Internationale vrijhandelsverdragen

Tegen vrije handel tussen burgers, landen en continenten valt weinig in te brengen. Grote internationale vrijhandelsverdragen als CETA, TTIP en TiSA worden daarom uitonderhandeld. Maar ís bijvoorbeeld de Transatlantic Trade & Investment Partnership (TTIP) wel zo'n 'no brainer' als de voorstanders beweren? Het handels- en investeringsverdrag dat de EU en de VS nu onderhandelen levert, zeggen ze, nieuwe banen op. En het zou het mkb een impuls geven.

Klopt dat? Met vrijhandel heeft TTIP vooralsnog weinig te maken. Achter de gesloten deuren waar de onderhandelingen plaatsvinden, zijn nu lobbygroepen bezig hun belangen veilig te stellen. Er bestaan dan ook grote zorgen dat TTIP niet de belangen van de EU-burgers dient, maar vooral die van grote ondernemingen aan deze en gene zijde van de Atlantische Oceaan.

Die zorgen zijn terecht. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de kwaliteit van ons voedsel? Ons energiebeleid? Gaat de belastingbetaler straks opdraaien voor claims van Amerikaanse multinationals als we chloorkippen en -eieren uit onze schappen weren? Of als we kerncentrales sluiten?

Internationale vrijhandelsverdragen als TTIP, CETA en TiSA zijn complexe ondoorzichtige dossiers met mogelijk grote gevolgen. We Follow The Money – ook in Brussel.

76 Artikelen

De Schimmige Wereld van Investeringsverdragen

Er is een wereldwijd netwerk van investeringsverdragen en schimmige internationale rechtspraak. Rechtszaken waar miljarden op het spel staan, worden in een hotelkamer uitgevochten door een select gezelschap advocaten. 'Als dit een persoonlijk contract was, zou niemand het ondertekenen.'

Als voormalig oncoloog was de Uruguayaanse president Tabare Vasquez goed op de hoogte van de tabaksepidemie die zijn land plaagde. Ruim 32 procent van de Uruguayanen rookte in 2005 nog dagelijks. Nergens anders in Zuid-Amerika werd er zoveel gerookt. ‘Zonder verstandig beleid op het gebied van tabak en chemicaliën zullen er in 2020 meer mensen doodgaan aan kanker in ontwikkelingslanden dan in het Westen,’ zei Vasquez in een interview met de New York Times. Tijdens zijn presidentschap begon Vasquez dan ook een agressieve campagne om het tabaksgebruik in zijn land terug te dringen: rookvrije ruimtes, accijnzen, enorme gezondheidswaarschuwingen op sigarettenpakjes; scherpe beperkingen aan advertenties; uniforme presentatie van merknamen. 3566981152_dcc5fe082cDe campagne werd een groot succes: bij rokers tussen de 15 en 24 jaar werd tussen 2006 en 2009 een terugval in tabaksconsumptie van 44 procent geregistreerd. Aanleiding voor de Wereld Gezondheidsorganisatie om in 2011 de presentatie van haar rapport over de tabaksepidemie in Uruguay te houden. ‘Grote waarschuwingen op verpakkingen, zoals gepionierd in Uruguay zijn een effectief instrument om de aantrekkingskracht van tabak te verminderen,’ zo prees Douglas Betcher, de directeur van de Wereld Gezondheidsorganisatie, het beleid van de Uruguayaanse regering. Toch dreigt Uruguay een enorme prijs te moeten betalen voor haar succes. In februari 2010 daagde Phillip Morris de Uruguayaanse staat voor een internationaal arbitragetribunaal. Uruguay heeft volgens de tabaksgigant inbreuk gemaakt op haar rechten als investeerder. Rechten die Phillip Morris ontleent aan een investeringsverdrag tussen Zwitserland en Uruguay, van waaruit Phillip Morris -- waarschijnlijk om belastingredenen -- investeert in Uruguay. Door de gezondheidswaarschuwingen claimt Phillip Morris dat ze niet meer in staat is haar merkrecht te gebruiken. En daardoor gaat de tabaksgigant inkomsten mislopen, reden om compensatie te eisen van maar liefst twee miljard dollar. Welkom in de wondere wereld van investeringsverdragen.

Wat zijn investeringsverdragen?

Een investeringsverdrag is een overeenkomst tussen twee of meerdere landen, bedoeld om investeerders rechtsbescherming te geven. Overheden, met name in de derde wereld, hebben de vervelende neiging buitenlandse investeerders te duperen door regelgeving, onteigening, belastingheffing en ander voor hen nadelig beleid. Een investeringsbescherming overeenkomst (IBO) moet investeerders de zekerheid bieden dat overheden zich niet zullen bezondigen aan zulk onwelgevallig beleid zonder hier een schadevergoeding voor te bieden. Voor kapitaalexporterende landen als Nederland zijn de voordelen van zo'n verdrag evident. Investeerders uit Nederland worden zo beter beschermd. Kapitaalimporterende landen -- de meeste ontwikkelingslanden -- denken door een verdrag af te sluiten aantrekkelijker te worden voor buitenlandse investeerders. ‘IBO’s zijn een middel om investeringen aan te trekken en de eigen economie te helpen,’ aldus Max van Leyenhorst, advocaat bij Legaltree en gespecialiseerd in internationale arbitragezaken.
'Investeringsverdragen zijn een revolutionaire ontwikkeling in het internationaal publiekrecht'
In de meeste IBO’s krijgen investeerders het recht om overheden voor een internationaal arbitragetribunaal te dagen bij overtreding van hun verdragsrechten als investeerder. ‘Een revolutionaire ontwikkeling in het internationaal recht,’ stelt Gus van Harten, professor in internationaal economisch recht aan de universiteit van York. ‘Voordat er investeringsverdragen waren, waarin arbitrage in specifieke tribunalen was vastgelegd, waren investeerders extreem kwetsbaar,’ stelt Hege Kjos, universitair docent internationaal publiekrecht aan de UvA. ‘Naar de nationale rechtbank gaan is niet altijd een optie. Want het is moeilijk om zeker te weten dat deze ook daadwerkelijk betrouwbaar en onafhankelijk is. Wel gold er diplomatieke bescherming, een staat kon een andere staat aanklagen als de rechten van een investeerder waren geschonden. Maar dit gebeurde niet, of amper.’ Het huidige stelsel is revolutionair, omdat investeerders zelf het recht hebben gekregen om overheden te dagen. De tribunalen waar investeerders en staten hun conflicten beslechten, zijn anders dan gewone rechtbanken. Bij een gewone rechtbank zijn er rechters, vaak benoemd voor een langere periode. Bij internationale arbitrage zijn er drie arbiters die per zaak aangesteld worden. De investeerder kiest één arbiter, de staat kiest één arbiter en beide arbiters kiezen gezamenlijk de laatste arbiter. Mochten deze twee er niet uitkomen, dan moet het arbitrageforum de laatste arbiter kiezen. Er zijn meerdere arbitragefora, maar de meeste arbitrageprocedures worden gevoerd bij het International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID), een onderdeel van de Wereldbank. Beslissingen van dit arbitragetribunaal zijn in principe niet aanvechtbaar, tenzij er bijvoorbeeld sprake was van corruptie of er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die niet bekend waren ten tijde van de uitspraak, in welk geval de toegewezen claim dan nietig verklaard kan worden. Sinds 2011 is 57 maal een ISCID besluit aangevochten en slechts eenmaal werd een schadevergoeding ongedaan gemaakt. Daarnaast staat het verdragsrecht boven het nationaal recht. Nationale rechtbanken hebben dan ook niks te zeggen over beslissingen van het arbitragetribunaal. Het vakblad Global Arbitration Review beschreef een zitting van het arbitragetribunaal eens als ‘twee kleine groepen advocaten in normale kleedij in een hotelkamer. Aan de andere kant van de kamer: drie mannen met hoogstwaarschijnlijk wat meer grijs haar, geen publiek, geen bode, en weinig pracht en praal.’ Toch heeft dit selecte gezelschap in de hotelkamer de macht om de verdeling van miljarden aan belastinggeld te bepalen. Om een indicatie te geven van hun machtspositie: in 2012 werd na een 2-1 beslissing van het ISCID tribunaal de grootste investeringsclaim ooit toegewezen. Ecuador moest maar liefst 1,77 miljard dollar (2,2 miljard dollar met rente) aan het Amerikaanse oliebedrijf Occidental Petroleum betalen, meer dan de helft van wat het land ieder jaar aan onderwijs uitgeeft.

De groei van het arbitragesysteem

Koloniën moesten zich in de negentiende eeuw schikken naar de nationale rechtspraak van hun moederlanden. Voor ongekoloniseerde ontwikkelingslanden gold een ander regime. Mocht er een conflict ontstaan tussen een investeerder en één van deze landen, dan was geweld meestal de oplossing. In een klassieker in de kanonneerbootdiplomatie stuurden het Britse Rijk, Duitsland en Italië in 1902 hun vloot naar Venezuela om haar havens te blokkeren in een poging om geld terug te halen voor investeerders. Na een hele rits revoluties, burgeroorlogen en staatsgrepen was in Venezuela de militair leider Cipriano Castro aan de macht gekomen. Hij had weinig behoefte om de beloftes die zijn voorgangers aan buitenlandse investeerders hadden gemaakt na te komen. Tot groot ongenoegen van de koloniale mogendheden. Nadat de Venezolaanse vloot in de pan werd gehakt en de havens drie maanden geblokkeerd waren, kwamen Venezuela en de belegerende landen tot een schikking: de claims zouden voorkomen in het internationaal arbitragetribunaal in Den Haag. Deze besliste uiteindelijk dat Venezuela haar verplichtingen aan de Britse, Duitse en Italiaanse investeerders netjes moest nakomen.
Sinds 1990 steeg het aantal investeringsverdragen van ongeveer 400 naar 2500
Gelukkig gaat de bescherming van investeerders in de tweede helft van de twintigste eeuw met minder drastische middelen gepaard. Vanaf de jaren ‘90 begonnen steeds meer landen zich vrijwillig te onderwerpen aan de jurisdictie van arbitragetribunalen. Het is niet exact bekend hoeveel investeringsverdragen er zijn, maar in de database van UNCTAD steeg het aantal bilaterale investeringsverdragen van zo’n 400 in 1990 naar ongeveer 2500 anno 2013. Met name Zuid-Amerikaanse en voormalige Sovjet-blok landen sloten onder invloed van de Latijns-Amerikaanse schuldencrises en de val van de muur massaal verdragen af in de jaren ‘90. Toch was het doel nauwelijks veranderd ten opzichte van hun negentiende eeuwse equivalent. Investeringsbeschermingsovereenkomsten werden afgesloten om met name westerse investeerders te beschermen, erkennen zelfs betrokkenen. ‘Investeringsbescherming overeenkomsten waren in het begin vooral een instrument van ideologie,’ vertelt Alvara Galindo, voormalig juridisch adviseur van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, in een lezing aan de London School of Economics. ‘In mijn tijd bij het ministerie van Buitenlandse Zaken hoorde ik van old-timers anekdotisch dat die onderhandelingen [tot 1994] meer het karakter hadden van “een intensieve training seminar in hoe te schikken naar het Amerikaans economisch model” en “niet van een onderhandeling tussen soevereine gelijken.”’.

De groei van een claimcultuur

De claims begonnen iets later. Hoewel de mogelijkheden er al langer waren, stapten multinationals tot eind jaren ‘90 zelden naar het arbitragetribunaal. Van 1972 tot 1996 speelden er bij het ICSID slechts 38 zaken. Pas toen ‘een paar creatieve ondernemende advocaten’ arbitrageclaims aanhangig begonnen te maken, kwam er bewustwording. ‘In West Europa beginnen grote advocatenkantoren zich eigenlijk pas in de afgelopen tien jaar te realiseren hoe effectief het arbitragemechanisme is,’ stelt Gus van Harten. Sindsdien is het aantal ICSID zaken exponentieel toegenomen: van 1996 tot 2012 zijn er al 381 ICSID zaken aangespannen. In 2012 werd een nieuwe mijlpaal bereikt met ruim 58 ingediende investeringsclaims. In het gros van de lopende ICSID zaken worden ontwikkelingslanden gedaagd, met name in Latijns-Amerika. Argentinië was in 2012 de absolute koploper met 54 lopende zaken. Veel van deze procedures zijn het gevolg van het beleid van Argentinië tijdens haar financiële crisis van 1998-2002. Om een einde te maken aan deze slepende crisis, die de werkloosheid tot meer dan 20 procent had laten oplopen, besloot het land in 2002 haar internationale verplichtingen te verzaken. De koppeling van de Argentijnse peso aan de dollar werd losgelaten en houders van Argentijnse staatsobligaties kregen slechts een fractie van hun inleg terug. Reden voor investeerders om compensatie te eisen. Tot nog toe met enig succes: al negen keer kreeg de investeerder gelijk (kosten: 1,07 miljard dollar) en in twaalf zaken is geschikt (kosten onbekend). Volgens UNCTAD is tot nog toe 42 procent van de zaken in het voordeel van de staat beslecht, 31 procent in het voordeel van de investeerder en 27 procent werd geschikt. Dikwijls komt het echter niet eens aan op een arbitragezaak: de dreiging van kostbare procedures is voldoende om landen tot conservatisme te dwingen. Toen Indonesië in 1999 een verbod op dagbouwmijnen in bossen uitvaardigde, dreigde een groep in Indonesië werkzame mijnbouwbedrijven tientallen miljarden dollars aan compensatie te claimen. Hoewel experts denken dat Indonesië de zaak waarschijnlijk had gewonnen, besloot de Indonesische overheid de milieuregulering te verwateren en een uitzondering te maken voor deze mijnbouwbedrijven. ‘Als we de mijnbouw stilleggen, eisen investeerders compensatie en Indonesië kan dat niet betalen,’ zei de Indonesische minister van milieu in een verklaring. ‘Investeringsverdragen worden steeds vaker gebruikt, met name in de afgelopen tien jaar,’ erkent Willem van Baren, partner bij Allen & Overy en president van het Nederlandse Arbitrage Instituut. ‘Dit komt omdat er meer bekendheid met de procedures is, het is helderder welke zaken succesvol kunnen zijn.’ En dat zijn er steeds meer. ‘Vroeger waren het voornamelijk simpele onteigeningszaken,’ vertelt Max Leyenhorst, advocaat bij Legaltree. ‘Tegenwoordig worden investeringen meestal door subtielere handelingen van de staat afgepakt. Bovendien doen nationale overheden steeds vaker een beroep op het publieke belang om bepaalde maatregelen of wetgeving door te voeren.’ In recente jaren zijn bijvoorbeeld claims ingediend tegen het uitfaseren van nucleaire energie (Vattenfall vs. Duitsland); tegen tabaksregulering (Phillip Morris vs. Australië; Phillip Morris vs. Uruguay); tegen het korten van staatsobligatiehouders (Argentinië) en tegen het nationaliseren van financiële instellingen (Ping An vs. België). Dat zulke maatregelen, zogenaamd in het publieke belang, onderwerp van claims worden, vindt van Leyenhorst terecht: ‘Een staat mag zijn eigen beleid uitvoeren; dat is het punt niet. Maar als het nieuwe beleid niet valt te rijmen met de toezeggingen van de staat aan de investeerder, dan moet de staat hiervoor instaan en de eventuele schade vergoeden. Als een staat iets toezegt, dan moet dit ook nagekomen worden. Wil een staat dit soort claims niet, dan moet je dat in het BIT opnemen.’ ‘Decennialang zijn dit soort verdragen heel routinematig afgesloten. Maar mensen worden pas wakker op het moment dat er een claim komt.’ aldus Roeline Knotterus, die namens Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) onderzoek deed naar investeringsverdragen. Ook uit onderzoek blijkt dat veel overheden zich nauwelijks bewust waren van de verplichtingen die ze aangingen toen ze de IBO tekenden. Lauge Poulsen en Emma Aisbett van de London School of Economics laten zien dat zo gauw de eerste investeringsclaim komt, het aantal ondertekende investeringsverdragen dramatisch afneemt. Uit interviews met dertig overheidsfunctionarissen in ontwikkelingslanden bleek bovendien dat de meerderheid zich niet besefte dat er grote financiële risico’s aan de IBO’s kleefden. Toen Pakistan in 2001 werd geconfronteerd met haar eerste investeringsclaim moest de Pakistaanse procureur-generaal, een expert op het gebied van internationaal recht, zelfs googlen op ‘bilateral investment treaty’ en ‘ICSID’, voor hij precies wist waar het over ging. Sindsdien heeft Pakistan nog maar vijf investeringsverdragen afgesloten, uitsluitend met andere ontwikkelingslanden.

bit_simple_cartoon_website

Maar zelfs ontwikkelde landen als de Verenigde Staten en Australië stonden versteld toen ze zelf aangeklaagd werden. De Verenigde Staten voegde in het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord (NAFTA) tussen Mexico, de VS en Canada, bijvoorbeeld een investeringshoofdstuk toe waarin ook de mogelijkheid naar een arbitragetribunaal te stappen was opgenomen. ‘Het idee was, om het maar grof te stellen, investeerders te beschermen tegen de warboel van het Mexicaanse rechtsysteem,’ aldus Alvaro Galindo, juridisch adviseur van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken. ‘Niemand verwachtte of bereidde zich voor op claims tegen de Verenigde Staten.’ Sindsdien is de VS ook voorzichtiger geworden in het afsluiten van haar IBO’s volgens Galindo.

De macht van de arbiter

Eén van de redenen voor dit onvermogen om de financiële consequenties te overzien, is dat de teksten in investeringsverdragen vaak onduidelijk zijn. Alleen al de vraag wie een investeerder is en wat een investering is, is dikwijls onbepaald. ‘Veel investeringsverdragen definiëren investering zo vaag dat maatregelen al snel een investering kunnen raken,’ aldus Hege Kjos. De concrete inhoud van het verdrag -- wanneer kan een investeerder compensatie eisen? -- wordt daarom voor een groot deel ingevuld door de arbiters. In Phillip Morris vs. Uruguay beslisten de drie arbiters in juli van dit jaar bijvoorbeeld dat het tribunaal het recht heeft zich uit te spreken over de compensatieclaim. In juridisch jargon: het arbitragetribunaal heeft jurisdictie. Op het eerste gezicht vreemd, want in de IBO van Uruguay met Zwitserland staat dat ‘de contracterende partijen elkaars recht erkennen om economische activiteiten niet toe te staan om redenen van volksgezondheid’. Het arbitragetribunaal interpreteerde dit echter alleen als een recht om investeringen bij aanvang te verbieden, niet om activiteiten te reguleren als de investeringen al zijn gemaakt. Zulke ‘expansieve’ interpretaties van verdragsteksten zijn geen uitzondering, volgens Gus van Harten. ‘Arbiters hebben sterk de neiging om hun jurisdictie uit te breiden,’ stelt hij. ‘Zelfs als er een duidelijke verdragstekst ligt, vinden arbiters een creatieve manier om deze te interpreteren.’ Van Harten onderzocht 263 ICSID zaken op het aantal ‘expansieve’ en ‘restrictieve’ beslissingen van arbiters. Opmerkelijk genoeg was een kleine groep van twaalf arbiters aanwezig in ruim 60 procent van alle door hem onderzochte ISCID zaken. Met uitzondering van Francisco Orrego Vicuña, in een vorig leven werkzaam als ambassadeur voor Chili (1983-1985) tijdens de dictatuur van Pinochet, kwamen al deze arbiters uit westerse landen. Er is ook één Nederlander aanwezig in deze eliteclub: Albert Jan van den Berg. Van den Berg is tevens professor aan de universiteit van Rotterdam en was voorzitter van het Nederlandse Arbitrage Instituut. Hij weigerde een vraaggesprek voor dit artikel, omdat hij naar eigen zeggen ‘niet in staat was’ zich publiekelijk over investeringsverdragen uit te laten.
Arbiters hebben economisch gezien baat bij grotere jurisdictie
Deze elite-arbiters bleken veel vaker beslissingen te nemen die jurisdictie uitbreiden dan minder vaak gevraagde arbiters. Op economische gronden logisch, stelt van Harten. ‘Arbiters zijn voor aanstellingen afhankelijk van investeerders -- de enigen die zaken kunnen aanspannen -- en van hun collega-arbiters. Beide partijen hebben economisch gezien baat bij grotere jurisdictie.’ De wereld van internationale arbitrage is dan ook klein. Veel van de advocaten en arbiters kennen elkaar. Sterker nog, dikwijls spelen advocaten een dubbelrol, soms treden ze op als arbiter, soms als advocaat. Stanimir Alexandrov, van het gespecialiseerde advocatenkantoor Sidley Austin LLP, pleit in de arbitragezaak tegen Urugay bijvoorbeeld voor Philip Morris. Eerder trad hij echter op als arbiter in de zaak van Fraport vs. Fillipijnen, ook aanwezig in dat arbitragepanel was de voorzittende arbiter in de Phillip Morris zaak, Piero Bernardini.

Jackpot voor de advocatuur

Niet alleen voor claimende multinationals, ook voor advocaten en arbiters is het arbitragesysteem een goudmijn. Investeringsarbitrage is de snelst groeiende tak van internationaal recht. De beste advocatenkantoren rekenen meestal zo’n 1000 dollar per uur, waardoor de kosten van een arbitragezaak al snel in de miljoenen lopen. Uit onderzoek van het Transnational Institute bleek dat de gemiddelde arbitragezaak ongeveer 8 miljoen dollar aan juridische kosten met zich meebrengt. In de voorgenoemde zaak van Fraport tegen de Fillipijnen heeft de verdedigende overheid ruim 58 miljoen dollar aan advocaten en arbitrage uit moeten geven. Sommige advocatenkantoren beginnen ook op een no-cure-no-pay basis te werken. Als de claim wordt toegewezen, krijgen ze een percentage van de opbrengst. Dat kan behoorlijk oplopen, volgens een artikel in een vakblad pakte advocatenkantoor King & Spalding bijvoorbeeld 80 procent op een toegewezen claim van 133 miljoen dollar. Nog exotischer: er zijn inmiddels gespecialiseerde investeringsfondsen werkzaam die claims opkopen. ‘Internationale arbitrage is een hele nieuwe tak van sport, een onbeschreven blad. Het is dus een kans om creatief te zijn,’ aldus Selvyn Seidel van claimfinancier Fulbrook Management in een rondetafel gesprek over investeringsverdragen. Ook Nederland is in deze markt vertegenwoordigd. Het Nederlandse Omni Bridgeway was al 25 jaar actief in de markt voor claimfinanciering, maar ziet inmiddels grote kansen in de wereld van investeringsclaims. Volgens haar website claimt Omni Bridgeway bij succes tussen de 10 en 50 procent van de claimopbrengst. Tenminste 50 procent van hun klanten zijn volgens directeur Walter Remmerswaal Fortune 500 bedrijven. De Nederlandse advocatuur heeft echter nog weinig in de melk te brokkelen. ‘Het is een internationale markt. Het merendeel van de arbitragezaken waar een Nederlandse vennootschap bij is betrokken, wordt gevoerd door grote Angelsaksische kantoren of boetiekfirms,’ aldus advocaat Willem van Baren. ‘Dus ik denk niet dat de vaderlandse advocatuur hier erg blij van hoeft te worden.’

De evolutie van het arbitragesysteem

De scepsis over het arbitragesysteem onder ontwikkelingslanden neemt steeds verder toe. Grote ontwikkelingslanden als Brazilië, dat nooit IBO’s heeft geratificeerd, dienen steeds vaker als gidsland. ‘Toen ik het roer overnam als verdragsonderhandelaar in 2001 was ik nogal geschokt toen ik een investeringsverdrag las,’ aldus Randall Williams, directeur handelsbeleid en -onderhandelingen in Zuid-Afrika. ‘Als dit een persoonlijk contract was, zou niemand het ondertekenen. Waarom zou een staat dat dan wel doen?’ Onlangs besloot Zuid-Afrika het gros van haar investeringsverdragen met EU-landen op te zeggen.
'Als dit een persoonlijk contract was, zou niemand het ondertekenen'
Andere landen kiezen ervoor om in hun contracten vooraf afspraken te maken over internationale arbitrage. Zo werd onlangs bekend dat Colombia potentiële investeerders van een weg- en infrastructuurproject van 26 miljard dollar heeft gevraagd af te zien van de mogelijkheid om eventuele geschillen voor een internationaal arbitragetribunaal te brengen. Mocht er wel een conflict ontstaan, dan zal het conflict bij een nationaal arbitragehof in Colombia beslecht moeten worden. Wat is een alternatief voor het huidige systeem van internationale arbitrage? ‘Er moet een onafhankelijk, publiek toegankelijk en procedureel eerlijk proces komen, kortom een gerechtelijk proces,’ vindt Gus van Harten. Van Harten pleit voor een onafhankelijke wereldinvesteringsrechtbank, net zoals er een internationaal strafhof is. Rechters kunnen dan benoemd worden en de belangenverstrengeling van arbiters kan worden vermeden. ‘Bovendien moeten investeerders niet alleen rechten, maar ook plichten krijgen. Als investeerders een krachtig instrument als arbitrage in handen krijgen dan moeten overheden dezelfde mogelijkheid hebben om investeerders te dagen als ze zich niet gedragen en binnenlandse oplossingen niet mogelijk zijn.’ Ecuador is bijvoorbeeld al tijden in een conflict met Chevron verwikkelt over de betaling van 9,5 miljard dollar aan compensatie. Chevron heeft het Amazone regenwoud enorme schade aangedaan door decennialang op onverantwoorde wijze van olie te winnen zo oordeelde de Ecuadoraanse rechter. Aangezien Chevron geen bezittingen in Ecuador heeft is het echter moeilijk om de toegewezen compensatie te innen. Chevron bestrijdt intussen in meerdere rechtsfora de procesgang en voert een juridische loopgravenoorlog om de compensatie niet te betalen. Een onafhankelijke internationale rechter zou hier uitkomst kunnen bieden. Voor nu is de toekomst echter nog aan het huidige systeem. En vrijwel iedereen verwacht dat dit op de korte termijn zal blijven groeien. ‘De groei van BIT-zaken is exponentieel en dit zal nog sterker toenemen,’ zegt advocaat Max van Leyenhorst. ‘Veel bedrijven weten nog niet van het bestaan van BITs af, maar steeds meer realiseren zich dat het heel belangrijk is om goed te kijken of een buitenlandse investering wel beschermd is.’ ‘Maar,’ waarschuwt Gus van Harten. ‘Zelfs een nauwkeurige volger kan moeilijk voorspellen wat de toekomst is van het arbitragesysteem.’ * * * Binnenkort deel twee in de reeks over investeringsverdragen over Nederland als claimparadijs.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Jesse Frederik

In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Over de auteur

Jessica de Vlieger

Er zijn maar weinig meisjes die een voorliefde voor prosecco en jurkjes weten te combineren met een passie voor rekenkundige...

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Internationale vrijhandelsverdragen

Gevolgd door 540 leden

Tegen vrije handel tussen burgers, landen en continenten valt weinig in te brengen. Grote internationale vrijhandelsverdragen...

Volg dossier