De VS democratisch? Forget it. Wie rijk is, mag het zeggen, toont onderzoek

    Amerikaanse verkiezingen lijken steeds meer op 'one dollar, one vote'. Zeg dus maar dag tegen de democratie. Klopt dat? Een spraakmakend Amerikaans artikel voorziet deze volkswijsheid nu van een wetenschappelijke basis. Gastauteur Anton van de Haar beschrijft opzet en conclusies van het onderzoek. Voer voor statistiekliefhebbers.

    Soon, the first presidential contest will take place, and I for one cannot wait to see who the Koch brothers pick. It’s exciting. Marco Rubio, Rand Paul, Ted Cruz, Jeb Bush, Scott Walker, who will finally get that red rose? The winner gets a billion dollar war chest.’ (Barack Obama op het White House Correspondents’ dinner, april 2015). Zijn de VS nog wel een democratie? Steeds meer gezaghebbende Amerikanen neigen naar een negatief antwoord.
    Is Amerika democratisch? Steeds meer gezaghebbende Amerikanen neigen naar een negatief antwoord
    Bijvoorbeeld econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, die in zijn boek The price of inequality onomwonden vaststelt dat de Amerikaanse democratie is verworden tot een ’one dollar one vote’-systeem. Nog negatiever is een andere econoom, tevens Washington-insider, Jeffrey Sachs, die concludeertWe have a corrupt politics to the core, I am afraid to say, and . . . both parties are up to their neck in this. This has nothing to do with Democrats or Republicans’. Een zwak punt van deze en andere stellingen over de verwording van de Amerikaanse democratie is dat ze zijn gebaseerd op anekdotisch bewijs. Dat wil zeggen, tot voor kort, want vorig jaar verscheen het artikel ‘Testing Theories of American Politics: Elites, Interest Groups, and Average Citizens van Princeton politicoloog Martin Gilens en zijn collega Benjamin Page van de Northwestern University. Aan dit onderzoek, dat internationaal veel ophef veroorzaakte, is door de media in ons land, opmerkelijk genoeg, nauwelijks aandacht besteed.

    Steekproef

    In hun artikel bekijken Gilens en Page de vier meest gangbare theorieën over wie het in de Amerikaanse politiek voor het zeggen heeft: de gemiddelde burger, de economische elite, brede maatschappelijke belangengroepen of bedrijfsbelangengroepen. Ze constateren dat er een grote hoeveelheid onderzoek is uitgevoerd naar de invloed van elk van die vier groepen voor zich, maar dat nog niemand heeft gekeken naar de invloed van die vier groepen in samenhang. Voor hun onderzoek, ondersteund door een legertje aan onderzoeksassistenten, maakten ze gebruik van een daartoe opgezette database met de voorkeuren van die vier groepen over maar liefst 1.779 politieke beleidsveranderingen in de periode 1981–2002. In die database worden de burgers met een mediaan inkomen verondersteld representatief te zijn voor de voorkeuren van de gemiddelde burger en de 10 procent burgers met het hoogste inkomen voor de voorkeuren van de economische elite. Voor wat betreft de selectie van maatschappelijke belangengroepen en bedrijfsbelangengroepen hebben Gilens en Page geput uit de Power 25 lijst van invloedrijkste belangengroepen van Fortune magazine, uitgebreid met de tien bedrijfstakken met de hoogste lobby-uitgaven. Ze stellen dat deze selectie als redelijk representatief mag worden beschouwd. De voorkeuren van deze groepen voor wat betreft die 1779 politieke beleidsveranderingen leidden ze af uit een groot aantal bronnen.

    Statistische analyse

    Voor elk van de 1.779 politieke beleidsveranderingen classificeerden ze vervolgens de standpunten van elk van de individuele groepen als hetzij grote voorstander, gematigde voorstander, gematigde tegenstander of grote tegenstander. De daaruit voortkomende scores vergeleken ze met elkaar, om vast te stellen in hoeverre de voorkeuren van de vier groepen met elkaar overeenkomen. Dat is te zien in de volgende correlatietabel. unnamed

    Opmerkelijke conclusies

    Uit de tabel kan een aantal opmerkelijke conclusies worden getrokken. Eén daarvan is dat de voorkeuren van de gemiddelde burger en de economische elite voor een flink deel met elkaar overeenkomen. Gilens en Page denken dat dit wellicht de reden is dat zowel de aanhangers van de gemiddelde burger-theorie als die van de economische elite-theorie claimen dat ze het bij het rechte eind hebben. Een andere opmerkelijke conclusie is dat de voorkeuren van de gemiddelde burger weliswaar een statistisch significant, maar toch slechts zwak verband tonen met die van de maatschappelijke belangengroepen.
    opmerkelijk: de voorkeuren van de gemiddelde burger tonen slechts een zwak verband met die van de maatschappelijke belangengroepen
    De schrijvers verklaren dit met de observatie dat een aantal van die groepen, bijvoorbeeld de National Rifle Association, voorkeuren heeft die haaks staan op de voorkeuren van de gemiddelde burger. Nog een andere opmerkelijke observatie is dat de voorkeuren van de economische elite geen verband tonen met die van de bedrijfsbelangengroepen. Gilens en Page verklaren dit voor hen verrassende feit uit het verschil tussen de meer ideologisch gemotiveerde voorkeuren van de elite en de meer praktisch gedreven voorkeuren van de individuele bedrijfsbelangengroepen. Bijvoorbeeld: de elite wil dat de overheid zo min mogelijk geld uitgeeft, maar de bedrijfsbelangengroepen willen ieder voor zich dat de overheid zoveel mogelijk geld uitgeeft aan hun specifieke bedrijfstak.

    Wie trekt aan het langste eind?

    De getallen in de voorgaande tabel geven aan in hoeverre de voorkeuren van de verschillende groepen gelijk op gaan. Maar je kunt er niet uit afleiden in hoeverre hun voorkeuren door de politiek gehonoreerd worden. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat een bepaalde groep vaak zijn zin lijkt te krijgen omdat ze meestal hetzelfde wil als de dominante groep. Om op die vraag een antwoord te krijgen testten de auteurs vier verschillende modellen. Met het eerste model wordt de relatie getest tussen alleen de voorkeuren van de gemiddelde burger en de politieke keuzes, met het tweede alleen die tussen de voorkeuren van de economische elite en de politieke keuzes en met het derde model alleen die tussen de gezamenlijke voorkeuren van de maatschappelijke – en bedrijfsbelangengroepen en de politieke keuzes. Met het vierde model tenslotte, wordt de relatie getest tussen de politieke keuzes en de voorkeuren van de drie groepen in samenhang. De resultaten staan in de volgende tabel. unnamed

    Gemiddelde burger

    De conclusie die je uit de voorgaande tabel kunt trekken is dat er voor elk van de drie groepen op zichzelf weliswaar een significant verband bestaat tussen hun voorkeuren en de uiteindelijk gemaakte politieke keuzes (model 1-3), maar dat dit verband voor de gemiddelde burger geheel het gevolg is van de overlap met de voorkeuren van de andere twee groepen, zoals blijkt uit model 4. Andes gezegd, de gemiddelde burger heeft kennelijk niets in te brengen bij die keuzes.
    de gemiddelde burger heeft kennelijk niets in te brengen
    De schrijvers hebben model 4 tevens berekend voor de maatschappelijke belangengroepen en de bedrijfsbelangengroepen afzonderlijk. Daarbij vinden ze coëfficiënten van respectievelijk 0,24 en 0,43. Anders gezegd, de invloed van de bedrijfsbelangengroepen op de politieke besluitvorming is duidelijk groter dan die van de maatschappelijke belangengroepen. En ook uit deze berekening volgt dat de gemiddelde burger geen noemenswaardige invloed heeft op de politieke besluitvorming. Opvallend is dat het verklarend vermogen van de modellen (de R2 in de onderste rij) tamelijk beperkt is. De auteurs denken dat dit onder meer het gevolg is van de gekozen groepsdefinities, die vanwege de beperkte beschikbaarheid van gegevens de doelgroepen niet goed afdekken. Dat zou vooral gelden voor de economische elite, waarvoor is uitgegaan van de 10 procent burgers met het hoogste inkomen, terwijl een veel kleinere groep, bijvoorbeeld de 1 procent grootste verdieners, representatiever zou zijn geweest. Ze denken dat de invloed van de economische elite op de politieke besluitvorming daardoor in werkelijkheid nog groter is dan hun analyse nu al aangeeft. Bovendien, zo stellen Gilens en Page, is het des te opmerkelijker dat uit hun analyse naar voren komt dat de gemiddelde burger zo weinig in te brengen heeft, omdat naar hun idee de voorkeuren van de gemiddelde burger directer en daardoor scherper vastgesteld zijn dan die van de andere groepen.

    Kritiek

    Uiteraard valt er het nodige aan te merken op het onderzoek van Gilens en Page. Zo wordt opgemerkt dat de onderzochte beleidsveranderingen op een hoop zijn gegooid, ongeacht hun maatschappelijke belang en dat de voorkeuren van de gemiddelde burger en de economische elite kennelijk veelal identiek zijn, dus so what? Maar dat doet niets af aan hun conclusie dat de gemiddelde burger per saldo niets in te brengen heeft. Overigens dreigt de neergang van de Amerikaanse democratie in de nabije toekomst alleen nog maar erger te worden. Zo constateerde de Washington Post eind vorig jaar dat er op pagina 1599 van een begrotingsovereenkomst tussen de Democraten en de Republikeinen een voorstel was gestopt om het donatieplafond voor rijke politieke donoren met een factor tien te verhogen. Ondanks de ophef die dat veroorzaakte werd de overeenkomst, inclusief dat voorstel, kort daarna toch aangenomen. Anton van de Haar is geoloog, autodidact econoom en lezer van Follow the Money. Antons economieblog leest u hier.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 290 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren