Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

70 artikelen

Beeld © Itziar Barrios

Een kind uit huis halen is een uiterste redmiddel. Eerst moet alles gedaan zijn om te voorkomen dat kind en ouder van elkaar worden gescheiden. In de spraakmakendste uithuisplaatsing van het afgelopen jaar zoekt Follow the Money antwoord op de vraag of dit middel niet erger was dan de kwaal.

Dit stuk in 1 minuut

Ruim vijfenhalf jaar geleden werd Mariëlles zoon uit huis geplaatst. Ze vermoedde op basis van het dossier van een ander kind. Toen Ferd Grapperhaus, de voormalige minister van Justitie, daar lucht van kreeg beloofde hij de zaak tot op de bodem te laten onderzoeken. 

Nauwelijks twee weken later meldde zijn collega Sander Dekker (rechtsbescherming) dat uit gesprekken met de jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming bleek dat van persoonsverwisseling geen sprake is geweest. Daarmee was voor de minister de kous af. Andere vragen over de uithuisplaatsing van de jongen bleven onbeantwoord.

  • Hoe is deze kwestie onderzocht?

Follow the Money kreeg via moeder Mariëlle toegang tot het dossier, dat onder meer bestaat uit rechterlijke beschikkingen, rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en een universitair medisch centrum. Daarnaast bevat het dossier ook correspondentie tussen betrokkenen plus verslagen en evaluaties van hulpverleners. 

Follow the Money benaderde alle betrokkenen voor een reactie op de ontwikkelingen en gebeurtenissen die de jeugdbescherming als feiten presenteert. 

De kinderrechter die de machtiging gaf voor de uithuisplaatsing reageerde niet. De jeugdbescherming en de drie zogeheten gecertificeerde jeugdbeschermingsinstellingen waarmee de jongen te maken kreeg, weigerden mee te werken. Ze achten deze publicatie niet in het belang van het kind. De gecertificeerde instelling die op dit moment de voogdij heeft, zegt voor publicatie ‘geen toestemming’ te geven.

Alle andere betrokkenen gaven hun visie op de gebeurtenissen voor, tijdens en na de uithuisplaatsing. Of ze reageerden op een concept van deze reconstructie. Hun versies op één lijn krijgen, bleek onmogelijk. 

Om te voorkomen dat dit artikel herleidbaar is, noemen we niet de echte namen van de jongen, de moeder en andere betrokkenen. Leeftijden, locaties en datums blijven om dezelfde reden onvermeld.

  • Waarom vindt Follow the Money dit artikel wel relevant?

Het proces rond uithuisplaatsingen ligt onder een vergrootglas nu bekend is dat 1115 kinderen van gedupeerden in de toeslagenaffaire bij hun ouders zijn weggehaald. Dit jaar onderzoekt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) waarom dat precies gebeurde. Ook familie- en jeugdrechters reflecteren in 2022 op hun rol in uithuisplaatsingen.

De kinderrechter kan tot een gedwongen uithuisplaatsing besluiten als er indicaties zijn van een crisissituatie waarin een kind niet veilig is. Voorafgaand moet hij een ondertoezichtstelling uitspreken en een machtiging geven.

Het aantal ‘gewone’ uithuisplaatsingen is al jaren stabiel. Maar het aantal kinderen dat ‘met spoed’ wordt weggehaald neemt al jaren toe. Spoed is in dit soort gevallen geen loze term. Er zat minder dan een uur tussen het moment waarop de moeder in ons artikel hoorde dat haar zoon elders zou worden ondergebracht en zijn feitelijke aftocht.

Lees verder

Nog geen vijftig minuten, becijfert Mariëlle. Zo lang duurde de ‘spoeduithuisplaatsing’ van haar zoon Bram. Op een vrijdagmiddag haalde ze hem op van school. Een krap uur later was ze hem kwijt. Sindsdien vecht ze voor zijn thuiskomst.

Een uithuisplaatsing is een ‘uiterst redmiddel’ in de kinderbescherming, alleen toe te passen als eerst alles geprobeerd is om kind en ouders bij elkaar te houden. Is dat gebeurd in deze zaak? Was Bram werkelijk in acuut en ernstig gevaar?

Zulke vragen worden niet alleen gesteld in het geval van Bram en Mariëlle. Het proces rond uithuisplaatsingen ligt onder een vergrootglas sinds bekend werd dat in de toeslagenaffaire 1115 kinderen zijn weggehaald bij hun gedupeerde ouders. 

De sector jeugdbescherming kent te weinig tegenspraak, professionals nemen te vaak klakkeloos elkaars oordeel over en de rechtsbescherming van ouders en kinderen is beroerd, is over het algemeen de kritiek. Steevast luidt het antwoord vanuit de sector: daar wordt aan gewerkt

In de toeslagenaffaire zijn 1115 kinderen bij hun ouders weggehaald

Over het metersdikke dossier van Bram en Mariëlle bestaan evenveel meningen als er betrokkenen zijn. Dat zijn er nogal wat, en dat maakt het bijzonder lastig om te reconstrueren wat er werkelijk is gebeurd. De betrokken zogeheten ‘gecertificeerde instellingen’ en jeugdbeschermers werken niet mee aan ons onderzoek. 

De instelling die op dit moment de voogdij heeft over Bram heeft, acht publiciteit schadelijk voor de jongen. Hij krijgt nu hulp, geniet onderwijs, woont al jaren in hetzelfde pleeggezin en zal daar ook blijven tot hij 18 jaar oud is. Gun hem zijn rust.

Mariëlle is het ouderlijk gezag inmiddels kwijt. Ze hoopt dat weer terug te krijgen van de kinderrechter: volgende week dient haar hoger beroep. ‘Het liefst heb ik dat hij vanavond weer in zijn eigen bed slaapt.’ De knak in Brams ontwikkeling is veroorzaakt door ‘de instanties’, vindt zij, niet door haarzelf. 

Daar denkt de school van de jongen anders over. De uithuisplaatsing zelf mocht binnen hooguit vijftig minuten een feit zijn, de aanloop ernaartoe duurde jaren. 

Bram zat op drie basisscholen en op elke school was er ruzie en gedoe. ‘Dat duidt op een patroon,’ zegt de directeur van school nummer twee, waar Bram het langst op zat. ‘Leerkrachten en intern begeleiders signaleerden problemen met Brams gedrag en ontwikkeling. Externe hulp inschakelen was niet mogelijk, want dat wilde moeder niet. Op den duur praatten we zelfs niet meer met elkaar. Dan houdt het op.’ 

De oplossing voor deze patstelling: een uithuisplaatsing. De grote vraag is of die ingreep ellende heeft voorkomen, of juist meer schade heeft berokkend.

School versus moeder

Omdat Bram met dertig weken te vroeg ter wereld kwam, staat hij vanaf zijn geboorte onder controle van een kinderarts. In zijn kleutertijd ziet hij een logopedist en een fysiotherapeut.

Vanaf Brams start in de kleuterklas ontstaan er botsingen tussen de school en Mariëlle. Volgens Mariëlle is haar zoon het mikpunt van pesterijen. Volgens school was het ‘actie reactie’, en was Bram lang niet altijd het slachtoffer. Mariëlle vindt dat school niet adequaat ingrijpt op het pesten. School vindt dat Mariëlle niet luistert als de leerkrachten uitleggen dat Brams gedrag in de klas zorgelijk is. 

In februari schakelt Mariëlle hulp in. Ze vraagt de kinderarts haar zoon te verwijzen naar een kinderpsycholoog, omdat ze van hem heeft begrepen dat hij met iemand wil praten. De psycholoog ziet Bram voor een intakegesprek en neemt een IQ-test af. 

Als Bram in het vroege voorjaar thuiskomt met het verhaal dat een klasgenoot hem telkens de wc in volgt en hem dwingt om zijn piemel te laten zien, stapt Mariëlle opnieuw naar de schoolleiding. School moet een veilige plek zijn, is haar overtuiging, en seksueel grensoverschrijdend gedrag als dit kan gewoon niet. 

‘Dit was geen seksueel grensoverschrijdend gedrag,’ zegt de schooldirecteur, ‘eerder normale nieuwsgierigheid van kinderen naar hun eigen lijf en dat van anderen.’ De school neemt wel maatregelen. De leiding spreekt met de ouders van het andere kind, gaat na of meer leerlingen dergelijke ervaringen hebben, en ziet erop toe dat de jongetjes niet meer samen naar het toilet gaan. 

De grote vraag is of de uithuisplaatsing ellende heeft voorkomen of juist schade heeft berokkend

Mariëlle wordt hier niet bij betrokken, maar is er ook niet van onder de indruk. Ze schakelt het sociaal wijkteam in: mag ze haar zoon thuishouden tot de situatie op school veilig is? Het wijkteam haalt de leerplichtambtenaar erbij. Mariëlle belt met de zedenpolitie. Wat kan ze doen? Niets, antwoordt die: omdat Bram onder de 12 jaar is, moet school dit oplossen.

Intussen komen de resultaten van de IQ-test binnen. Die zijn niet best. Mariëlle snapt er niets van, want het meest recente rapport van haar zoon vertoont ‘voldoende’ bij praktisch elk vak. Dat ligt in lijn met de bevindingen van de kindercoach een jaar eerder: zij nam Bram in groep 2 een test af waaruit blijkt dat hij de stof beheerst die het Cito voorschrijft. 

De schooldirecteur over de ‘voldoendes’ op Brams rapport: ‘We schrijven een rapport toe naar de leerling, met een positieve focus. Het zegt wel wat over hoe het in de klas gaat, maar niet alles.’ 

Had de school dat wél gedaan, dan had er gestaan dat Bram zich niet kon concentreren op zijn schoolwerk, dat hij moeite had om een pen te hanteren, dat hij kon exploderen als iets niet lukte en dat andere kinderen bang voor hem waren. Daarom is hulp van buiten nodig, vindt school. Want het kan wel zo zijn dat Mariëlle allerlei professionals inschakelt, maar dat zegt niet zoveel over de hulp die de school nodig vindt. 

Onder meer omdat Brams fysiotherapeut hem in het schooljaar ervoor al in de klas heeft geobserveerd, gaat Mariëlle niet akkoord met nog een onderzoek of een hulpverlener van een andere school. De huidige ondersteuning moet afdoende zijn. 

Groot overleg

Uiteindelijk verzuren de verhoudingen dusdanig dat school en moeder niet meer met elkaar praten. Daarmee komt school ook aan het einde van haar mogelijkheden. Breder overleg is nodig, want wat moet er anders gebeuren om de situatie op te lossen?

Vroeg in de avond, tijdens een zogenoemd ‘groot overleg’ op het gemeentehuis, zullen Mariëlle, vertegenwoordigers van school, de leerplichtambtenaar, de kinderpsycholoog, mensen van het sociaal wijkteam, het regionale samenwerkingsverband van scholen en de wijkagent bespreken hoe het verder moet. Wat is het beste voor Bram? 

Mariëlle wil dat haar advocaat ook aansluit. Omdat die verhinderd is, probeert ze de afspraak te verzetten. Tevergeefs: zoveel agenda’s nog een keer op een lijn krijgen, is niet te doen. En dus bespreken de deelnemers aan het overleg de situatie zonder Mariëlle. Ze zijn het snel eens: school kan zo niet verder, Mariëlle heeft haar emoties niet onder controle en belast haar zoon met ‘volwassen zaken’, staat in het verslag. 

De verzamelde professionals constateren dat Mariëlle in het bijzijn van haar zoon met de zedenpolitie heeft gebeld over het piemel-incident in de school-wc, wat Mariëlle stellig ontkent. Later zal de jeugdbescherming er dit over melden: ‘Zij spreekt hier in het bijzijn van Bram veelvuldig over.’ Nog eens twee maanden daarna meldt de Raad voor de Kinderbescherming: ‘De reactie van moeder wordt door de Raad niet in verhouding geacht tot de ernst van het incident.’ 

De deelnemers aan het groot overleg zijn het erover eens: Bram kan niet meer terug naar deze school. In een time-out van twaalf weken moet hij naar een andere basisschool. Voor moeder is met spoed hulp gewenst. 

Die avond rond half negen, direct na het groot overleg, staan de wijkagent, de psycholoog en een medewerker van het sociaal wijkteam voor Mariëlles deur om de uitkomst mee te delen. Ze brengt dan net Bram naar bed. ‘Het komt nu niet uit,’ zegt ze. ‘Kan het ook morgen?’ Maar de drie dringen aan, en Mariëlle voelt zich gedwongen ze binnen te laten.

Als ze hoort wat haar zoon te wachten staat, wordt ze boos. School ontloopt eenvoudig haar verantwoordelijkheid door Bram weg te sturen. Dat ze mee mag denken over een nieuwe school vindt ze maar schraal. ‘Vertellen jullie hem dan maar dat hij van school moet,’ bijt ze de boodschappers toe. 

Later dient Mariëlle een klacht in bij de onderwijsgeschillencommissie. Drie maanden daarna oordeelt die commissie dat school het dossier van Bram niet op orde had. Daardoor ontbreekt ieder inzicht in hoe het jongetje is begeleid. Ook kan school niet onderbouwen waarom Bram verwijderd is. 

Incidenten op het schoolplein

De dag na het onverwachte huisbezoek belt Mariëlle met de school waar Bram zijn time-out moet doorbrengen. Maar die weet van niks en plek voor hem is er ook niet. Bram zit een week thuis, tot hij op woensdag kennis gaat maken op een basisschool voor kinderen met gedrags- en leerproblemen, zo’n twintig minuten met de auto van huis. Niet bepaald een passende plek, vindt Mariëlle, al drukt ze zich daar tegenover het regionale samenwerkingsverband van scholen minder diplomatiek over uit: haar zoon hoort met zijn resultaten niet thuis op een ‘idiotenschool’. 

Op de terugweg kopen ze roze koeken bij de supermarkt, zodat Bram op zijn eerste dag iets uit te delen heeft. Van de directeur van het samenwerkingsverband hoort ze dat de vereiste ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor twaalf weken speciaal onderwijs morgen klaarligt op de nieuwe school. 

In het dossier ontbreekt inzicht in hoe het jongetje is begeleid – de school kan ook niet onderbouwen waarom is Bram verwijderd

Als Mariëlle op donderdagmiddag haar zoon weer ophaalt, ligt het papiertje niet bij de conciërge en ook niet bij de juf. Ze raakt geïrriteerd en zegt: ‘Ik ben het spuugzat.’ Omdat Bram een half uur na schooltijd op tennisles moet zijn, vraagt ze aan de juf of het goed is dat hij zich vast omkleedt op het toilet.

Terwijl Mariëlle voor de wc-deur wacht, vraagt een haar onbekende onderwijzer wat ze daar doet. Mariëlle legt uit wie ze is en dat haar zoon zich binnen aan het omkleden is. De vrouw wil het wc-hokje in om Bram een appel te geven. ‘Wacht nou effe tot hij klaar is,’ vraagt Mariëlle. De juf loopt toch naar binnen – ‘Ik ken Bram en Bram wil een appel,’ zou ze gezegd hebben – en drukt het verbouwereerde jongetje een stuk fruit in zijn handen. Dat is de lezing van Mariëlle. 

Nog diezelfde dag doet school een melding bij Veilig Thuis, het officiële meldpunt voor kindermishandeling. Later zal de Raad voor de Kinderbescherming het volgende opschrijven: ‘Ook op de nieuwe school vinden incidenten plaats op het schoolplein. Die zijn thans zodanig dat moeder zich dreigend uitlaat. Zij roept dat haar leven over is, dat de bom zal barsten en dat iedereen het wel zal merken. Moeder praat hierbij onsamenhangend en kan niet tot rede gebracht worden.

Politie op het schoolplein

Follow the Money deed navraag naar de genoemde incidenten op de twee scholen. In een eerste beschikking, afgegeven op de dag van de uithuisplaatsing, schrijft de Raad voor de Kinderbescherming: ‘Aan incidenten op school moest de politie te pas komen.’ Op de school voor speciaal basisonderwijs herhaalt dit zich, schrijft de Raad. 

Van die laatste school zegt de toenmalige schooldirecteur zich niets te kunnen herinneren van de uithuisplaatsing van Bram. ‘Hooguit heel vaag. Spijtig, maar het is helaas zo. Op een school spelen veel dingen.’ 

De school die Bram wegstuurde voor een time-out van twaalf weken deed nooit aangifte, kan geen proces-verbalen overleggen en ontzegde Mariëlle nooit de toegang tot het schoolplein. ‘Allicht niet,’ zegt de schooldirecteur hierover. ‘We hebben altijd gehandeld vanuit de gedachte dat we samen verder moesten. Aangifte doen past daar niet bij.’ 

De schooldirecteur herinnert zich dat de wijkagent de dag na het ‘groot overleg’ bij de schoolpoort stond, om te kijken of Mariëlle haar kind niet toch naar school zou brengen. Dat deed ze niet. 

Dat de onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdbescherming zoiets dan toch opschrijven, steekt Mariëlle. ‘Ik moet voor alles bewijs aandragen maar zij mogen over mij zonder bewijs van alles beweren.’

Lees verder Inklappen

De jeugdbescherming neemt de melding van Brams nieuwe school uiterst serieus. Meteen de dag erna, op vrijdag trommelt ze iedereen op: school, het samenwerkingsverband, de wijkagent en de psycholoog. De inzet: vrijwillige uithuisplaatsing. 

School uit, zoon weg

Die vrijdagochtend belt de hulpverlener die Mariëlle kreeg toegewezen na het avondlijke groot overleg. De woensdag daarvoor hebben de twee kennisgemaakt. ‘Ik wil nu langskomen,’ zegt de hulpverlener. Maar omdat Mariëlle zich haast voor een afspraak met haar advocaat, met wie ze de beslissing van school wil doorspreken, slaat ze het bezoek af. Ook omdat ze na het gesprek met de advocaat de auto in moet om Bram van school te halen. 

‘Het lukt me nu niet,’ zegt Mariëlle. ‘Misschien kunnen we beter maandag afspreken.’ ‘Dan weet ik genoeg,’ zegt de hulpverlener en hangt op.

Die middag arriveert Mariëlle om half drie op school. Geen Bram. Ze vraagt de juf waar haar zoon is. ‘Daar geef ik geen antwoord op,’ zegt de juf. ‘De directeur komt er zo aan.’ 

‘Loop even mee,’ zegt de schooldirecteur tegen Mariëlle. ‘Waar is Bram?’ vraagt ze. ‘Loop nou maar mee,’ antwoordt de directeur. 

Ze neemt haar mee naar een kamer, waar vijf mensen rond een vergadertafel haar opwachten. Mariëlle kent er één persoon. Twee personen stellen zich voor: ze zijn van de jeugdbescherming. ‘We komen meteen ter zake,’ zegt een van hen. ‘We hebben een melding gekregen dat het niet goed gaat met Bram. Ben je bereid Bram vrijwillig uit huis te laten plaatsen?’ 

Ze vraagt de juf waar haar zoon is – ‘daar geef ik geen antwoord op,’ zegt de juf

Mariëlle, totaal overdonderd, vraagt of ze haar advocaat mag spreken. Dat mag. Ze stapt naar buiten om op de gang te bellen. ‘Dit kan helemaal niet,’ zegt haar advocaat. 

In de vergaderkamer belt een van de jeugdbeschermers intussen met de kinderrechter. Binnen enkele minuten beslissen ze er een gedwongen uithuisplaatsing van te maken. ‘Waarom dat gebeurde, kan ik niet verklaren,’ zegt de directeur van het regionale samenwerkingsverband van scholen daar achteraf over. ‘Ik was erbij, ik hoorde het. Ik heb er een weekend niet van geslapen.’

Mariëlle loopt de kamer weer binnen. ‘We gaan Bram halen,’ zegt de jeugdbeschermer. ‘Dan kun je afscheid van hem nemen.’ 

Zodra Bram binnenkomt, klampt hij zich aan zijn moeder vast. ‘Je gaat logeren,’ brengt Mariëlle bij wijze van afscheid uit. ‘We zien elkaar snel weer.’ Bram laat zijn moeder niet los. Hij moet uit de armen van zijn moeder worden gewurmd. Het jongetje vertrekt, huilend tussen de twee jeugdbeschermers.

Op school arriveren dan twee medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming. Ze leggen Mariëlle uit dat ze binnen twee weken een zitting mag verwachten. Tot die tijd verblijft Bram op een locatie waarvan ze het adres niet met haar delen.

Totaal van streek verlaat Mariëlle het schoolgebouw. Ze stapt in haar auto en rijdt huilend terug naar haar huis. Hoe ze heelhuids thuis is gekomen? ‘Het is allemaal een waas, ook de weken erna.’ 

De directeur van het samenwerkingsverband spreekt er achteraf schande van. ‘Ik dacht: die rijdt zo het water in. Echt schandalig dat er niets van nazorg was geregeld.’

Het verkeerde jongetje?

Kort na de uithuisplaatsing stopt de jeugdbescherming de behandelrelatie met de kinderpsycholoog die Brams IQ-test afnam. Mariëlle vraagt het dossier op en ontdekt dat het informatie bevat over een ander kind. 

Het intakeformulier van tien pagina’s beschrijft de thuissituatie, opvoeding, medische en psychische problemen in de familie van een andere jongen. Zodra Mariëlle dit meldt, herstelt de kinderpsycholoog haar fout. 

Omdat Mariëlle vermoedt dat de gegevens over een ander kind een rol hebben gespeeld bij de uithuisplaatsing van Bram, dient ze een tuchtklacht in bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. 

Het Tuchtcollege noemt haar gedachtegang ‘vergezocht’: ‘Nergens blijkt dat enig intakeformulier – zo dat al van enig belang zou zijn voor zo’n vergaande beslissing – aan de rechter of aan een andere instantie ter kennis zou zijn gekomen. [...] Er is wel verkeerde informatie in Bram dossier terecht gekomen, maar dat heeft geen invloed gehad op de uithuisplaatsing.’ Voor het verwisselde intakeformulier wordt de psycholoog berispt. 

In een klachtenprocedure tegen de pleegzorgorganisatie komt de persoonsverwisseling opnieuw aan de orde. De regionale klachtencommissie schrijft: ‘Onweersproken is dat tijdens het groot overleg sprake is geweest van een persoonsverwisseling, waardoor een aanwezige kinderpsycholoog het beeld van een andere Bram en een andere ouder heeft geschetst. Doordat klaagster [Mariëlle, red.] niet aanwezig was is dit niet terstond rechtgezet, terwijl er beslissingen zijn genomen op basis van (onder andere) deze informatie.’ 

Ten tijde van het groot overleg waarover de klachtencommissie spreekt, is nog helemaal geen sprake van een uithuisplaatsing. De deelnemers aan dat overleg beslisten dat de jongen twaalf weken naar een andere school zou gaan en dat Mariëlle met spoed hulp moest krijgen. 

De regionale klachtencommissie spreekt niet met de kinderpsycholoog van Bram en beschikt niet over de eerdere uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. 

De kinderpsycholoog ontkent tegenover Follow the Money met klem in het groot overleg de verkeerde Bram te hebben besproken. Twee andere aanwezigen, degenen die Mariëlle al kende, bevestigen dat het tijdens dat overleg onmogelijk over een andere Bram is gegaan. ‘Absoluut niet. Als we informatie over een andere jongen hadden gehoord, hadden we dat ter plekke gecorrigeerd. Maar dat is gewoon niet gebeurd. Ik was erbij.’

Lees verder Inklappen

Twee weken na de spoeduithuisplaatsing treffen de partijen elkaar in de rechtbank, waar de maatregel wordt bekrachtigd. Mariëlle weet nog steeds niet waar haar zoon is. Pas voor de rechter hoort ze waar de melding bij Veilig Thuis precies over ging en welke uitspraken aan haar worden toegeschreven. 

Ze zou gedreigd hebben zichzelf en haar zoon om te brengen. Gezegd hebben dat ze naar Luxemburg wilde vertrekken. Gedreigd hebben het ‘spelletje mee te spelen, maar daarna ga ik mijn goddelijke gang weer’. En bij het incident in de wc zou ze hebben gezegd: ‘over mijn lijk’.

Ze protesteert: waar is de onderbouwing? ‘Dat er geen verslag in het dossier aanwezig is van de personen die de moeder de dreigende uitlatingen hebben horen maken,’ zo legt de kinderrechter vast in de beschikking, ‘is geen vereiste om de verzoeken van de Raad toe te wijzen.’

Uitspraak: drie maanden voorlopige ondertoezichtstelling, Bram blijft in het pleeggezin, en de Raad voor de Kinderbescherming moet op onderzoek uit om vast te stellen wat Bram en zijn moeder mankeren en waar het jongetje het beste af is. 

Stagnatie op stagnatie

In ieder geval niet thuis, adviseert de Raad voor de Kinderbescherming drie maanden later na gesprekken met Brams pleegouders, met Mariëlle en met de jeugdbescherming. Hoewel Mariëlle zich op eigen initiatief psychologisch heeft laten onderzoeken, zoals de rechtbank verzocht heeft, is dat bij Bram nog niet gebeurd. 

Zijn kinderarts regelt een intake bij een kinderpsychiatrisch centrum, waar Bram niet alleen psychodiagnostisch wordt onderzocht maar ook kan worden behandeld. Tot ontsteltenis van de kinderarts zegt Brams jeugdbeschermer één dag voor de intake ‘na intern overleg’ de afspraak af: het zou beter zijn als het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) de jongen onderzoekt. ‘Met u is van tevoren getoetst waaraan mijn verwijzing moest voldoen,’ mailt de kinderarts aan de jeugdbeschermer. ‘Blijkbaar is er nu een andere kijk op de situatie. [...] Ik blijf mij zorgen maken over de situatie voor Bram. Deze gang van zaken zorgt wederom voor stagnatie.’ 

‘Blijkbaar is er nu een andere kijk op de situatie, ik blijf mij zorgen maken over Bram’

Drie maanden later vraagt de jeugdbeschermer bij het NIFP voor moeder en kind een forensisch psychologisch onderzoek aan. Het instituut stelt bij Bram allerlei gedragsproblemen vast. Alleen met een-op-een begeleiding kan hij onderwijs volgen. Hij kan zich niet concentreren, gedraagt zich clownesk en vertoont vlucht- of vechtgedrag. 

Ook op moeder is, drie maanden na het psychologische onderzoek waaruit was gebleken dat ze ‘niet behept is met een of andere persoonlijkheidsstoornis’, het nodige aan te merken: ze kan onvoldoende op zichzelf reflecteren, wat resulteert in ‘onhandige acties’ die Bram belasten. Maar moeders gedrag kan ook samenhangen met de impact van de uithuisplaatsing, die het NIFP ‘traumatisch’ noemt. 

Maar Mariëlles ‘ambivalente houding ten opzichte van de hulpverlening’ staat een optimale samenwerking wel in de weg, schrijft het NIFP. ‘Enerzijds toont moeder zich strijdlustig en zoekt zij contact met de hulpverlening teneinde Bram zo snel mogelijk thuis te krijgen. Anderzijds kan moeder de ernst van de situatie onvoldoende inschatten en weet zij haar pedagogische kwaliteiten niet in de praktijk te brengen.’

Dit wil overigens niet zeggen dat Mariëlle definitief niet in staat zou zijn haar zoon op te voeden. Ja, de problemen van Bram zijn complex, zijn ontwikkeling stokt en daarom heeft hij een opvoeder nodig die zorgt dat hij hulp krijgt. Het NIFP: ‘Dit kan moeder hem op het moment niet bieden. Het is zeer de vraag of zij dit op de langere termijn wel kan, maar het is te vroeg om deze mogelijkheid uit te sluiten. Daarvoor is er te veel positiefs in de relatie van Bram met zijn moeder, maar vooral, daarvoor is er nog te weinig gerichte hulpverlening ingezet.’ 

Het gebrek aan de juiste hulpverlening maakt de situatie er niet beter op, menen de onderzoekers: ‘Bram heeft juist veel zorg nodig, maar alles lijkt te stagneren, van de een naar de ander te worden geschoven.’ 

Vanwege het ‘complexe samenspel tussen veroorzakende en in stand houdende factoren’ moet Bram dringend naar een kinderpsychiatrisch centrum, beveelt het NIFP aan. Een centrum waar hij naar school kan én behandeld wordt voor zijn posttraumatische stress- en hechtingsproblemen. 

Dat centrum bestaat. De kinderarts verwees hem er negen maanden geleden al naar.

‘Bram heeft veel zorg nodig, maar alles lijkt van de een naar de ander te worden geschoven’

Toch komt hij er ook nu niet terecht. Bram gaat naar de kinderpsychiatrische afdeling van een universitair medisch centrum. Na zes weken brengt de kinderpsychiater verslag uit – met eigenlijk maar één ondubbelzinnige conclusie: Brams problemen hebben alles te maken met het conflict tussen de volwassenen om hem heen. 

Een onderliggende ontwikkelingsstoornis, die Brams huidige problemen zou kunnen verklaren, ziet de kinderpsychiater nu niet. Of Brams gedragsproblemen vóór de uithuisplaatsing ook zo prominent waren, kan hij niet beoordelen. Pas als de stress van het moment verdwenen is, kan gekeken worden naar eventueel onderliggende oorzaken. 

Als een paal boven water staat dat Bram baat heeft bij duidelijkheid, structuur en rust. Stop met ruziën, is de boodschap van de kinderpsychiater, en bied die jongen een stabiele omgeving. 

Stabiel pleeggezin

Dat Bram die stabiliteit vindt in zijn pleeggezin, is lang niet zeker. Eén van de dochters lijkt ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’ te vertonen: medewerkers van de pleegzorg en de jeugdbescherming, die het incident beoordelen, spreken van ‘rode vlaggen’ bij de pleegzus. Het meisje heeft dringend psychische hulp nodig, adviseren ze. Bram moet tegen haar worden beschermd.

Mariëlle hoort pas drie maanden later iets over die rode vlag, nota bene van de pleegzorgwerker, en pas na veel heen en weer gepraat. De jeugdbeschermer die haar had moeten informeren, schuift die hete aardappel wekenlang voor zich uit.

Voor Mariëlle is het de druppel, want er zijn meer strubbelingen met het pleeggezin. Bij de GGD is het al eens op ruzie uitgelopen toen Bram een vaccin moest halen. En dan is er nog een aangifte wegens onttrekking aan het ouderlijk gezag, die Mariëlle indient in overleg met haar advocaat, omdat het pleeggezin Bram meeneemt op vakantie in Duitsland. Kan niet zomaar, vindt Mariëlle, want zij is niet op de hoogte gebracht en bovendien heeft haar zoon geen identiteitskaart. De jeugdbeschermer beslist anders: Bram gaat gewoon mee, want hem twee weken in een ander pleeggezin onderbrengen is geen optie. 

Twee jaar en elf maanden nadat Bram uit huis is geplaatst, geeft de tweede gecertificeerde jeugdbeschermingsinstelling het op: een andere moet het toezicht op Bram maar op zich nemen. De kinderrechter geeft toe, maar laat duidelijk blijken er he-le-maal klaar mee te zijn. Bram is hier de grote verliezer, houdt hij iedereen voor. Het is tijd dat de hulpverlening doorpakt. 

Daarom vraagt de rechter de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen naar gezagsbeëindiging – daarmee wordt Mariëlle de zeggenschap over haar kind ontnomen en hoeft de jeugdbescherming haar geen toestemming meer te vragen. 

De kinderrechter is er he-le-maal klaar mee: Bram is hier de grote verliezer

Maar de Raad komt na elf maanden onderzoek tot een andere conclusie: dat Bram in het pleeggezin blijft, is nog lang geen uitgemaakte zaak. Gezagsbeëindiging mag immers alleen in ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ en pas nadat uit-en-ter-na is onderzocht of het kind thuis écht geen kans heeft veilig op te groeien. Aan de vragen of en hoe Bram weer naar huis kan, is bovendien nauwelijks gewerkt, terwijl zowel het gerechtshof als de rechtbank expliciet heeft bevolen dat de jeugdbescherming moet investeren in een ouder-kindtraject. 

De Raad benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is dat de volwassenen rond Bram hun conflict beëindigen. Om de moeizame band tussen moeder en pleegouders te verbeteren, moeten beiden in beweging komen. 

Met hulp van een mediator gaan Mariëlle en pleegmoeder in gesprek. Dat loopt uit op een fiasco: na het tweede gesprek stapt pleegmoeder op.

Positieve signalen

Aan beter contact tussen moeder en zoon is wel gewerkt, met succes zelfs, door een onafhankelijke hulpverlenende instantie. ‘De contactopbouw kan geen ander doel dienen dan dat Bram op termijn naar huis kan gaan,’ noteert de hulpverlener in het contactverslag, vlak voordat de derde gecertificeerde instelling ten tonele verschijnt. 

‘Het is tijd voor de volgende stap,’ adviseert de hulpverlener: via Signs of Safety [een diagnostisch instrument bij vermoedens van kindermishandeling, red.] de veiligheid thuis in kaart brengen en de omgangsbezoeken naar moeder weer bij haar thuis laten plaatsvinden. 

De Raad voor de Kinderbescherming signaleert onduidelijkheden in het aanmeldingsformulier voor een Signs of Safety-traject: want spreekt hier nu hulpverlener of moeder? Zo staat er: ‘Bram is onterecht uit huis geplaatst zonder een mildere vorm van hulpverlening. Vervolgens blijkt dat de jeugdbescherming positieve rapporten telkens niet indient bij de rechtbank.’ En: ‘Bram dient uiterlijk per februari weer thuis te wonen, aangezien de gronden voor een uithuisplaatsing niet aanwezig zijn.’

In antwoord op vragen van de Raad voor de Kinderbescherming erkent de directeur van de onafhankelijke hulpverlenende instantie dat ‘onduidelijk’ is welke informatie van de betrokken hulpverlener afkomstig is en wat Mariëlle heeft aangevuld. De directeur zegt wel achter het advies van haar medewerker te staan: met Signs and Safety kan Bram zijn moeder weer thuis bezoeken. 

De jeugdbescherming neemt dit advies niet mee in haar overwegingen.

Lees verder Inklappen

Nog geen jaar later liggen de kaarten helemaal anders. De nieuwe gecertificeerde jeugdbeschermingsinstelling die zich over Bram ontfermt, vraagt de Raad voor de Kinderbescherming om het onderzoek tot gezagsbeëindiging te heropenen. De reden is een juridische: de termijnen waarbinnen Bram duidelijkheid had moet krijgen over zijn ‘opvoedingsperspectief’ zijn overschreden. 

Verrassend: de Raad adviseert nu wél gezagsbeëindiging want de stroeve samenwerking tussen Mariëlle en de jeugdbescherming blijkt een onoverkomelijk obstakel. ‘Moeder redeneert vanuit een visie op Bram die niet voldoende klopt met de werkelijkheid. Zij ontkent zijn problemen, terwijl ze hem hiervoor te weinig ziet. Zij blijft aangeven zelf voor Bram te willen zorgen. Dat is begrijpelijk, maar niet in het belang van Bram.’

Wat Bram zelf wil, is niet helemaal duidelijk. In een briefje aan de rechtbank schrijft hij een jaar geleden: ‘Ik wil weer bij mijn moeder wonen.’ Dat briefje is echt, bevestigt de hulpverlener die op verzoek van Mariëlle aan Bram vroeg zijn wensen op te schrijven voor de rechter. ‘Dat is alles wat ik erover kan zeggen.’

De kinderrechter heeft het briefje ook ontvangen, maar ze roept hem niet op voor een gesprek: dat is ‘te spannend’ voor Bram.

Een gesprek vindt de kinderrechter ‘te spannend’ voor Bram

Na ruim vijf jaar wordt de zorg voor Bram sinds een paar maanden over een andere boeg gegooid. Uit het actuele ‘hulpverleningsplan’: ‘Nu een voogd is aangesteld [de derde gecertificeerde jeugdbeschermingsinstelling die Bram onder hoede heeft genomen, red.] kan de aanmelding voor dagbehandeling doorgezet worden.’ 

Onderdeel van het plan: een diagnostisch onderzoek. Op het intakeformulier staat niet Mariëlle genoemd als de betrokken ouder, maar Brams pleegmoeder. 

Op 27 januari dient het hoger beroep. Mariëlle heeft dat ingediend in de hoop dat het gezag over Bram haar niet definitief wordt afgenomen. 


Naschrift 
Twee maanden later valt de beslissing van het Hof bij Mariëlle op de mat. ‘Adequate hulpverlening is nimmer van de grond gekomen,’ schrijven de rechters. ‘Alle tijd en energie is verloren gegaan aan de strijd.’ 

Hoewel de gecertificeerde instelling niet vrij is van blaam en er te weinig gewerkt is aan thuisplaatsing, heeft Mariëlle in deze strijd een ‘zeer groot en mogelijk bepalend aandeel’ gehad. ‘Zij verkeert al zes jaar in een strijdmodus en blijft daarin hangen. Hoewel begrijpelijk en ingegeven door de beste bedoelingen, namelijk het vooropstellen van het belang van Bram, bereikt zij daarmee het tegenovergestelde. [..] Dit is een nare, zware en trieste, maar in de ogen van het hof, wel de enige conclusie.’

Nou, nee, vindt Marco Erkens, Mariëlles advocaat. ‘Deze “strijd” is begonnen met een gecertificeerde instelling die niet aan thuisplaatsing wilde werken. Niet andersom.’ 

Erkens: ‘De spoedmachtiging had niet gemogen. Er zijn geen voorwaarden gesteld aan Mariëlle. Er is geen hulp geboden aan Mariëlle. Er is niet gewerkt aan thuisplaatsing. Alles bij elkaar opgeteld heeft de staat onvoldoende hulp geboden. Dus gaat diezelfde staat het gezag beëindigen. De honden lusten er geen brood van. Wetenschap, politiek en rechtspraak stellen breed gedragen dat het over het algemeen niet goed gaat in de jeugdzorg, maar feitelijk verandert er in een individuele casus niets.’

Mariëlle rest nog cassatie bij de Hoge Raad of een gang naar het Europees Hof. In het eerste geval stelt de Hoge Raad zelf geen feiten vast, maar kijkt alleen of het recht juist is toegepast. ‘In het tweede geval is Mariëlle zo drie, vier jaar verder. En dan is haar zoon alweer bijna 18 en mag hij hopelijk zelf kiezen.’