Henk Volberda

Henk Volberda © Cor Salverius / DIJKSTRA BV

Hoe een hoogleraar met lobby-onderzoek voor Shell en Unilever zijn bankrekening spekte en toch zijn integriteit behield

Sturende onderzoeksmethodologie, verzwegen relaties met Shell, en overboekingen naar privérekeningen – maar nog steeds hoogleraar. FTM verschaft een unieke inkijk in het integriteitsonderzoek naar de onderzoekspraktijken van hoogleraar Strategie en Innovatie Henk Volberda. Belastende feiten verdwenen gedurende het proces van tafel, waardoor Volberda bleef gevrijwaard van sancties en zijn leerstoel zonder problemen verplaatst kon worden van de Erasmus Universiteit Rotterdam naar de Universiteit van Amsterdam.

Dit stuk in 1 minuut

 

  • Socioloog Vatan Hüzeir, promovendus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), diende op 27 september 2017 een integriteitsklacht in tegen Henk Volberda, hoogleraar Strategie en Innovatie aan diezelfde universiteit, wegens vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit bij het uitvoeren van een onderzoek naar het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven. Door deze aanklacht stond Volberda’s ‘uitstekende reputatie’ op losse schroeven.
  • De belangrijkste beschuldiging: Volberda liet na om Shell, Unilever, AkzoNobel, DSM en Philips te melden als directe opdrachtgevers en financiers van het rapport dat in 2018 grote betekenis zou krijgen in relatie tot de afschaffing van de dividendbelasting. De opdrachtgevers waren nauw betrokken bij de dataverzameling voor het onderzoek en hadden met Volberda afgesproken dat er ‘aanbevelingen’ richting de overheid uit zouden volgen.
  • Uit niet eerder openbaar gemaakte stukken blijkt dat Volberda ook privé financieel profiteerde van zijn werk voor Shell en de andere bedrijven. Hij keurde voor zichzelf en zijn medeauteurs additionele beloningen goed die ‘in relatie tot de vaste beloning aanzienlijk’ waren volgens de Commissie Wetenschappelijke Integriteit.
  • Het proces duurde 3,5 jaar en er kwamen vier integriteitscommissies aan te pas. Die oordeelden zeer uiteenlopend op basis van hetzelfde bewijsmateriaal. Belastende feiten lijken daarbij in de loop van de procedure van tafel verdwenen. Hoewel verschillende overtredingen van de Gedragscode Wetenschapsbeoefening werden vastgesteld, luidde het uiteindelijke oordeel echter ‘dat er geen sprake was van een schending van de wetenschappelijke integriteit, maar wel van verwijtbare onzorgvuldigheid’.
Lees verder

Vatan Hüzeir, klimaatactivist en promovendus in de sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), diende op 27 september 2017 een integriteitsklacht in tegen Henk Volberda, hoogleraar Strategie en Innovatie aan diezelfde universiteit. De klacht, wegens vermeende ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’ bij het uitvoeren van een onderzoek naar het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven, werd ontvankelijk verklaard en in behandeling genomen door de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de EUR.

Die beslissing sloeg bij beklaagde Volberda in als een bom. Hij is ‘emotioneel diep geraakt’, schreef zijn advocaat Jan van der Grinten, partner van advocatenkantoor Kennedy van der Laan, in een brief aan het College van Bestuur (CvB) van de EUR en de voorzitter van de CWI. Nog voordat de CWI was samengesteld en de procedure van start kon gaan, riep Volberda’s advocaat de voorzitter op de klacht alsnog ‘niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de behandeling ervan stop te zetten’. Hij haalde uit naar klager Hüzeir die volgens hem ‘willens en wetens de eer en goede naam van Volberda aantast’. Van der Grinten wees erop ‘dat de klacht niet alleen Volberda raakt maar ook de Rotterdam School of Management [RSM]’. 

Volberda is, om met de woorden van zijn advocaat te spreken, ‘een bekende en gezaghebbende hoogleraar met een ronduit uitstekende reputatie als wetenschapper’. Hij is ‘veelvuldig gelauwerd met prestigieuze prijzen’ en ‘zijn bekendheid brengt met zich mee dat hij met grote regelmaat door de media wordt benaderd’. Met name wanneer de aandacht uitgaat naar het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven, schuift Volberda regelmatig aan om het belang van de hoofdkantoren van multinationals voor de Nederlandse economie te verkondigen – en bijvoorbeeld het belang van een aantrekkelijk belastingklimaat daarbij aan te stippen. Volberda is tevens als enige Nederlander betrokken bij het opstellen van de Global Competitiveness Reports van het invloedrijke World Economic Forum.

Door de integriteitsklacht stond Volberda’s ‘uitstekende reputatie’ plots op losse schroeven

Volberda was dus jarenlang een van de boegbeelden van de RSM, de business-faculteit van de EUR, maar door de integriteitsklacht stond zijn ‘uitstekende reputatie’ plots op losse schroeven. De belangrijkste beschuldiging van Hüzeir ging over het onderzoeksrapport ‘Wederzijds Profijt: de strategische waarde van de top 100 concernhoofdkantoren voor Nederland en van Nederland voor deze top 100  uit 2009’ – hierna Wederzijds Profijt-rapport – waarvan Volberda de eindverantwoordelijke was.

Op de omslag ervan stond alleen werkgeversorganisatie VNO-NCW vermeld als opdrachtgever, maar in werkelijkheid waren ook Shell, Unilever, AkzoNobel, DSM en Philips de directe opdrachtgevers. Dat had Volberda enkele maanden eerder nog gezegd in een interview met NRC Handelsblad en het stond tevens vermeld op tal van officiële documenten, waaronder het onderzoeksvoorstel, de opdrachtbrief en Volberda’s eigen CV. Deze vijf bedrijven, verenigd in de kort na de Tweede Wereldoorlog opgerichte lobbyclub ABDUP, betaalden bovendien de rekening voor het onderzoek. Het niet vermelden van opdrachtgevers en financiers is in tegenspraak met de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening.

Het onderzoeksrapport kreeg in 2018 grote betekenis toen minister Eric Wiebes (VVD) het gebruikte in zijn memo om de geruchtmakende afschaffing van de dividendbelasting van ‘wetenschappelijke’ onderbouwing te voorzien.

