en machtig zijn (native speakers),’ verklaart een woordvoerder van de gemeente Utrecht. ‘Tot nu toe konden wij veel doen met vertaalbureaus maar met de invoering van de Single Digital Gateway willen wij wendbaarder zijn en de kennis structureel in huis hebben.’

Niet alleen Utrecht heeft zijn begroting moeten aanpassen aan deze nieuwe eisen. Eind 2022 moeten alle Nederlandse gemeenten, maar ook de waterschappen, provincies, uitvoeringsorganisaties en de Rijksoverheid een deel van hun publieksinformatie in minstens één andere EU-taal, meestal het Engels, beschikbaar stellen.

Optimistische schatting

De geschatte kosten voor de uitvoering zijn flink gestegen sinds de Europese Commissie deze verordening in 2017 voorstelde. De Commissie dacht destijds nog dat de opstartkosten voor alle lidstaten en de Commissie gezamenlijk zouden uitkomen op 109 miljoen euro, gevolgd door jaarlijkse kosten van 8 miljoen euro. Die schatting bleek veel te optimistisch.

In 2019 schatte de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in een rapport dat gemeenten 23.000 à 34.500 euro per gemeente kwijt zijn aan de uitvoeringskosten. Wanneer je die bedragen met 352 gemeenten vermenigvuldigt, kom je uit op tussen de 8 miljoen en 12 miljoen euro voor alleen de Nederlandse gemeenten.

Het ministerie benadrukt dat gemeenten en andere overheden zelf verantwoordelijk zijn voor de dekking van die kosten 

In 2020 hebben adviesbureaus Ecorys en PBLQ in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een nieuwe kostenberekening gemaakt van de uitvoeringskosten van de SDG-eisen. Omdat de concrete eisten nog niet volledig zijn uitgewerkt, komen de onderzoekers met een bandbreedte aan ramingen.

De eenmalige kosten voor alle overheden worden geschat op 114 miljoen tot 515 miljoen euro. De jaarlijkse kosten komen uit op 23 miljoen tot 103 miljoen euro. De conservatiefste schatting voor de vertaalkosten voor Nederland zijn dus nu al hoger dan het bedrag dat de Commissie voor alle lidstaten voorzag.

Anno 2021 zegt BZK dat er ‘nog geen duidelijkheid over de kosten’ bestaat. Het ministerie benadrukt verder dat gemeenten en andere overheden zelf verantwoordelijk zijn voor de dekking van die kosten. Dat wordt volgens de VNG nog ‘een flinke opgave voor gemeenten’. De VNG is dan ook nog ‘met het rijk in gesprek’ over hoe gemeenten deze uitgaven moeten bekostigen.

De kosten voor Nederlandse overheidsorganisaties om een enkel Europees besluit uit te voeren, lopen dus al in de miljoenen. Maar verplichtingen ‘uit Brussel’ eisen veel vaker aanpassingen aan begrotingen van overheidsorganisaties, zo blijkt uit onderzoek van Follow the Money. Extra kosten dus in eigen land, waar de verantwoordelijke ministers bij het akkoord gaan in Brussel vaak onvoldoende rekening mee houden.

Regels harmoniseren, toezicht nationaal houden

Het is een cruciaal maar onderbelicht kenmerk van de Europese integratie: regels worden geharmoniseerd op het Europees niveau, maar het toezicht op de naleving ervan blijft veelal nationaal. Dat is het gevolg van de wens van lidstaten om zoveel mogelijk soevereiniteit te behouden.

De noodzaak om regels voor een bepaalde economische sector te Europeaniseren, daar zijn de lidstaten vaak nog wel van te overtuigen. Maar nationale waakhonden ontbinden om te vervangen door een Europese toezichthouder? Dat is meestal een brug te ver. 

Dat gebeurt vrijwel alleen in crisissituaties, zoals de Europese financiële waakhonden die zijn opgericht als gevolg van de Europese bankencrisis, of na een schandaal. Zo kent de EU al sinds 1993 vrij verkeer van goederen, zoals voedselproducten, maar kwam er pas in 2002 na de BSE-crisis een Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid – en zelfs die heeft de nationale autoriteiten niet volledig vervangen.

De methode ‘Europese regels met nationaal toezicht’ heeft als gevolg dat het maken van afspraken en het inpassen van de uitvoeringskosten niet op hetzelfde moment of dezelfde plek gebeuren. Een minister kan in Brussel akkoord gaan met nieuwe taken, zonder thuis nog maar een begin te hebben gemaakt van een discussie over hoe de kosten van die taken in de nationale begroting zullen passen.

Dat nationale toezichthouders meer budget krijgen als hun takenpakket wordt uitgebreid door Europese regels, blijkt lang niet altijd vanzelfsprekend

Dat nationale toezichthouders meer budget moeten krijgen als hun takenpakket wordt uitgebreid door Europese regels, blijkt dan lang niet altijd vanzelfsprekend. Dat laat de saga omtrent de invoering van Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) wel zien. Die Europese wet biedt burgers sinds 2018 meer rechten op het gebied van privacy. Nederland ging akkoord met die verordening, die nieuwe taken gaf aan de Autoriteit Persoonsgegevens, de opvolger van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP).

Al in december 2015 voorspelde toenmalig CBP-voorzitter Jacob Kohnstamm (D66) dat de Autoriteit Persoonsgegevens het werk niet aan zou kunnen. ‘Ik ben erg enthousiast over de nieuwe taken en de Europese verordening. Maar ik ben er niet in geslaagd om het ministerie [van Veiligheid en Justitie, red.] te overtuigen van de noodzaak van extra menskracht,’ zei Kohnstamm in NRC Handelsblad.

Zijn opvolger Aleid Wolfsen (PvdA) kampt in 2021 nog altijd met een tekort aan mensen, ondanks dat de AVG een expliciet artikel bevat die aan overheden de opdracht geeft de  privacywaakhonden voldoende middelen te geven. 

Nederland had zich verzet tegen dat artikel, omdat die ‘met het grondwettelijk vastgelegd budgetrecht interfereert’, zo schreef toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven (VVD) in 2013. Dat grondwettelijke budgetrecht van het Nederlandse parlement – de Eerste en Tweede Kamer – stelt simpel gezegd dat de volksvertegenwoordiging bepaalt hoe Nederlands belastinggeld wordt besteed.

Wat kost dat allemaal?

Maar is die bepaling uit de Grondwet van 1983 niet inmiddels ingehaald door de Europese realiteit? Nederland is met toestemming van zijn parlement onderdeel van een Europese rechtsorde en heeft zich gecommitteerd aan verplichtingen die voortvloeien uit het Europees recht.

Europese verplichtingen kosten geld, ongeacht wat het Nederlandse parlement ervan vindt

Die verplichtingen kosten geld, ongeacht wat het Nederlandse parlement ervan vindt. Europese verplichtingen beperken zo, in elk geval deels, de vrijheid van de Nederlandse volksvertegenwoordiging om te bepalen hoe de inhoud van de schatkist wordt besteed.

Hoe groot is die impact precies? Die vraag heeft Follow the Money de afgelopen maanden proberen te beantwoorden. We hebben getracht in kaart te brengen met welke nieuwe toezichts- en uitvoeringskosten Nederlandse overheidsorganisaties te maken krijgen als gevolg van de besluiten die tijdens één kabinetsperiode zijn gevallen.

Dat was geen gemakkelijke klus. Van de bijna 400 verordeningen en richtlijnen die tijdens het kabinet-Rutte III zijn aangenomen, heeft Follow the Money er 83 onderzocht op toezichts- en uitvoeringskosten. EU-wetten die slechts een beperkte wijziging invoerden of een formaliteit regelden, lieten we buiten beschouwing. We onderzochten de 83 verordeningen en richtlijnen door vragen te stellen aan zo’n 35 toezichthouders, uitvoeringsorganisaties en ministeries.

Wat meteen al duidelijk werd: we waren te vroeg met onze vragen. Het blijkt soms jaren te duren nadat een nieuwe EU-wet in het Publicatieblad van de EU is verschenen, voordat duidelijk is welke kosten die met zich meebrengt voor Nederlandse overheidsorganisaties.

Van 38 van de 83 onderzochte richtlijnen en verordeningen bleek dat de Nederlandse verantwoordelijke instanties nog niet wisten wat de uitvoeringskosten zouden zijn. Bijna de helft daarvan zijn ouder dan twee jaar.

Van 45 van de 83 onderzochte EU-wetten kregen we een duidelijk beeld van de kosten voor Nederlandse overheidsorganisaties. Over 18 ervan stellen de instanties dat de kosten nihil of marginaal zijn. Van 27 richtlijnen en verordeningen kregen we concrete bedragen. 

Die EU-besluiten hebben geleid of zullen leiden tot een totaal aan minstens 212 miljoen euro aan eenmalige uitvoeringskosten. Daarnaast zorgen die Brusselse besluiten voor taken die sowieso bijna 73 miljoen euro aan jaarlijkse toezichtskosten met zich mee brengen voor Nederlandse overheidsorganisaties. Dit is exclusief de kosten voor de Single Digital Gateway.

De Europese toezichtserfenis van Rutte III zal echter flink groter uitpakken, aangezien voor zeker 38 besluiten momenteel nog onduidelijk is welke kosten de uitvoering met zich meebrengt. Zo weet het Commissariaat voor de Media zeker dat de nieuwe richtlijn audiovisuele mediadiensten extra werk oplevert.

De Europese toezichtserfenis van Rutte III zal flink groter uitpakken

De richtlijn, waar Nederland overigens tegen stemde, vereist dat onlinevideodiensten onder meer aan dezelfde regels over sluikreclame worden gehouden als traditionele televisiekanalen. ‘We zullen meer mensen nodig hebben, maar hoeveel weten we nu nog niet,’ zegt een woordvoerder. 

Eveneens onbekend zijn de effecten van de richtlijn over open data en hergebruik van overheidsinformatie, van 20 juni 2019. Toen die richtlijn een jaar eerder werd voorgesteld, schreef het kabinet: ‘Doordat de richtlijn hergebruik een zeer uitgebreide reikwijdte heeft, is deze van toepassing op veel en uiteenlopende organisaties. Het is daarom niet mogelijk een volledige inschatting te maken van de administratieve lasten en kosten.’ Anno 2021 is dat volgens BZK evenmin mogelijk, deels omdat de omzetting van deze richtlijn naar Nederlandse wetgeving vertraging heeft opgelopen.

Het voorbeeld van de eerder genoemde verordening die vertalingen van overheidswebsites gebiedt (de Single Digitale Gateway), liet al zien dat er grote verschillen kunnen bestaan tussen de kosten die Nederland verwacht aan het begin van het wetgevingsproces, en de kosten die uiteindelijk worden gemaakt. Een belangrijk moment is kort na de verschijning van het Commissievoorstel, dan verschijnt het zogeheten BNC-fiche (zie kader). De verwachte financiële consequenties voor rijksoverheid en andere overheden zijn een vast onderdeel van dat overheidsdocument.

EU-wetgeving en het BNC-fiche

Europese verordeningen en richtlijnen beginnen als voorstel van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie. De volgende stap is dat de Raad van de EU (de lidstaten), een oordeel vormt. In de meeste gevallen wordt een voorstel alleen wet als ook het Europees Parlement dat doet. Wanneer zowel het Parlement als de Raad een eigen oordeel hebben, komen ze in driepartijenoverleg dat in Brussel bekendstaat als  trilogen samen om tot een uiteindelijke versie van de wet te komen.

Binnen de Raad heeft Nederland de mogelijkheid om wijzigingen voor te stellen. Het Nederlandse parlement wordt kort na publicatie van het Commissievoorstel ingelicht via een zogeheten BNC-fiche, waarbij de afkorting staat voor beoordeling nieuwe Commissievoorstellen.

‘Nederland is de enige lidstaat die BNC-fiches schrijft en dus binnen de 6 weken nadat het eerste EU-voorstel is verschenen een eerste analyse maakt,’ zegt een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. ‘Het betreft dus een eerste globale analyse die naar Eerste en Tweede Kamer wordt gestuurd en daarmee openbaar wordt. Na openbaar maken van de globale analyse moet het voorstel nog worden uitonderhandeld met het Europees Parlement en de andere lidstaten in de Raad. Dat betekent dat de uitkomst heel anders kan zijn dan het voorstel dat de Commissie aan het begin publiceerde.’ 

De uiteindelijke uitvoeringslasten kunnen dus anders uitvallen dan in het BNC-fiche omdat de schattingen niet klopten, maar ook omdat de uiteindelijke versie flink kan verschillen van het Commissievoorstel, na aanpassingen van de Raad en het Europees Parlement.

Lees verder Inklappen

Ten tijde van het BNC-fiche is lang niet altijd duidelijk wat de kosten zullen zijn, maar toch bevat dit soms een concreet bedrag. Het document biedt het Nederlands parlement dan aan het begin van het complexe Europese onderhandelingstraject voor nieuwe EU-wetgeving een indicatie van de administratieve lasten.

Schattingen kunnen verkeerd zijn en de uiteindelijke wet kan flink verschillen van het oorspronkelijke voorstel. Maar ook nadat een voorstel al wetgeving is geworden, kunnen de lasten nog worden onderschat.

Ook nadat een voorstel al wetgeving is geworden, kunnen de lasten worden onderschat

Neem de EU-verordening uit 2018 die een nieuw sjoemelschandaal als Dieselgate moet voorkomen. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kreeg dankzij die verordening nieuwe taken, waarvan het vorig jaar nog dacht dat ze die kon uitvoeren met 4,5 fte aan inspecteurs. Een jaar later heeft ILT al 8 fte op dit gebied.

Ook een verordening met regels over het op de markt brengen en het gebruik van stoffen die gebruikt kunnen worden als explosief, gewijzigd in 2019, vereist menskracht van de ILT. Het kabinet schreef vorig jaar nog dat de extra financiële lasten van die verordening ‘nihil’ zouden zijn: ‘Voor het houden van toezicht op de naleving van de verordening heeft de ILT thans 2 fte beschikbaar. Bij handhaving van het huidige uitvoeringsniveau zijn geen extra personele kosten voorzien.’

De toezichthouder verwacht zelf echter dat die 2 fte niet genoeg zijn. ‘Het aantal ondertoezichtstaanden is vergroot en inspecties kosten door nieuwe verplichtingen meer tijd,’ zegt een woordvoerder van ILT.

Sluipenderwijs steeds Europeser

Terug naar het bedrag waar Follow the Money op uitkwam: 212 miljoen euro aan eenmalige kosten en 73 miljoen euro jaarlijks, als gevolg van 45 nieuwe EU-wetten. Is dat veel? Nee. Op de totale overheidsuitgaven van 353 miljard euro, het bedrag aan verwachte overheidsuitgaven voor 2022 dat demissionair minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) op de derde dinsdag van september presenteerde, zijn die bedragen minder dan afrondingsfouten.

Maar dit betreft alleen de kosten van taken die voortvloeien uit een deel van de besluiten die tijdens één kabinetsperiode zijn genomen. Met name de jaarlijkse kosten zijn een erfenis voor het volgend kabinet, dat op zijn beurt weer geld zal moeten zoeken voor nieuwe Europese verplichtingen.

Bovendien vertegenwoordigen de onderzochte EU-wetten slechts het topje van de ijsberg. Er zijn bijna 26.000 vóór Rutte III aangenomen verordeningen en richtlijnen, die nog altijd van kracht zijn. Een deel van die EU-regels heeft nationale regels vervangen, dus het is niet alleen maar extra werk. Maar het zorgt er wel voor dat nationale toezichthouders steeds minder om de EU heen kunnen.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de Autoriteit Consument en Markt (ACM), die toezicht houdt op mededinging, consumentenbescherming, telecom en energie. ‘De wetgeving op al deze terreinen wordt in hoge mate bepaald op EU-niveau ter bevordering van de Europese marktintegratie,’ zegt ACM.

‘Als er keuzes moeten worden gemaakt, prevaleert de Europese taak boven het heffen van nationale belastingen, zoals accijnzen’

Zo neemt Europa sluipenderwijs, beetje bij beetje, een deel van de begroting over. Dat kan gevolgen hebben voor puur nationaal bepaalde prioriteiten. In 2008 constateerden onderzoekers dat bij de douane het goed uitvoeren van Europese taken ‘een hoge prioriteit’ heeft. ‘Als er keuzes moeten worden gemaakt, prevaleert deze taak boven het heffen van nationale belastingen, zoals accijnzen. Deze nationale taak kan daardoor onder druk komente staan,’ schreven de onderzoekers.

Het risico bestaat dat toezichthouders overspoeld worden met Europese opdrachten, omdat het nationaal toekennen van die taken vaak helemaal aan het einde van het wetgevingsproces nog even moet worden geregeld. 

Terwijl de Autoriteit Persoonsgegevens nu al niet genoeg mensen heeft om de taken uit privacywet AVG, goedgekeurd tijdens Rutte II, goed uit te voeren, kreeg het er onder Rutte III alweer nieuwe Europese taken bij. De Autoriteit was al toezichthouder voor het Nederlandse deel van het Schengen Informatiesysteem (SIS), waarmee grensbewakers persoonsgegevens van vermiste personen of gezochte criminelen kunnen uitwisselen.Tijdens Rutte III werd het SIS uitgebreid (zie kader). 

Migranten nu ook in database

Om het wegvallen van de controles aan de binnengrenzen te compenseren heeft de EU in 1990 een Schengen Informatiesysteem opgericht. Met dat systeem wisselen grenscontroleurs, maar ook de douane en politie, gegevens uit over gezochte personen die van buiten de EU het Schengengebied binnenkomen, maar ook vermiste personen.

In 2018 werden de Europese regels zo gewijzigd, dat het SIS straks ook gebruikt kan worden om gegevens over illegaal in de EU verblijvende migranten uit te wisselen. Dit gaat meer taken opleveren voor de toezichthouder, bevestigt een woordvoerder van de Autoriteit Persoonsgegevens. ‘Het kan hier gaan om grote hoeveelheden (bijzondere) persoonsgegevens waar zorgvuldig mee moet worden omgegaan.’ Overleg over hoe die taken bekostigd zullen worden, loopt nog. Op Prinsjesdag werd wel bekend dat de Autoriteit in 2022 geen hoger budget krijgt, ondanks een motie van de Tweede Kamer.

Andere overheidsorganisaties hebben al een duidelijker beeld van de uitvoeringskosten van de uitbreiding van SIS met informatie over migranten. De Koninklijke Marechaussee heeft 2,4 miljoen euro aan kosten voor ICT-aanpassingen en opleiding van personeel en daarnaast behoefte aan meer personeel, oplopend tot 26 fte in 2027. Vanaf dat jaar verwacht de Marechaussee jaarlijkse 3,2 miljoen euro aan personeel kwijt te zijn om de SIS-verordening uit 2018 uit te voeren, en 100.000 euro aan structurele ICT-kosten.

De Nationale Politie heeft voor de uitvoering 55 fte nodig vanaf 2027, goed voor ongeveer zeven miljoen euro per jaar. Daarnaast verwacht de politie de komende jaren ruim een miljoen euro aan voorbereidingskosten te hebben. ‘Op dit moment heeft de politie voor een groot deel van deze extra taken een extra bijdrage in de begroting toegezegd gekregen,’ aldus een woordvoerder.

Op zijn beurt laat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) weten dat het voor de implementatie en uitvoering van de SIS-verordening tot 2026 een bedrag van 4,5 miljoen euro heeft geclaimd bij het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). Volgens JenV hebben Koninklijke Marechaussee, Politie, IND, BZ en OM in totaal eenmalige kosten van ruim 8 miljoen euro geclaimd en jaarlijkse structurele lasten van 11,5 miljoen euro vanaf 2027. Dat is exclusief de kosten die de Autoriteit Persoonsgegevens moet maken.

Lees verder Inklappen

Hoe nieuwe Europese taken financieel gedekt worden, verschilt per organisatie. Sommige toezichthouders kunnen de kosten van het toezicht verhalen op de sector. Zo krijgt De Nederlandsche Bank (DNB) de taak om naleving van eerder dit jaar goedgekeurde Europese wetgeving op het gebied van synthetische securitisaties te controleren.

DNB zegt desgevraagd dat het ‘marginale’ personele en financiële gevolgen van die wetgeving verwacht, maar dat tegelijk lastig is in te schatten in welke mate de hoeveelheid synthetische securitisaties zal groeien.

Als hun aantal toch flink stijgt, dan zullen ook de kosten van het toezicht toenemen,’ aldus een woordvoerder. In dat geval zouden die kosten worden doorberekend aan de financiële sector. Overigens schat DNB het totale toezicht op securitisaties die aan EU-criteria voldoen in Nederland op slechts 1,5 fte.

Bonnetjes inleveren bij het ministerie

Andere uitvoeringsorganisaties leveren voor hun Europese taken simpelweg een rekening in bij hun opdrachtgever. Zo kan het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS), als het niet genoeg heeft aan de jaarlijkse bijdrage van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), de kosten bij dat ministerie declareren.

Dat geldt ook voor het Openbaar Ministerie (OM). Rutte III besloot in 2018 dat Nederland toch zou meedoen met het Europese Openbaar Ministerie, waardoor het Nederlands OM ambtelijke ondersteuning en huisvesting moet organiseren voor twee gedelegeerde Europese aanklagers. ‘Het OM zal voor het jaar 2022 en volgende jaren een structurele financiële claim indienen bij het ministerie van Justitie en Veiligheid,’ aldus een woordvoerder.

Woordvoerder ministerie van Justitie en Veiligheid

"Als wij de financiële gevolgen van een voorstel hebben onderschat, moeten we aanvullende budgettaire ruimte vinden, omdat het geen keuze is wel of niet te voldoen aan Europese verplichtingen"

Bij tekorten is het dan uiteindelijk aan de verantwoordelijke ministeries om te bepalen waar dat geld vandaan wordt gehaald. ‘De budgettaire gevolgen van implementatie van EU-wet-en regelgeving zijn onvermijdelijk en moeten in de begroting worden opgenomen,’ zegt JenV. ‘Als wij de financiële gevolgen van een voorstel hebben onderschat, zullen we aanvullende budgettaire ruimte moeten vinden, omdat het geen keuze is wel of niet te voldoen aan Europese verplichtingen.’

Ook de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) krijgt te maken met Europese taken. De EU heeft in mei een verordening aangenomen met afspraken over de handel in producten die zowel civiel als militair gebruikt kunnen worden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken kan bij de aanvraag van exportvergunningen informatie opvragen bij de militaire geheime dienst over de mogelijkheid dat een product militair gebruikt kan worden.

Defensie moet dat financieren met bestaande middelen, bevestigt een woordvoerder. ‘Daarbij geldt inderdaad dat Defensie elke euro maar één keer kan uitgeven. Kiezen voor het een betekent dat we het ander niet kunnen doen. Defensie heeft geen aanvullende ruimte binnen de begroting.’

Dat geldt ook voor gemeenten en provincies, die soms jarenlang in onzekerheid zitten over hoe kosten uit Europese verplichtingen gedekt moeten worden (zie kader). 

Gemeenten wachten soms jaren op duidelijkheid

In 2018 voorspelde het kabinet dat gemeenten en provincies ‘extra kosten moeten maken’ om een nieuwe richtlijn over verkeersveiligheid uit te voeren. Die richtlijn werd uiteindelijk op 23 oktober 2019 goedgekeurd, maar bijna twee jaar later is het de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg nog altijd niet duidelijk welke financiële gevolgen de richtlijn zal hebben.

Of neem een richtlijn over toegankelijkheidseisen, om buitensluiting van mensen met een beperking te voorkomen. Het vorige kabinet, Rutte II, schreef er begin 2016 over: ‘Wanneer de gevolgen van onderhavig voorstel concreter worden, zou het goed zijn om een groep van gemeenten, provincies en het Rijk als klankbord in te stellen om in beeld te krijgen wat deze richtlijn op lokaal niveau, in vervoersregio’s en voor de nationale overheid (onder andere financieel) zou betekenen.’ 

Drie jaar later, in april 2019, was het voorstel wet geworden. In juli 2021 was er echter nog altijd geen klankbordgroep bijeen gekomen en zijn de uitvoeringskosten nog onbekend, laat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport desgevraagd weten

Lees verder Inklappen

Soms leidt een EU-besluit niet zozeer tot kosten, maar wel tot een inkomstenderving. De Kamer van Koophandel krijgt daar mogelijk mee te maken, vanwege een richtlijn over handelsregisters die in 2019 werd gewijzigd. Die vereist dat meer informatie dan nu uit de handelsregisters kosteloos moet worden verstrekt. In het BNC-fiche stond dat de KvK mogelijk tot vijftig miljoen per jaar aan inkomsten kan mislopen, afhankelijk van de uitwerking van die richtlijn. Een KvK-woordvoerder laat weten dat dit nog onduidelijk is.

De EU tracht af en toe ook de kosten voor de lidstaten te verlagen, maar onduidelijk is in hoeverre dat echt lukt

De EU tracht af en toe ook de kosten voor de lidstaten te verlagen, maar onduidelijk is in hoeverre dat echt lukt. Zo ging Nederland in 2019 akkoord met een verordening die tien eerdere verordeningen en richtlijnen wijzigt. Die aanpassing zou de rapportageverplichtingen van lidstaten op het gebied van milieuregels verlichten. Toen de Europese Commissie de verordening voorstelde, hield ze de lidstaten een gezamenlijke lastenreductie van 1,4 tot 2 miljoen euro per jaar voor. Daar is in Nederland nog weinig van zichtbaar, blijkt uit antwoorden van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). 

De enige gekwantificeerde besparing die IenW noemt is de administratieve last die is verminderd door de automatisering van rapportages in het kader van het zogeheten INSPIRE-portaal, waar lidstaten voorheen milieugegevens voor moesten aanleveren. Die winst had overigens niet plaats bij IenW, maar bij het ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dat was geen indrukwekkend bedrag.

Deze aanpassing van de Europese verplichtingen op milieugebied heeft naar schatting een besparing opgeleverd van 0,05 fte en 14.000 euro.

Verantwoording

Hoe heeft Follow the Money dit onderzoek aangepakt? We beperkten ons tot de vierhonderd Europese verordeningen, richtlijnen en besluiten die in Brussel zijn aangenomen tussen 26 oktober 2017, de dag dat Rutte III aantrad, en 10 mei 2021. Op die dag scrapeten we alle besluiten die zijn opgenomen in de database van de Raad van de EU. Dit onderzoek richt zich daarmee dus niet op secundaire EU-wetgeving, zoals uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen. 

Vervolgens onderzochten we welke van deze besluiten financiële gevolgen hebben voor Nederlandse overheidsorganisaties. Dat deden we door te kijken naar de taken die in de besluiten stonden, of door de bijbehorende ‘BNC-fiche’ te lezen, een inschatting van ambtenaren wat het voorstel voor Nederland zou betekenen (zie kader eerder in dit artikel). Hiervoor viel allerlei wetgeving af, zoals besluiten over de voorwaarden van EU-subsidies, over de nieuwe relatie met het Verenigd Koninkrijk na de Brexit of de juridische kaders voor EU-agentschappen.

We konden 83 EU-wetten identificeren die uitvoerings- of toezichtskosten met zich mee leken te brengen voor de lidstaten. Vervolgens hebben we bijna veertig toezichthouders, uitvoeringsorganisaties en ministeries benaderd met de vraag welke kosten ze verwachten te maken om de nieuwe taken uit Brussel uit te voeren. De verantwoordelijke organisaties stonden vaak in de BNC-fiche, soms kwamen we er op een andere manier achter.

Follow the Money heeft geprobeerd een verschil te maken tussen eenmalige kosten en jaarlijkse kosten. Deels is dat een arbitraire scheidslijn geworden, omdat sommige overheidsorganisaties bedragen leverden die beide op een hoop gooiden. 

Soms gaf een organisatie een bedrag dat bij een beperkte periode hoorde. Zo gaf de IND het bedrag van 4,5 miljoen euro voor de uitvoering van de verordening over het Schengeninformatiesysteem ‘tot 2026’. In dat geval hebben we dat bedrag als eenmalige kosten geteld. 

Soms lopen structurele kosten langzaam op en is er eerst sprake van een opstartperiode. Zo raamde het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de kosten voor toezicht op richtlijn (EU) 2019/904 (verbod op plastic als grondstof voor weggooiproducten als rietjes) op ‘370.000 euro in 2021, 925.000 in 2022, 1,5 miljoen in 2023 en 2024, 2 miljoen in 2025 en 2026’. We hebben de bedragen voor 2021-2024 geteld als eenmalig en de bedragen voor 2025 genomen als de jaarlijkse kosten.

De Europese regels die voor dit artikel zijn onderzocht kosten geld. Maar ze hebben ook gevolgen voor burgers en bedrijfsleven en kunnen zowel materiële als immateriële baten opleveren. Het zou echter een nog veel omvangrijker onderzoek vergen om die baten ook in kaart te brengen.

Met dank aan Remy Koens voor het scrapen van de data.

 

Lees verder Inklappen