De wederopstanding van Colijn

    Veel van de vandaag de dag gebruikte argumenten over begrotingsbeleid en het verdedigen van de euro zijn eerder gebezigd door onze eigen premier Colijn tijdens de jaren ’30.

    Veel van de problemen die zich tijdens de grote depressie in Nederland voortdeden zijn nu opnieuw actueel. Van de goudstandaard tot de bezuinigingspolitiek. Verander een paar woorden -- goudstandaard door euro, aanpassingspolitiek door structureel hervormen -- en men waant zich in de jaren '30. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel van de argumenten die toen werden gebruikt nu nog steeds ingang vinden. Wel verwonderlijk is dat Hendrikus Colijn, die na de oorlog universeel werd verafschuwd, het debat 75 jaar later alsnog lijkt te hebben gewonnen.  

    De Grote Depressie slaat toe

    Dat Nederland zo hard werd geraakt door de Depressie is opmerkelijk. Nederland had niet meegedaan aan de Eerste Wereldoorlog en ging dus niet gebukt onder grote oorlogsschulden, zoals Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Ook was er geen financiële wanorde, zoals in de Verenigde Staten. De grootste bancaire crises hadden plaatsgevonden aan het begin van de jaren ’20. De financiële sector was door schade en schande wijzer geworden en relatief gezond toen de crisis uitbrak. Tussen 1922 en 1927 verdwenen er 61 zwakke Nederlandse banken, waarvan 11 door faillissement.
    Het was een dramatische inzinking van de export die Nederland de das om deed. Nederland was altijd een handelsnatie geweest, tijdens de jaren ’20 bedroeg de uitvoer ruim 30 procent van het bbp. De depressie bracht hier verandering in. De handel met de Verenigde Staten was beperkt. Toen de VS in 1930 de Amerikaanse invoerrechten drastisch verhoogden had dit dus nog weinig effect op de Nederlandse uitvoer. Het was de reactie van de Europese handelspartners die Nederland veel schade berokkende.
    Grafiek 1: Uitvoer van 1925-1940 naar land in miljoenen euro’s (Bron: CBS) 
    Duitsland voerde deviezencontroles in om de uitvloei van goud naar het buitenland een halt toe te roepen en het Verenigd Koninkrijk devalueerde en schortte de goudstandaard op in september 1931. Ook in de rest van Europa, van Oostenrijk tot Finland, devalueerden overheden hun munt. Het gevolg was dat buitenlandse producten ten opzichte van Nederlandse producten veel goedkoper werden.

    Colijn en zijn bezuinigingen

    De economie lag in puin toen in 1933 de antirevolutionaire politicus Hendrik Colijn aantrad. De werkloosheid bedroeg 29 procent, de handel was met 62 procent ingezakt en de economie met ruim 6 procent gekrompen ten opzichte van 1929. Voor Colijn was devaluatie echter ondenkbaar. Hij prefereerde de monetaire orthodoxie van de goudstandaard. De oplossing voor Nederlands economische kwalen was een langdurig aanpassingsproces. De overheid moest het binnenlandse loon- en prijsniveau omlaag drukken zodat Nederland internationaal weer kon concurreren.
    Keynesiaanse theorieën waarbij de overheid in een recessie anticyclisch optreedt waren nog niet geformaliseerd. Keynes magnum opus ‘The General Theory of Employment, Interest and Money’ zou pas in 1936 uitkomen. Dit verhinderde sommige landen er echter niet van toch al anticyclisch begrotingsbeleid uit te voeren, maar Nederland bleef een bastion van fiscaal calvinisme. Elk jaar opnieuw moest 'het evenwicht tuschen uitgaven en inkomsten' worden hersteld.
    Politici verdedigden de goudstandaard en een evenwichtig begrotingsbeleid vaak in morele termen, niet in economische. ‘Ik stel mij op het standpunt,’ zei het CDU kamerlid Harm van Houten in de Tweede Kamer. ‘Dat zedelijke waarden van meer betekenis zijn dan de materieele, dat een gave gulden en een sluitende begrooting ook van groote betekenis zijn voor de arbeiders en minder bedeelden.’
    Door lonen en prijzen omlaag te drukken moest het herstel uiteindelijk komen. Een alternatief voor de ‘aanpassingspolitiek’ bestond niet, oordeelden Colijn en de zijnen. ‘Slechts een opmerkelijk gebrek aan inzicht of wel een verachtelijke demagogie kunnen er toe drijven enigen Nederlandse regeerder te verwijten dat de economische toestand niet snel genoeg verbeterd,’ legde Colijn uit. ‘De tegenspoed die allen volken te dragen hebben, en waarvan het Nederlandsche volk ditmaal zijn deel ruim heeft gedragen, zullen met dat geduld, met die bezonnenheid en met dat zelfvertrouwen moeten worden aanvaard, die datzelfde volk in vroegere generaties onder nog heel wat ernstiger omstandigheden heeft getoond te bezitten.’