De voorgeschiedenis van de integriteitsklacht tegen Henk Volberda

Vatan Hüzeir, klimaatactivist en promovendus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), bracht op 16 mei 2017 de raad van bestuur van de Rotterdam School of Management (RSM) in verlegenheid. Uit het onderzoeksrapport van zijn duurzaamheidsdenktank Changerism bleek dat deze faculteit van zijn eigen universiteit innige banden met de fossiele industrie en het bedrijfsleven onderhield. Illustratief daarvoor waren de officiële partnership contracten met Shell en enkele andere multinationals. Het olieconcern had bijvoorbeeld de mogelijkheid om de ‘opzet van het RSM-curriculum en de profielen van studenten’ te beïnvloeden.

Ook de integriteit van enkele professoren kwam ter discussie te staan. Hüzeir uitte met name forse kritiek op de werkwijze van hoogleraar Strategie en Innovatie Henk Volberda en voormalig hoogleraar Corporate Communications Cees van Riel. FTM deed in 2017 uitgebreid verslag van de bevindingen in het rapport en voerde aanvullend onderzoek uit.

De RSM was niet blij met de kritiek in het Changerism-rapport en ging meteen over tot de tegenaanval. Decaan Steef van der Velde haalde in mei 2017 in een schriftelijke reactie uit naar de onderzoekers: ‘Het rapport is tendentieus, bevooroordeeld, bevat fouten, en voldoet niet aan academische standaarden.’

Waarop die beschuldigingen gebaseerd waren, werd niet onderbouwd. De RSM leek een deel van de kritiek wel degelijk serieus te nemen. De business-faculteit ontbond direct de partnership contracten, voerde een publiek register van samenwerkingen met het bedrijfsleven in, en liet een onderzoek naar onafhankelijkheid en integriteit uitvoeren. De RSM hoopte dat daarmee de kous af was, maar Hüzeir liet het er niet bij. Op 27 september 2017 diende hij een integriteitsklacht in tegen Volberda wegens vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit.

Lees verder Inklappen

Corporate connecties schieten te hulp

Volberda had een groot probleem wanneer de CWI – bestaande uit voorzitter Lex Bouter, hoogleraar Methodologie en Integriteit (Vrije Universiteit Amsterdam), Muel Kaptein, hoogleraar Business Ethics and Integrity aan de RSM, en Lineke Sneller, hoogleraar Accounting Information Systems aan Nyenrode – zou concluderen dat hij de opdrachtgevers niet correct had vermeld in het onderzoeksrapport. Dat kon uitmonden in het oordeel ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’– en in dat geval zou zijn verdienstelijke carrière als wetenschapper voorbij zijn. Hij nam daarom niet alleen advocatenkantoor Kennedy van der Laan in de arm, maar zette ook zijn persoonlijke connecties in om zijn reputatie te redden.

Als wetenschapper voerde Volberda meerdere onderzoeken uit voor oliebedrijf Shell. De nauwe band die hij had opgebouwd met de top van deze multinational met hoofdkantoor in Den Haag, kwam nu van pas. Hij contacteerde Shell Nederland en vroeg met succes om een gunst. Op 23 november 2017 ontving Volberda een brief van Marjan van Loon, de huidige president van Shell Nederland, om ‘duidelijkheid te schetsen omtrent de afhandeling van het onderzoek [...] van 8 juni 2009 onder uw leiding’. Van Loon, die in 2009 nog global manager LNG & gas processing was en vanuit die rol niets met het onderzoek te maken had, schreef: ‘VNO-NCW was als overkoepelende organisatie opdrachtgever van dit onderzoek.’

Als wetenschapper voerde Volberda meerdere onderzoeken uit voor oliebedrijf Shell

De brief werd mede ondertekend door Conny Braams, in 2017 president Unilever Benelux, Marten Booisma, Chief Human Resource Officer bij AkzoNobel, Hans de Jong, president Philips Nederland, en de vorig jaar overleden Atzo Nicolaï, voormalig VVD-minister en voorzitter van de Raad van Bestuur van DSM.

Op 3 november had Volberda een vergelijkbare brief ontvangen, van Cees Oudshoorn, de huidige voorzitter van VNO-NCW, waarin die het opdrachtgeverschap opeiste voor de werkgeversorganisatie. Op 18 december stuurden ook Marc Baaij, Frans van den Bosch en Tom Mom, Volberda’s medeauteurs van het Wederzijds Profijt-onderzoeksrapport, een brief naar de CWI. ‘Ik heb altijd gemeend, en meen dat nu nog steeds, dat het rapport is opgesteld in opdracht van werkgeversorganisatie VNO-NCW. [...] Het leek me gepast deze informatie onder uw aandacht te brengen.’

In de drie brieven staan geen ‘feitelijke onjuistheden’ – VNO-NCW was immers één van de zes opdrachtgevers. Dat stond ook niet ter discussie. Volberda had de brieven laten vervaardigen met een ander doel: ze moesten, 9 jaar na dato, de suggestie wekken dat VNO-NCW de enige opdrachtgever van het onderzoek was. In dat geval zou Volberda niets verkeerd hebben gedaan.

De CWI en het CvB van de EUR waren echter niet onder de indruk van deze truc van Volberda. Het CvB, voorgezeten door Kristel Baele en met als rector magnificus Rutger Engels, schrijft in reactie op het eindrapport van de CWI: ‘Volberda blijft [...] volhouden dat slechts VNO-NCW de opdrachtgever en financier is geweest. [...] Het bewijs van deze – in het licht van de vaststaande feiten – niet aannemelijke stellingen acht Volberda door hem geleverd door brieven die speciaal ten behoeve van de klachtprocedure en op zijn verzoek zijn geschreven door Shell cum suis c.q. VNO-NCW.’

Het College laat weten deze opstelling van Volberda ‘volstrekt onaanvaardbaar’ te vinden. ‘Het is evident,’ vervolgt het CvB, ‘dat in ieder geval in materieel opzicht Shell cum suis de opdrachtgevers en financiers waren van het rapport en tevens de direct belanghebbenden waren bij de uitkomsten van dat rapport. Als het al waar zou zijn dat VNO-NCW de formele opdrachtgever was [...] dan wekt dat opdrachtgeverschap de indruk in dit geval een schijnconstructie te zijn geweest, en vooral bedoeld om de nauwe betrokkenheid van Shell cum suis bij het rapport buiten beeld te houden. Het is evident dat een wetenschapper niet bewust aan zo’n schijnconstructie mag meewerken of deze vergoelijken.’

"Het is evident dat een wetenschapper niet bewust aan zo’n schijnconstructie mag meewerken of deze vergoelijken"

Onafhankelijk onderzoek 

De snoeiharde woorden van het CvB beloofden niet veel goeds voor Volberda. En dat was nog maar het begin van de aanklacht. Volgens Hüzeir voldeed het Wederzijds Profijt-onderzoek evenmin aan de eisen die in de Gedragscode worden gesteld aan onafhankelijke wetenschap: niet kan immers worden uitgesloten dat het onderzoek werd ingegeven en beïnvloed door financiële en politieke belangen van de opdrachtgevers.

Het CvB van de Erasmus Universiteit stelt op dit punt in algemene zin hoge eisen aan haar personeel. Dat suggereert althans deze passage in de reactie op het CWI-oordeel: ‘De samenleving verwacht van wetenschappers – en mag dat ook verwachten – dat zij objectief, zorgvuldig, onafhankelijk, belangeloos en transparant te werk gaan en dat de door wetenschappers gepresenteerde feiten en bevindingen wáár zijn en niet zijn ingegeven of gekleurd door financiële, ideologische, politieke of andere belangen.’

Los van de onvolledige vermelding van de opdrachtgevers – die het CvB later dus zou bestempelen als een ‘schijnconstructie’ – was het voor de geloofwaardigheid van Volberda als wetenschapper van groot belang dat hij de onafhankelijke uitvoering van het onderzoek op een gedegen manier zou kunnen aantonen. Zijn verweerschrift leunde op dit punt echter eveneens op een strategie van volledige ontkenning, ongeacht de feiten die Hüzeir en de CWI in het dossier naar voren brachten.

Zo beweert Volberda dat de opdrachtgevers – die volgens zijn alternatieve feiten slechts een ‘klankbordgroep’ vormden – ook vanuit die rol geen enkele vinger in de pap hadden: ‘Het bestaan van de klankbordgroep is voorts bij de methodologie beschreven. De methodologie is bovendien in het rapport verantwoord en uit het oogpunt van wetenschappelijke integriteit valt daarop niets aan te merken.’ Daarmee is wat hem betreft de discussie over onafhankelijkheid beslecht.

Dossier

Wetenschap op bestelling

Het onderzoeksbudget aan universiteiten is de afgelopen jaren afgeknepen. Wat heeft dat voor effect hebben op de wetenschap?

Volg dit dossier

Belastinglobby

Hüzeir heeft evenwel een boel aan te merken op de onafhankelijkheid en integriteit van de onderzoeksopzet, -methodologie en afgesproken werkwijze. Hij voert daar originele – in tegenstelling tot achteraf vervaardigde – bewijsstukken voor op.

Neem de opdrachtbrief waarin staat: ‘U zult het onderzoek uitvoeren in overeenstemming met onderzoeksplan zoals door ons goedgekeurd.’ En Peter de Wit, de toenmalige president directeur van Shell Nederland, sluit af met de woorden: ‘Namens Akzo Nobel, DSM, Philips, Shell en VNO-NCW wens ik u tenslotte veel succes met het uitvoeren van dit voor ons allen zo belangrijke onderzoek.’

Waarom het onderzoek voor deze bedrijven zo belangrijk was, benoemt De Wit in de brief eveneens zonder enige terughoudendheid: ‘Wij [zijn] met u overeengekomen dat u in het eindrapport ook aanbevelingen zal opnemen over gewenst toekomstig hoofdkantorenbeleid van de zijde van de Nederlandse overheid.’

En zo geschiedde: het voor deze commerciële partijen vervaardigde RSM-onderzoek deed meermaals dienst in de lobby voor belastingverlagingen voor het bedrijfsleven. In 2009 overhandigde toenmalig voorzitter van VNO-NCW Bernard Wientjes het rapport aan premier Balkenende en zei: ‘De dividendbelasting is natuurlijk een monster, [die] moet weg.’  In 2018 werd het onderzoek opnieuw gebruikt als enige wetenschappelijke onderbouwing voor de regeringsplannen om de dividendbelasting af te schaffen, het heetste politieke hangijzer van dat jaar.

In 2011 en 2012 werd het Wederzijds Profijt-rapport eveneens gebruikt als wetenschappelijke basis ​​voor de RDA-regeling (Research & Development Aftrek), een belastingverlaging die Economische Zaken presenteerde als ‘een wens van topteam Energie voorzitter Jeroen van der Veer’. Volberda was vertegenwoordiger van de wetenschap in het ‘topteam Hoofdkantoren’, dat de regering adviseerde deze belastingregeling in te voeren. Van der Veer was de CEO van Shell ten tijde van het Wederzijds Profijt-onderzoek.

De brief van Wientjes

De CWI lijkt in belangrijke mate mee te gaan met de kritiek van Hüzeir op de onderzoeksopzet, -methodologie en conclusies van het rapport: ‘De onderzoeksgegevens ondersteunen niet de sterke conclusies die door de onderzoekers getrokken worden.’ De CWI baseert zich daarbij ook op twee getuigenissen van anonieme experts. Een van hen schrijft: ‘Ik ben het ermee eens dat in het rapport veel zinnen staan die het grote belang van hoofdkantoren van de top 100 voor Nederland als feiten weergeven, terwijl deze enkel gebaseerd zijn op percepties van belanghebbenden of kwalitatieve verbanden.’

De onderzoeksconclusies van Volberda en zijn collega’s zijn grotendeels gebaseerd op vragenlijsten ingevuld door de bestuursleden van de top 100 multinationals met een hoofdkantoor in Nederland – waaronder dus de opdrachtgevers zelf. Hüzeir wijst daarbij op de bedenkelijke rol die VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes heeft gespeeld. Wientjes was een van de opdrachtgevers en tegelijkertijd actief betrokken bij de dataverzameling voor het onderzoek. De enquêtes die Volberda en zijn medeauteurs stuurden, gingen vergezeld door een begeleidend schrijven van Wientjes. Hij roept de bedrijven daarin met klem op de vragenlijsten in te vullen: ‘Op basis daarvan worden aanbevelingen gedaan hoe de internationale aantrekkelijkheid van Nederland als gastland voor deze hoofdkantoren te vergroten.’ Het titelblad van de questionnaire verbloemt evenmin het doel achter dit onderzoek: ‘How to improve the attractiveness of the Netherlands as host country for corporate headquarters.’

Volberda weerspreekt dat de conclusies van het onderzoek te stellig van aard zijn. Zijn advocaat voert aan dat op pagina 46 van het rapport expliciet staat geschreven dat ze zijn gebaseerd op ‘de percepties van topmanagers’ en op pagina 12 staat dat de gegevens gezien moeten worden als een ‘eerste aanzet om te komen tot de kwantitatieve bijdrage van de Top 100 concernhoofdkantoren’. Over de brief van Wientjes zegt hij alleen: ‘Met de ondersteuning door VNO-NCW zou de kans op een hoge response op de enquête aanzienlijk toenemen.’

Voor de CWI is het echter glashelder: ‘De Commissie heeft geoordeeld dat zowel de brief van de toenmalige voorzitter VNO-NCW aan de hoofdkantoren, als de toelichting in de vragenlijsten van het Wederzijds profijt onderzoek niet neutraal zijn geformuleerd. De formuleringen waren sturend en worden door de commissie als onwenselijk beschouwd in een wetenschappelijk onderzoek.’

Hergebruik van data

‘Het wederzijds profijt rapport is uitgevoerd in een context waarin mogelijk beïnvloeding van de respondenten niet kan worden uitgesloten,’ concludeert de CWI en dat is volgens de commissie extra kwalijk omdat Volberda, Van den Bosch, Baaij en Mom in latere wetenschappelijke publicaties gebruikmaken van diezelfde data. ‘Er wordt in latere publicaties niet verwezen naar het eerdere rapport waardoor de context van dat rapport niet kan worden meegewogen in de beoordeling door de lezers van de later gepubliceerde artikelen.’ Het hergebruik van de onderzoeksdata in latere publicaties, zonder verwijzing naar de manier waarop die data zijn verzameld, maakt eveneens onderdeel uit van Hüzeirs integriteitsklacht.

Volberda voert ter verdediging aan dat de data eigendom waren van de RSM en het ‘zeer ongebruikelijk’ is ‘om in een toptijdschrift te refereren naar ongepubliceerde rapporten zonder ISBN nummer’. Daarmee doelt hij op het Wederzijds Profijt-rapport. Om zijn punt kracht bij te zetten voegt Volberda later ook nog enkele speciaal voor het proces opgestelde brieven van oud-collega's toe die zijn eigen zienswijze bekrachtigen. Een van hen is Charles Baden-Fuller, hoogleraar Strategie aan de Cass Business School in Londen.

Volgens Hüzeir bevestigt deze brief echter vooral de bedenkelijke visie op ‘objectiviteit’ en ‘onafhankelijkheid’ van Volberda. Hüzeir wijst op een artikel van Volberda getiteld ‘Het wordt niet gewaardeerd als je buiten de traditionele rol van wetenschapper treedt’ dat op 17 juli 2017 in het Financieele Dagblad verscheen: ‘Twaalf jaar geleden zat ik 's avonds in Londen aan de whisky met Charles Baden-Fuller, een zeer gerespecteerde hoogleraar aan de Cass Business School, iemand met veel wetenschappelijke publicaties op zijn naam. “I want to be remembered,” zei hij. Ik wilde dat ook, maar ik vroeg me af of ik dat als hoogleraar zou bereiken. Wie kennen je? Andere wetenschappers, studenten. Leuk, maar wat is je invloed op het bedrijfsleven?’

‘Leuk, maar wat is je invloed op het bedrijfsleven?’

De langlopende professionele en vriendschappelijke relatie tussen de twee hooggeleerde heren speelt volgens Volberda’s advocaat geen rol van betekenis: ‘Zoals professor Baden-Fuller in zijn brief zelf aangeeft, is hij al geruime tijd geen collega meer van Volberda en was hij niet betrokken bij het LRP-artikel. Er is dan ook geen enkele reden om te vermoeden dat professor Baden-Fuller partijdig zou zijn.’

De CWI trekt desalniettemin ook over het hergebruik van de data andere conclusies: ‘Het niet vermelden van het oorspronkelijke onderzoek en het rapport waarin van de bevindingen verslag wordt gedaan is (deels) strijdig met de vigerende Code wetenschapsbeoefening en de richtlijnen van LRP. Het argument van de onderzoekers dat het hun eigen data zijn doet daar niets aan af. De data zijn immers wel in de context van het VNO-NCW onderzoek verzameld.’

Rekenschap

Hüzeir schrijft in de integriteitsklacht dat ‘Volberda onvoldoende rekenschap heeft gegeven voor zijn verantwoordelijkheid van de maatschappelijke implicaties van zijn wetenschappelijk werk’. Vrij vertaald: hij vond dat Volberda met zijn onderzoek ‘wetenschappelijke legitimiteit’ verschafte aan een rapport waarvan hij wist dat de opdrachtgevers het zouden gebruiken als lobbydocument.

Volberda’s advocaat ontkent deze overtreding van ‘principe 6 van de gedragscode’ ten stelligste, maar de commissie lijkt ook daar niet van onder de indruk: ‘De CWI stelt ook vast dat de onderzoekers onvoldoende rekening hebben gehouden met het te verwachten gebruik van de onderzoeksuitkomsten om de politieke besluitvorming te beïnvloeden. Uit de gesprekken is gebleken dat men zich dat onvoldoende heeft gerealiseerd. In die zin zijn de onderzoekers tamelijk naïef geweest.’

‘Volberda heeft onvoldoende rekenschap gegeven voor zijn verantwoordelijkheid van de maatschappelijke implicaties van zijn wetenschappelijk werk’

Volgens Hüzeir was van naïviteit echter geen sprake en wist Volberda dondersgoed waaraan hij meewerkte. Dat baseert hij niet alleen op de tekst van de opdrachtbrief, maar ook op de langdurige relatie van Volberda met een van de opdrachtgevers: olieconcern Shell. Volberda had volgens Hüzeir ‘in ieder geval sinds 1998 verbindingen met Shell’ die hij eveneens ‘heeft verzuimd te vermelden’. Dat zou wederom een overtreding zijn van de Gedragscode Wetenschappelijk Integriteit.

Hüzeir verwijst in zijn klacht naar een artikel van FTM uit 2017. Daaruit kwam al naar voren dat zowel Volberda als zijn mede-auteur Frans van den Bosch een langlopende relatie had met Shell. In het CV van Van den Bosch viel bijvoorbeeld te lezen dat het tweetal reeds in 1998 een ‘Payment to Centre of Excellence Grant’ van Royal Dutch Shell had ontvangen, ‘for the benefit of specified projectleaders [sic] with whom Shell want to develop a relationship’. Oftewel: een betaling ten faveure van de genoemde projectleiders, met wie Shell een relatie wil ontwikkelen.

"In totaal ontving Volberda 120.000 euro op zijn privérekening voor derde geldstroomprojecten die hij uitvoerde in de jaren 2006-2009"

Zelfverrijking

Dat Volberda in de periode 1998-2002 ‘contract research’ heeft uitgevoerd voor Shell, had hij volgens de Gedragscode moeten melden in het Wederzijds Profijt-rapport als eerdere ‘adviseurschappen of andere verbindingen’. Hüzeir wist toen hij de klacht indiende echter nog niet dat Volberda, Van den Bosch en Baaij ook tussen 2006 en 2008 onderzoek uitvoerden voor Shell. Dat bleek pas uit het eigen onderzoek van de CWI.

De CWI wist uit de administratie van de RSM een aantal facturen boven water te halen die een nieuw licht op de zaak werpen. Een van die facturen behelst ‘Project 2396557 (Shell International Exploration)’ waarop drie overboekingen staan voor de ‘inzet 2007’ van respectievelijk Volberda (€16.000), Van den Bosch (€16.000) en Baaij (€8.868). Ook is daarop een ‘interne verrekening’ te zien uit 2008 – eveneens gerelateerd aan Shell – waarbij ‘€27.000 van de vakgroep [werd] overgeboekt naar kostendragers van individuele medewerkers’

De CWI achterhaalde eveneens een factuur waaruit blijkt dat Volberda, Van den Bosch en Baaij ook privé werden beloond voor hun werk voor Shell en ABDUP, in de vorm van een aanzienlijke geldsom bovenop hun reguliere salaris. Als afdelingshoofd keurde Volberda op 3 november 2008 een aantal overboekingen (gratuities) goed naar Van den Bosch, Baaij en hemzelf, onder andere voor ‘exceptional work in the Shell and Headquarters (ABDUP) research projects’. Volberda en Van den Bosch ontvingen voor de jaren 2006 en 2007 elk tweemaal 30.000 euro, Baaij werd beloond met 10.000 euro. Uit de specificatie van deze financiële vergoedingen blijkt dat ze werden toegekend voor twee afzonderlijke projecten: het Headquarters (ABDUP)-onderzoek, ofwel het Wederzijds Profijt-onderzoek – en een tweede niet nader gespecificeerd project voor ‘Shell’ dat in de periode voorafgaand aan het hoofdkantorenonderzoek werd uitgevoerd.

Uit twee andere brieven in het CWI-dossier, gedateerd op 20 november 2009 en 19 oktober 2010, blijkt dat Volberda nog meer gratificaties ontving bovenop zijn salaris. ‘In verband met zijn derde geldstroom projecten van de jaren 2008 en 2009’ maakte de EUR nog twee keer 30.000 euro naar hem over. Die overboekingen werden op verzoek van de decaan van de RSM goedgekeurd door het College van Bestuur van de EUR. In totaal ontving Volberda dus 120.000 euro op zijn privérekening voor derde geldstroomprojecten die hij uitvoerde in de jaren 2006-2009.

In de verhoren van de CWI verklaren Volberda en zijn mede-onderzoekers dat de gratificaties betrekking hadden op contractonderzoek waarbij Shell ‘is doorgelicht’. Het betrof een deskresearch door Volberda, Baaij en Van den Bosch. Hieruit zijn geen publicaties voortgekomen. Omdat de auteurs van mening zijn dat Shell geen opdrachtgever was van het Wederzijds Profijt-rapport, hebben ze daarin ook geen melding gemaakt van dit onderzoek of de persoonlijke vergoedingen die daarmee verband hielden.

De CWI concludeert: ‘Deze beloningen hingen samen met werk voor Shell en voor andere bedrijven, en waren in relatie tot de vaste beloning aanzienlijk, ook naar de maatstaven van die tijd. Hierdoor ontstaat de schijn van een verbinding tussen uitvoering van academisch werk voor een bedrijf en het verkrijgen van aanzienlijke variabele beloning. Een dergelijk risico vraagt om een passend stelsel van interne beheersingsmaatregelen om de onafhankelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek te waarborgen. De commissie heeft dergelijke beheersingsmaatregelen slechts beperkt aangetroffen.’

Hoewel op de bewijsstukken duidelijk staat dat de gratificaties werden uitgekeerd ‘for exceptional work in the Shell and Headquarters (ABDUP) research projects’ ontkent Volberda dat ten stelligste. Hij schrijft aan FTM: ‘Ik heb noch via gratificaties, noch via welke andere weg dan ook geld op mijn bankrekening ontvangen voor het hoofdkantorenonderzoek in opdracht van VNO-NCW. Het genoemde bedrag van 120.000 euro is een gotspe.’

In beroep tegen de uitspraak

De CWI stelt op 15 mei 2018 verschillende overtredingen van de Gedragscode Wetenschapsbeoefening vast: ‘het niet vermelden van opdrachtgevers’, ‘discrepantie tussen de kwaliteit van de gevolgde methodologie en de verkregen data, en de stelligheid van de conclusies’ en ‘onvoldoende rekenschap van de rol die hun werk kon spelen in de politieke besluitvorming’. Het uiteindelijke oordeel luidt echter ‘dat er geen sprake was van een schending van de wetenschappelijke integriteit, maar wel van verwijtbare onzorgvuldigheid’.

Het CvB van de Erasmus Universiteit reageert daar kritisch op: ‘Zo lijkt de CWI relatief veel gewicht te hebben toegekend aan het feit dat zij in de loop van haar onderzoek overtuigd is geraakt dat de onderzoekers op integere wijze een onderzoek hebben willen doen en dat zij geen aanwijzingen heeft gevonden voor hun kwade intenties.’

Volberda komt volgens het CvB goed weg: ‘Een afweging van de CWI waarbij zwaarder dan die overtuiging van goede trouw zou hebben meegewogen dat twee van de vier verweten gedragingen in strijd met de wetenschappelijke integriteit zijn geoordeeld, had het College zich ook kunnen voorstellen.’

Er is geen sprake van een schending van de wetenschappelijke integriteit, maar wel van verwijtbare onzorgvuldigheid

Tegelijkertijd onderkent het CvB dat het hier een ‘waardeoordeel’ van de CWI betreft waaraan ‘altijd een zeker mate van subjectiviteit kleeft’. Het CvB hecht waarde aan de onafhankelijkheid van het proces en wijkt daarom niet af van het het eindoordeel van de CWI.

Hüzeir vindt de conclusie van de CWI te mild, en niet in lijn met de vaststelling dat op verschillende punten de Gedragscode is overtreden. Volberda is het in zijn geheel niet eens met het oordeel van de CWI. Beiden maken in juli 2018 bezwaar en de zaak wordt voorgelegd aan het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit. Het LOWI adviseert universiteiten in moeilijke zaken en is het hoogste onafhankelijk instituut op het gebied van wetenschappelijk integriteit van Nederland.

Van Rotterdam naar Amsterdam

Aan de Rotterdamse carrière van Volberda komt nog voordat het LOWI een uitspraak doet een einde. Na 22 jaar trouwe dienst kijkt Volberda terug op ‘een goede tijd’ waarin hem ‘fantastische mogelijkheden werden geboden’. Nu is hij echter ‘klaar voor een nieuwe uitdaging’, aldus het persbericht dat de RSM begin 2019 uitstuurt

Dat de relatie tussen Volberda en de Erasmus Universiteit door het proces en de harde woorden van het CvB flink bekoeld is, blijft daarin onbesproken. Volberda zet zijn academische carrière voort als hoogleraar Strategic Management & Innovation aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Die universiteit was naar eigen zeggen op de hoogte van de zaak, maar het lopende integriteitsonderzoek was voor de UvA ‘geen aanleiding om de heer Volberda niet te benoemen, dan wel de benoeming uit te stellen’.

Het LOWI, voorgezeten door socioloog Roel Fernhout, doet op 25 maart 2019 uitspraak. Het is geen inhoudelijk oordeel, maar een advies om ‘het onderzoek naar de klacht te heropenen en om een nieuw in te stellen CWI te vragen de klachtbehandeling, zo mogelijk op basis van de reeds verzamelde informatie, op zich te nemen’. Het LOWI heeft procedurele gebreken geconstateerd, waaronder het niet goed uitvoeren van hoor en wederhoor.

De voornaamste reden is echter dat de CWI ‘onvoldoende onafhankelijk is geweest’ doordat het universiteitsbestuur onderdelen van Hüzeirs klacht schrapte uit de opdracht die zij de CWI meegaf. Daarnaast werd ‘de schijn van vooringenomenheid gewekt’ door de deelname van Muel Kaptein als CWI-lid. Kaptein was een faculteitsgenoot van Volberda en had nauwe banden met het bestuur en de decaan. Bovendien was Van den Bosch zijn afstudeerbegeleider en promotor geweest en begeleidde hij samen met Mom een aio. Het onderzoek van de CWI strekte zich ook uit tot deze twee co-auteurs van Volberda. ‘Ook indien van de goede trouw van dit CWI-lid wordt uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt.’

De ontbrekende feiten in het tweede CWI-proces

Het tweede CWI-proces is grotendeels een herhaling van zetten. Zowel Hüzeir als Volberda voeren enkele nieuwe stukken op, maar de bulk van het feitenrelaas blijft hetzelfde als tijdens het eerste proces. Het oordeel van de tweede CWI (15 april 2020) – bestaande uit voorzitter Ton Hol, hoogleraar Jurisprudentie en Rechtsfilosofie aan de Universiteit Utrecht, Klaus Heine hoogleraar Law and Economics aan de EUR en Erik Schut, hoogleraar Health Economics and Health Policy aan de EUR – verschilt echter dag en nacht van dat van het eerste (15 mei 2018). En dat is goed nieuws voor Volberda: alleen het niet vermelden dat ‘de data is gegenereerd in opdrachtonderzoek’ bij de latere wetenschappelijke publicaties in LRP en SMR, wordt gekwalificeerd als een ‘tekortkoming’. Op alle andere gronden wordt de klacht van Hüzeir ongegrond verklaard.

Het CvB neemt het oordeel van CWI 2 op 25 juni 2020 over. Over het enorme contrast met het harde CvB-oordeel van 28 juni 2018 wordt met geen woord gerept. Het CvB was daarin – op basis van dezelfde feiten – uiterst kritisch op Volberda’s tekortkomingen in de onderzoeksmethodologie, het niet vermelden van zijn relatie met Shell en de ‘schijnconstructie bedoeld om de nauwe betrokkenheid van Shell cum suis bij het rapport’ te verbloemen.

Hüzeir vindt het oordeel van CWI 2 en de draai van het CvB onbegrijpelijk. Hij vraagt om toelichting van het CvB, maar die wordt niet gegeven. Vervolgens gaat hij opnieuw in beroep bij het LOWI. In zijn bezwaarschrift hekelt hij het gebrek aan ‘onderbouwing’ en het negeren van het ‘feitencomplex’. Belangrijke bewijsstukken uit het oorspronkelijke dossier zijn volgens Hüzeir niet meegenomen door CWI 2. Dat was wel de opdracht van het LOWI, dat adviseerde om de klachtbehandeling opnieuw te doen ‘zo mogelijk op basis van de reeds verzamelde informatie’. 

Ook Volberda tekent opnieuw bezwaar aan. Hij vindt dat hem nog steeds onterecht ‘onzorgvuldigheid’ wordt verweten inzake het niet benoemen van de oorsprong van de data in latere publicaties.

FTM stelt vast dat in het oordeel van CWI 2 belangrijke bewijsstukken niet meer worden genoemd, zoals Hüzeir ook stelt in zijn bezwaarschrift. Het oordeel lijkt daardoor niet langer gebaseerd te zijn op het volledige feitenrelaas, terwijl de onderliggende stukken van het eerste proces wel integraal beschikbaar waren voor de nieuwe CWI. Zo ontbreken in de motivering verwijzingen naar de opdrachtbrief, de begeleidende brief van Wientjes, de enquêtes, de anonieme expert-verklaringen die CWI 1 verzamelde, en bovenal: de bonnetjes die aantonen dat Volberda en zijn collega’s vlak voor het ABDUP-onderzoek ander contractonderzoek voor Shell uitvoerden en voor beide onderzoeken ook privé een additionele financiële beloning ontvingen.

In de beoordeling van CWI 2 ontbreken belangrijke feiten

Over het opdrachtgeverschap en de financiering zegt CWI 2: ‘In het onderzoek WP is VNO-NCW als opdrachtgever aangegeven. Voorts is in het rapport een lijst opgenomen van leden van de klankbordgroep die tot taak had te reflecteren op de bevindingen van onderzoekers. Ook Shell werd in deze lijst genoemd. Voor de Commissie is het, gelet op de strekking van het in 5.5 van de Code bepaalde, niet relevant op welke wijze de uiteindelijke financiering feitelijk is gerealiseerd. Met de vermelding van VNO-NCW als opdrachtgever en bovendien de vermelding van de leden van de klankbordgroep is het voor de lezer in voldoende mate helder gemaakt dat het onderzoek in opdracht van derden is verricht en dat bij de uitvoering daarvan derden betrokken waren. Deze derden waren belangrijke vertegenwoordigers van het bedrijfsleven waarvan VNO-NCW een belangrijk vertegenwoordigend orgaan is. Daarmee is in voldoende mate de transparantie betracht waar de code voor wat betreft het principe van onafhankelijkheid op ziet.’ 

De bewijsstukken op basis waarvan CWI 1 en het CvB eerder vaststelden dat de ABDUP-bedrijven mede-opdrachtgever waren, worden niet genoemd. Zelfs de ondertekende opdrachtbrief op Shell-briefpapier komt niet ter sprake.

Over de stellige conclusies en de sturende vraagstelling zegt CWI 2: ‘De door Klager aangehaalde passages kunnen inderdaad zo worden gelezen als speculatief, dan wel te stellig naar wetenschappelijke maatstaven, zo stelt de Commissie vast. De Commissie is echter van oordeel dat wanneer deze passages worden begrepen vanuit de opzet en aard van het onderzoek en geplaatst in het geheel van de rapportage dit anders komt te liggen.’

De brief van Wientjes en de vraagstelling die door CWI 1 als ‘sturend’ werd bestempeld, komen niet ter sprake in het oordeel van CWI 2.

Over de relatie van Volberda met Shell schrijft CWI 2:

‘Niet kan worden gesproken van een zodanige verhouding van Beklaagde tot Shell dat daarbij de academische vrijheid in het geding is dan wel sprake is van beperkingen die die vrijheid beperken en daarom zichtbaar moeten worden gemaakt.’ En: ‘Voor de beoordeling van deze klacht acht de Commissie een tweetal zaken relevant. In de eerste plaats is voor de Commissie relevant wat de aard is van de verhouding van een onderzoeker tot een opdrachtgever. Ook acht de Commissie relevant in welke mate een verhouding nog actueel is.’

Het contractonderzoek ‘Shell Exploration’ waarvan CWI 1 bonnetjes in de RSM-administratie had gevonden, komt niet ter sprake. CWI 2 negeert in haar oordeel het contractonderzoek voor Shell in de jaren voorafgaand aan het ABDUP-onderzoek.

‘Ook in geval van contractonderzoek is niet zonder meer sprake van een verbinding zoals aangegeven in de Code. Dat ligt anders, wanneer onderzoekers voor hun werkzaamheden in belangrijke mate (financieel) afhankelijk zijn van de betreffende opdrachtgever. Dat is hier echter niet gebleken.’ De persoonlijke ‘gratificaties’ ter waarde van 120.000 euro komen niet ter sprake in het oordeel, terwijl het CWI 1 hiervan nog zei dat ze ‘samenhingen met werk voor Shell en voor andere bedrijven, en in relatie tot de vaste beloning aanzienlijk waren, ook naar de maatstaven van die tijd.’

Lees verder Inklappen

Het eindoordeel van LOWI 2

Op 3 maart 2021 doet het LOWI, deze keer voorgezeten door Eric Daalder, opnieuw uitspraak in de zaak. Het oordeel volgt deels de uitspraak van de nieuwe CWI. Die oordeelde dat Volberda ‘onzorgvuldig’ heeft gehandeld door in latere publicaties in wetenschappelijke managementtijdschriften niet te vermelden dat een deel van de data afkomstig was uit het onderzoek in opdracht van VNO-NCW. Op het tweede, meest gewichtige punt oordeelt het LOWI echter strenger dan de nieuwe CWI: ‘Anders dan de CWI, is het LOWI van oordeel dat in het rapport uit 2009 onvoldoende transparantie is betracht over de identiteit van de financiers van het onderzoek. Vast staat dat Shell de facturen voor het onderzoek aan de RSM heeft betaald en dat deze kosten vervolgens evenredig zijn doorberekend aan Unilever, AkzoNobel, DSM, en Philips.’

Het eindoordeel van het LOWI is uiteindelijk hetzelfde als dat van de eerste CWI: geen schending van de wetenschappelijke integriteit, wél van ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’, de op een na zwaarste kwalificatie.

De zwaarste kwalificatie kent het LOWI dus niet toe. ‘Hierbij acht het LOWI van belang dat opzet niet aantoonbaar is. Uit het dossier blijkt immers dat het voor Volberda en zijn medeonderzoekers niet van meet af aan duidelijk was dat het onderzoek door Shell en andere ondernemingen gefinancierd zou worden.’ Ook stelt het LOWI vast ‘dat Shell geen opdrachtgever was, maar externe financier van het onderzoek. De gedragscode (versie 2004) schrijft alleen voor dat altijd duidelijk moet zijn wat de verhouding van de uitvoerder van het onderzoek tot de opdrachtgever is (en niet tot de externe financier).’

Geen bezwaar mogelijk

In beroep gaan tegen een uitspraak van het LOWI is niet mogelijk. Correspondentie of discussie over de inhoud zijn evenmin mogelijk, voor betrokkenen noch voor journalisten. Hüzeir diende nog wel een klacht in tegen het LOWI. De eerste twee onderdelen van zijn klacht: het bezwaar dat ‘er geen procedure bestaat om te klagen over de inhoud van een LOWI-advies’, en het bezwaar dat ‘een klacht tegen het LOWI ten onrechte door het LOWI zelf wordt behandeld’. De klacht werd in zijn geheel ongegrond verklaard. 

De uitspraak van het LOWI is gezien het feitenrelaas opmerkelijk. Het LOWI vindt dat er geen sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit omdat ‘Shell geen opdrachtgever was, maar externe financier van het onderzoek’ en omdat ‘het voor Volberda en zijn medeonderzoekers niet van meet af aan duidelijk was dat het onderzoek door Shell en andere ondernemingen gefinancierd zou worden’. De motivatie ontbreekt op basis waarvan het LOWI die conclusie trekt.

Uit tal van bewijsstukken valt echter feitelijk vast te stellen dat over het opdrachtgeverschap voorafgaand aan de integriteitsklacht nooit enige twijfel bestond. Ook het vorige CvB, met als voorzitter Kristel Baele en als rector magnificus Rutger Engels, wond daar in 2018 geen doekjes om. Het nieuwe bestuur onder leiding van voorzitter Ed Brinksma en interim rector magnificus Frank van der Duijn Schouten neemt – zonder nadere toelichting – op 19 mei 2021 echter definitief het oordeel van het LOWI over. De EUR beschouwt de zaak met het overnemen van het LOWI-oordeel als ‘afgerond’ en de UvA ‘begrijpt’ het oordeel van het CvB van de EUR.

In de media is Volberda nog steeds een graag geziene gast

Volberda’s ‘ronduit uitstekende reputatie als wetenschapper’ heeft met dit eindoordeel weliswaar een flinke deuk opgelopen, maar zijn carrière als ‘bekende en gezaghebbende hoogleraar’ zet hij ongestoord voort. Maandag gaat het nieuwe collegejaar van start en doceert Volberda een nieuwe klas business-studenten aan de UvA, waarbij het belang van hoofdkantoren voor het Nederlandse vestigingsklimaat ongetwijfeld aan bod zal komen. Zijn drie medeauteurs blijven verbonden aan de Erasmus. 

Ook in de media is Volberda nog steeds een graag geziene gast, bijvoorbeeld om te praten over het meeste recente lobby-offensief van VNO-NCW of over ‘Hoofdkantoren op drift’. Volberda is voor het FD in augustus 2021 nog steeds ‘de hoogleraar die eerder studies deed naar de functie van hoofdkantoren en het vestigingsklimaat van Nederland’. Dat het LOWI hem in mei ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’ verweet in relatie tot die studies, lijkt daarbij al na enkele maanden geen enkele rol van betekenis meer te spelen.

Wederhoor Henk Volberda

Henk Volberda schrijft na inzage van dit artikel aan FTM:

‘Het artikel is vrijwel volledig gebaseerd op de eerste, oude uitspraak van de CWI uit 2017, die door de beroepsinstantie Landelijke Orgaan Wetenschappelijke Integriteit is afgekeurd als vooringenomen en onrechtmatig en dus opnieuw moest worden gedaan. De finale uitspraak van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit Erasmus Universiteit als zowel het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit in deze zaak is dat er geen sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit. Het LOWI heeft bij deze beslissing alle feiten laten meewegen. FTM helaas niet.’

Commentaar FTM: Het is correct dat geen enkele van de vier commissies, noch het College van Bestuur heeft geoordeeld dat Volberda de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden. FTM weerspreekt dat ook niet, maar heeft er voor gekozen om in dit verhaal de feiten op een rij te zetten zodat die voor zich kunnen spreken. Dat stelt de lezer in staat zijn eigen oordeel te vormen over de zaak. Het LOWI heeft geconstateerd dat de eerste CWI ‘onvoldoende onafhankelijk is geweest’ maar dat betekent niet dat de feiten daarmee zijn veranderd. Bovendien werd ‘de schijn van vooringenomenheid gewekt’ door de onterechte inkadering van Hüzeirs klacht en de deelname van Muel Kaptein, die als faculteitsgenoot van Volberda nauwe banden had met het bestuur, de decaan, en co-auteurs Van den Bosch en Mom. De vooringenomenheid van de eerste CWI was dus eerder in het nadeel van Hüzeir dan in het nadeel van Volberda. 

Volberda wijdt nog verder uit over zijn belangrijkste bezwaren:

De tekst over zogenoemde zelfverrijking is onjuist en onacceptabel. Ik heb noch via gratificaties, noch via welke andere weg dan ook geld op mijn bankrekening ontvangen voor het Hoofdkantorenonderzoek in opdracht van VNO-NCW. Het genoemde bedrag van EUR 120.000 is een gotspe.

Er worden door de RSM nooit gratificaties uitgekeerd op basis van onderzoeksgelden. Er worden alleen maar gratificaties uitgekeerd op basis van off-load teaching, in dit geval executive en incompany MBA teaching. Wel kunnen onderzoekers na afronding van het onderzoeksproject na aftrek van overhead en student-assistentie kosten een deel krijgen op hun onderzoeksbudget (voor onderzoekskosten, congressen, en vakliteratuur). Voor het VNO-NCW Hoofdkantorenonderzoek is al het geld gespendeerd aan student-assistenten, overheadkosten en project-uren van onderzoekers.

De genoemde gratificaties over 2006-2007 zoals gesteld in artikel kloppen niet, maar kunnen nooit betrekking hebben op een onderzoek uitgevoerd in opdracht van VNO-NCW uit 2009. De gratificaties uit 2008 en 2009 waren zeker niet voor VNO-NCW hoofdkantoren onderzoek.

De kop boven het artikel – dat ik hiermee mijn bankrekening zou spekken – is daarmee onjuist en smadelijk.

De stelling ‘sturende onderzoeksmethodologie’ in de eerste zin – is feitelijk onjuist en is ook nergens bekrachtigd in een finaal oordeel van de CWI en het LOWI.

Alle feiten in het artikel zijn gebaseerd op de eerste CWI die nu juist op verzoek van klager en beklaagde door het LOWI is afgekeurd als vooringenomen en onrechtmatig en die dus overnieuw moest worden gedaan.

De finale uitspraak van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit Erasmus Universiteit en van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit in deze zaak is dat er geen sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit. Maar ook de eerste CWI-procedure die u uitgebreid citeert, heeft de klacht van Hüzeir als ongegrond verklaard en gesteld dat er geen sprake was van schending van wetenschappelijke integriteit.

De CWI en het LOWI hebben bij deze beslissing alle feiten laten meewegen. FTM is in dit artikel helaas ongebalanceerd en selectief – de onrechtmatige CWI-procedure uit 2017-2018 die verworpen werd wordt langdradig behandeld, het beroep bij het LOWI en de nieuwe CWI en LOWI wordt afgedaan met een paar zinnen.’

Lees verder Inklappen