    Het einde van de goudstandaard

    Door bezuinigingen en directe loonsverlagingen wist Colijn van 1934-1936 de lonen met 18 procent te verlagen. Dit bleek lang niet genoeg voor een herstel van de export, laat staan de werkgelegenheid. In 1936 was de werkloosheid gestegen naar een piek van 35,2 procent van de beroepsbevolking en ondanks een licht herstel elders in de wereld lag de uitvoer nog altijd op hetzelfde niveau als in 1933.
    ‘Devaluatie van de munt of prijsgeven van den gouden standaard zijn geen middelen, die de volksgemeenschap als geheel baat zouden brengen,’ zei Wilhelmina nog in haar troonrede van 1935. Een jaar later was het gedaan met de goudstandaard. Toen het grootste goudblokland Frankrijk haar munteenheid in oktober 1936 devalueerde, was er ook voor Nederland geen houden meer aan. Als laatste verliet ons land de goudstandaard.
    De waarde van de gulden ten opzichte van de dollar daalde binnen een week met 22,5 procent. Een prijsdaling die de voorgaande drie jaar van loon- en prijsaanpassing overtrof. Zoals de historicus Keesing in zijn boek over de depressie stelt: ‘De zware deflationistische druk die gedurende zo lange tijd het Nederlandse bedrijfsleven had gedeprimeerd werd als het ware met één slag weggenomen.’ Terwijl in veel Europese landen al vanaf 1933 een herstel was ingezet bleef Nederland door haar starre politiek tot 1936 doormodderen.

    Colijn na de oorlog

    De gruwelen van de Grote Depressie en het besef dat er wel degelijk een alternatief was, maakte Colijn een verafschuwd figuur in het naoorlogse Nederland.  Colijnpolitiek was verworden tot een economisch scheldwoord. Zelfs de minister van financiën onder Colijn, Pieter Oud, deed in 1957 in de Tweede Kamer een mea culpa. ‘Er is [tijdens de depressie] een strijd geweest over de juiste politiek, die zou moeten worden gevoerd. Anderen dachten er toen anders over dan wij, ook al hadden we toen de theorieën van de tegenwoordige conjunctuurpolitiek nog niet,’ zei Oud, inmiddels fractieleider van de VVD, in de Tweede Kamer. ‘En Keynes dan?’ wierp PvdA kamerlid Nederhorst hem toe. ‘Ik bied u mijn verontschuldigingen aan, Mijnheer de voorzitter, ik kan het ook niet helpen; ik ben geen doctorandus in de economie. U kan ons niet kwalijk nemen dat wij toen niet wisten, wat wij nu wel weten.’
    Jelle Zijlstra, de ARP leider en latere president van de Nederlandsche Bank, schrijft in zijn autobiografie over de veranderde ideeën na de oorlog. ‘Een economische crisis was niet meer iets zoals vroeger een longontsteking, dat je maar moest afwachten of de patiënt herstelde of bezweek, neen, de economische penicilline was ontdekt.’ In de uitvoering van het anticyclisch beleid waren er misschien substantiële verschillen, maar over het principe van een conjunctuurpolitiek bestond geen controverse. Middenpartijen, van de ARP tot de PvdA, stonden allen achter een Keynesiaans beleid.
    Deze politiek bleek bovendien succesvol. Tot 1979 was er sprake van stabiele groei zonder ernstige recessies. De gemiddelde werkloosheid bedroeg van 1946-1979 slechts 2,1 procent tegen 6,5 procent in de periode daarna. Alleen de politieke extremen waren ontevreden met dit succes. De communist Marcus Bakker verafschuwde ‘de bestierende hand van Keynes’ die een ‘typisch kapitalistische oplossing’ bood voor kapitalistische kwalen.

    Colijn vandaag de dag

    Het is opmerkelijk om te zien dat de argumenten die Colijn aanvoerde, zo gehaat na de oorlog, nu weer helemaal in ere zijn hersteld. Griekenland, Spanje, Portugal en andere landen moeten het moderne equivalent van de ‘aanpassingspolitiek’ uitvoeren om te kunnen herstellen. Het IMF geeft in haar rapport over Griekenland expliciet aan dat het ‘Griekse concurrentievermogen’ moet worden hersteld via ‘interne devaluatie’, het omlaag drukken van de Griekse lonen en prijzen. Net als Nederland haar munteenheid niet kon devalueren zolang ze op de goudstandaard zat, zo kan Griekenland op dit moment niet devalueren omdat ze in de euro zit. De euro is de ‘gave gulden’ van toen.
    ‘Populisten’ (in Colijns tijd: ‘demagogen’), mensen die denken dat er een alternatief is, worden vandaag de dag net als toen belachelijk gemaakt. Volkskrant-columnist Sheila Sitalsing ridiculiseerde onlangs populisten die doen alsof ‘groei een keuze is’ en geen kwestie van ‘langdurige pijnlijke hervormingen’. Colijn zou het hier roerend mee eens zijn. Hij sprak immers ook van een aanpassingsproces van ‘langen duur’ zodat Nederland een ‘nieuwe, onbezorgder toekomst' tegemoet kon gaan.
    Kortom, de geschiedenis herhaalt zich. De stijl, maar niet de argumentatie is veranderd. Colijn leeft!

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jesse Frederik

    In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

    Volg Jesse Frederik
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren